Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het einde en zijne voorteekenen (3e serie) IX

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het einde en zijne voorteekenen (3e serie) IX

15 minuten leestijd

Mattheus 24 : 4, 5. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.

Dit is ons dus duidelijk geworden, dat er van geene profetie sprake is, die niet vervuld is geworden, wanneer Jezus' wederkomst nu eens als onmiddellijk aanstaande, dan eens als op verren afstand ons wordt voorgesteld. En ook werd ons duidelijk, hoe in de in Christus verschenen openbaring niet begrepen was eene tijdsbepaling aangaande het einde aller dingen. Als de discipelen dus vragen: „Wanneer zullen deze dingen zijn?" dan krijgen zij daarop geen antwoord. En als zij dan daaraan toevoegen die andere vraag naar het teeken zijner toekomst en dat der voleinding, dan dringt Hij er zijne discipelen toe tot zichzelven in te keeren, te overwegen, hoe zij staan in deze wereld en acht te geven op wat er om hen en met hen zal geschieden, welke invloeden er van dat levensmilieu, waarin zij geplaatst zijn, op hen zullen uitgaan. Daarmede erkent de Heere Jezus, dat al is er van geene tijdbepaling sprake, er toch wel symptomen zullen zijn, die de voleinding aankondigen en ik vestigde er reeds de aandacht op, dat deze voorafgaande verschijnselen daaruit verklaarbaar zijn, dat deze ..parousie", deze wederkomst, als eene gegevenheid te beschouwen is, die zoo met de historische ontwikkeling is saamgeweven, dat zij daarin hare werking tot openbaring brengt. Die symptomen, waarvan Jezus spreekt, zijn dus als de begeleidende verschijnselen te waardeeren van de in de geschiedenis werkzame voleinding, waarop zij aangelegd is.
En nu zijn die teekenen van tweeërlei aard. Zij hebben eenerzijds betrekking op den sociaal-geestelijken toestand der menschheid, anderzijds op de natuurkundige toestanden, waarin zich het kosmisch ontwikkelingsproces bevindt. En al wat er nu in andere gedeelten der Schrift over die voleinding ons meegedeeld wordt door den apostel Paulus of in de Petrus-brieven en in de Openbaring van Johannes, kan onder deze twee hoofden worden ondergebracht. W a t ons verder in de Schrift over de ,,parousie" geopenbaard wordt, heeft betrekking op deze twee gebieden: op den geestelijken toestand, waarin de menschheid verkeert en op den toestand, waarin het heelal, waarin hemel en aarde verkeeren.
Nu ligt dit eigenlijk voor de hand, want al speelt de toestand van het universum in ons geestelijk leven in het algemeen slechts zelden een rol, het feit blijft toch, dat de menschheid, die deze aarde als woonplaats ontvangen heeft, met die aarde dan toch een moment is in het geheel der dingen. Na de ontdekkingen der moderne wetenschap schijnt wel de waardeering van de positie der aarde te midden van de millioenen hemellichamen geheel veranderd te zijn, maar voor de wijze, waarop wij menschen individueel het leven en wat daarin is, benaderen, is dat toch lang niet in die mate het geval. Het is slechts betrekkelijk waar, dat er niet meer, als in voorbijgegane eeuwen, toen de wereld nog in de meening verkeerde, dat de hemellichamen zich om de aarde bewogen, eene, zooals het gezegd wordt, „geocentrische" beschouwing heerscht. Maar het is toch niet minder waar, dat diezelfde mensch, die eene geocentrische beschouwing niet meer aanvaarden kan, nu hem door de hulpmiddelen der moderne techniek en de methoden der hedendaagsche natuurwetenschap, de wereld van het oneindig groote ontsloten werd, toch in zijn gansche leven geocentrisch bestaat. In zijn gansche leven en streven draait het ten slotte toch altijd weer om hemzelven, om zijn ik, ook om zijn kennend ik. En dat ik is ten slotte met deze aarde, waarop het verschijnt, één.
Het is merkwaardig, hoe Gods openbaring reeds vele eeuwen, voordat de moderne wetenschap aan de menschheid de sleutels in de hand gaf om de voor het natuurlijk oog verborgene spheren des hemels te ontsluiten, deze voor het bewustzijn van Gods Kerk reeds ontsloten had. Het is zeker waar, dat ons in Genesis 1 eene geocentrische beschouwing van het heelal gegeven wordt, maar het is ook waar, dat Gods Woord diezelfde geocentrisch gedachte wereld in een ander licht stelt. Het onderscheid tusschen wat de Schrift en de moderne wetenschap leeren, is niet zoo groot, als men het gaarne voorstelt.
