Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van den Wil Gods II

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van den Wil Gods II

12 minuten leestijd

Het andere woord dat onmiddellijk met het boven behandelde samenhangt en er een variatie van is (boulema) beteekent ook goeddunken, believen. Rom. 9 : 19: Want wie heeft zijnen wil wederstaan? Het planvolle bedoelen Gods. En in vers 18 werd dit planvolle bedoelen Gods onderscheiden als een tweevoudig willen van erbarmen en verharding; zijn besluit omtrent den eeuwigen staat des menschen.
2. Een ander woord voor Gods wil gaan wij nu in het kort bespreken, (thelema, thelesis en het daarbij behoorende werkwoord).
Dikwijls is het verschil met het andere woord dat wij bespraken niet meer vast te stellen. Alleen kan wel worden gezegd dat dit woord veel voorkomt om den wil