Diezelfde twee wijzen van zien, waarop ik hierboven heb gewezen en die inderdaad in ons moderne leven voorkomen, vindt men ook in de Schrift. Het scheppingsverhaal in Genesis 1 loopt inderdaad uit op de schepping des menschen. Als alles bereid is, zegt God: „Laat ons menschen maken naar ons beeld en naar onze gelijkenis." En dan wordt die mensch de centrale, alles beheerschende figuur, want hij zal heerschappij hebben over de geheele aarde en over al wat daarop is. Die mensch is dus het middelpunt, waarom al het andere zich groepeert. En de scheppingsdagen in Genesis 1 leeren ons ook, dat zon, maan en sterren er zijn om licht te geven op de aarde. Inderdaad, dat is dus geocentrisch.
Maar daartegenover verschijnt er in die zelfde Schrift eene, wat ik nu noemen zal, rein theocentrische beschouwing van het heelal. Feitelijk is die ook reeds in Genesis 1 : 1 aan het woord. Doch veel klaarder wordt dit in den voortgang der Openbaring. Luister slechts naar Job 9, waar van God gezegd wordt niet alleen, dat Hij de aarde als in zijne hand houdt, maar ook de engelen gebiedt, de sterren verzegelt, de hemelen uitbreidt, den wagen maakt, den Orion en het Zevengesternte. En nog klaarder wordt dit in Jesaja 40 : 26, waar de profeet Gods roepstem aldus laat weerklinken: ,,Heft uwe oogen omhoog en ziet, wie deze dingen geschapen heeft; die in getal hun heir voortbrengt; die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is, er wordt er niet één gemist." Ook Jesaja kent wel een geocentrische visie, als hij God teekent als „die daar zit boven den kloot der aarde en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen", maar hij wijst ook op de oneindigheid der spheren, die aan den nachtelijken hemel zich voor ons bewonderend oog ontsluit en schouwt zoo het heelal in een theocentrisch licht. En in dit licht wordt het geocentrische onder een geheel andere belichting ons voorgesteld.
Ook in de Schrift is er dus evenals in het moderne bewustzijn wel tweeërlei visie: de eene, waarin de mensch met zijne aarde het centrale moment vormt en die andere, waarin hij met zijne aarde uit dat centrum als wordt uitgelicht en in Gods scheppende daden verschijnt als een moment in den kosmos. Zoo is het dus begrijpelijk, dat in het licht, dat Jezus over de voleinding laat opgaan, die twee gebieden in het oog worden gevat en dat wij daarin dus eenerzijds worden bepaald bij hetgeen op deze aarde geschiedt en anderzijds bij hetgeen er met deze aarde geschiedt in het proces, dat de kosmos zelve in zijn ontwikkelingsgang doorloopt.
Tot hetgeen op de aarde geschiedt, behoort in de eerste plaats het menschheidsleven zelf, want dit is ook voor Christus feitelijk het eenige, dat in het geding is. Het gaat in Christus' verschijning om de menschheid alleen, om de vraag naar hare bestemming, om de vraag naar de bereiking dier bestemming. Het Woord is vleesch geworden. Dat heeft betrekking op de menschheid als zoodanig, op de menschheid dezer aarde alleen, op Adams geslacht. De vraag, of er op andere hemellichamen ook menschen wonen of wonen kunnen, mag voor moderne speculatie eenige attractie hebben, mag een speelbal zijn voor het dichterlijk genie van Jules Verne of van een astronoom als Camille Flammarion in zijn geschrift La pluralité des mondes, maar weten doen wij daarvan niets. Hoogstens zou men de vraag misschien kunnen stellen met eenige hoop op een antwoord, of de levensvoorwaarden, die menschen als wij zijn behoeven, op andere hemellichamen aanwezig zijn. En dan zal men toch daarmede nog niet weten, of zij er waarlijk zijn, want men zou dan, als men b.v. wist, dat er een dampkring was, nog niet kunnen zeggen of die chemisch precies was als die, waarin wij ademen. En men zou ook niet kunnen weten, of alle andere bestaansvoorwaarden voor de menschelijke natuur op die andere hemellichamen ook gevonden worden.
De Schrift echter spreekt daarvan niet. Voor haar bestaat alleen de menschheid, zooals zij op deze aarde bestaat, als geschapen naar den beelde Gods, als zekerlijk gevallen en daarmede aan hare ware bestemming ontvallen en daarom als voorwerp zijner wederbarende daden, die in den Christus Gods voltrokken worden, opdat zij nochtans hare eindbestemming bereiken zal. En die eindbestemming staat dan ook niet op zichzelve, is niet los te maken van het einddoel van het universum zelf, waarin de aarde en met haar die menschheid een centraal moment is. Gods Woord gaat niet verder, spreekt niet over wezens op andere hemellichamen, kent alleen een God, die met betrekking tot deze menschheid op deze aarde en aan deze menschheid Zichzelven openbaart.
Het eenige, waarover het Woord een licht doet opgaan, dat is het licht over tweeërlei orde van schepselen. De Hebreënbrief leert ons, dat wij door het geloof verstaan, dat de wereld door ^et Woord Gods is toebereid, zoodat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden (Hebr. 11). En de apostel Paulus onderscheidt, 2 Cor. 4:18, de dingen, die men ziet en de dingen, die men niet ziet. De dingen, die men ziet, rangschikt hij onder de tijdelijke, terwijl hij de dingen, die men niet ziet, eeuwig noemt. En in den Colossensenbrief (1 : 26) onderscheidt hij „dingen, die in de hemelen zijn en dingen, die op de aarde zijn, die zienlijk en onzienlijk zijn. En deze laatste specificeert hij door ons te spreken van „troonen, heerschappijen, overheden en machten". In elk geval blijkt daaruit, dat hij ook in de onzienlijke wereld en in de hemelen schepselen onderscheidt. En daarbij is hij in overeenstemming met de Oud-Testamentisch bekende wereld der engelen. Dus de Schrift spreekt van tweeërlei scheppingsorde, die elk hare schepselen in zich draagt. Zoo zong de Psalmist, dat ook de engelen den Heere zouden loven, de krachtige helden, die Zijn woord doen. En Job schildert ons de schepping, die voltrokken wordt, terwijl de morgensterren vroolijk zingen en al de kinderen Gods juichen.
Inderdaad, Gods Woord openbaart ons wel, dat er een andere scheppingsorde bestaat dan die zich in deze zienlijke wereld aan ons voorstelt. Het openbaart ons ook, dat deze beide scheppingsorden niet los naast elkander staan, dat zij voor elkander beteekenis hebben, op elkander inwerken en ook in het einddoel der schepping een gemeenschappelijke grootheid vormen, zoodat de vleeschwording des Woords ook daarbij als een centraal kosmisch proces van wederbaring fungeert. De apostel leert ons aangaande Christus, dat het des Vaders welbehagen is geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou en dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door Hem alle dingen verzoenen zou tot zichzelven (Col. 1 : 20). Maar nergens spreekt de Schrift van wezens op andere hemellichamen, slechts van wezens, die tot eene andere, zienlijke orde behooren. Wel werken deze wezens van eigen orde op elkander in, zoodat daaruit de eenheid der schepping blijkt, hoe verscheiden zij ook mogen zijn.
Of deze dan niet aan plaats gebonden ons voorgesteld worden? De Schrift leert ze ons kennen als eindige wezens en ook die onzienlijke orde, waartoe zij behooren, kan dus slechts aan ruimte gebonden ons voorstelbaar zijn. En daarom, als er van den hemel sprake is, dan altijd ook als van een ruimtelijken hemel, maar daarom toch niet als op een ander hemellichaam, maar als schepsel van andere, onzienlijke orde. Hemel en aarde staan dus niet los naast elkander, maar zijn als schepselen Gods één en op elkander aangelegd. En de desorganisatie in den hemel blijft dan ook niet tot den hemel beperkt, maar wordt een infectiebron, om zoo te zeggen, voor de aarde, voor de menschheid op die aarde, zoodat onze Catechismus ons kan leeren. dat de mensch wel is waar door moedwillige ongehoorzaamheid is gevallen, maar anderzijds door het ingeven des duivels tot zijn val gekomen is.
En nog daarna is de inwerking van satanische machten van zeer groot gewicht, zoodat de apostel ons waarschuwt: „Doet aan", zegt hij, „de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleiding des duivels." En zoo verklaart hij ons ook onze geestelijke benauwdheden en worstelingen. door te zeggen „want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht." Dus die strijd gaat ook tegen geestelijke machtsfiguren, al staan de geweldhebbers der wereld niet buiten het lijden der Kerk op aarde.
Uit dit alles blijkt dus, dat in heel het scheppingsproces, deze beide scheppingsorden in hoogere eenheid verschijnen. Hierbij is echter de vraag van een geocentrische beschouwing geheel op den achtergrond getreden, omdat zij alleen op de zienlijke orde betrekking heeft, en staan wij voor eene rein theocentrische beschouwing, waarin het al zich ontwikkelt naar den zin van het „uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen".
Hier is dus sprake van eene volstrekt religieuse waardeering, waaraan het al ondergeschikt is. En nu ligt het voor de hand, dat de Heere Jezus in dat licht het antwoord geeft op de vragen der discipelen en dus in de eerste plaats hunne aandacht vestigt op de historische verschijnselen, die in het geestelijk leven der menschheid op den voorgrond treden, die samenhangen met de doorwerking van het in Hem nabijgekomen Godsrijk. Zeker, Hij wijst ook op wat er in de hemelen boven ons gebeuren zal, kondigt ook aan de geweldige natuurkundige catastrophen, die samenhangen met het feit, dat de aarde, waarop wij wonen, ook een der hemellichamen is onder de millioenen anderen, vestigt er hun aandacht op, dat in het alomvattend kosmisch proces ook deze aarde begrepen is en zij dus ook zal deelen in hetgeen het kosmisch proces ten laatste aan veranderingen ondergaan zal. Doch het eerste, waarop Hij ons wijst, dat zijn niet die natuurverschijnselen, is niet wat er, natuurkundig gesproken, met deze aarde zal gebeuren, maar het geestelijk proces, dat zich voltrekt in de menschheid, om wier wederbaring Hij mensch is geworden. Zoo wijst Hij de Zijnen terug naar het in het paradijs begonnen werelddrama, waarin de gevallen menschheid verschijnt als deelend
in den geweldigen worstelstrijd tusschen de slang en deze vrouw, het vrouwenzaad en het slangenzaad. In beginsel was de eindontwikkeling wel op Golgotha beslecht en door verrijzenis en hemelvaart bekroond. Doch de volheid der overwinning zal nog wachten, totdat ook daarvan de voleinding intreedt en met die voleinding zijne „parousie" gepaard zal gaan. Zoo verschijnt dus met zijn optreden als het vleeschgeworden Woord van God, met Hem als den Middelaar Gods en der menschen, eene nieuwe en laatste phase in dien wereldstrijd, waarin de machten der duisternis kampen met het Licht. En nu waarschuwt Hij zijne discipelen in verband met dien opgang naar de voleinding, dat ook zij, dat ook Gods Kerk als het centrum verschijnen zal, waarom de worsteling zich beweegt.
Dat behoeft ons niet te verwonderen, want al is de Heere Jezus als de verheerlijkte Overwinnaar over dood en hel, niet meer op deze aarde. Hij is er toch in en door de Kerk, die zijn lichaam is. Zooals in de dagen zijner omwandeling het alles ging om Hem, de Satan Hem verzoekt en de machten der duisternis zich tegen Hem keeren en tegen Hem alleen — want Hij heeft de pers alleen getreden —, zoo gaat het na Hem om zijne Kerk, aan welke Hij immers daarom heeft toegezegd: „Ik ben met u alle de dagen, tot aan de voleinding der wereld", omdat Hij haar Hoofd is en met haar als zijn lichaam als een levend organisme die paradijs-worsteling doorzet, opdat Gods eeuwig scheppingsdoel zal worden verwerkelijkt.
Zoo brengt dus Jezus' antwoord zijne discipelen te midden van dien grooten wereldstrijd, waarin zij straks zullen staan, als Hij zijn aardsche middelaarstaak zal hebben volbracht en Hij drukt hun reeds nu op het hart, welke groote gevaren hen zullen dreigen, welke satanische machten zich ook tegen hen zullen keeren, welk een bange strijd ook hen zal wachten. Daarom zegt Hij: „Ziet toe, dat u niemand verleide", want vele valsche Christussen zullen opstaan en trachten de zijnen te misleiden met eene belofte van heerlijkheid, die Hij alleen bereid heeft. De zaligheid is in geen ander en de eeuwen door zal de vorst der duisternis uitgaan om een ander in zijne plaats te stellen, opdat hij andermaal het werk van Gods genade zal ontwrichten. Wat eenmaal in het paradijs geschiedde, zal ten tweeden male niet meer kunnen intreden, want het oogenblik komt, waarin de belofte vervuld wordt: „alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. Dood! waar is uw prikkel? Hel! waar is uwe overwinning? En Gods Kerk zal dan den jubelzang aanheffen: Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 augustus 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het einde en zijne voorteekenen (3e serie) IX

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 augustus 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken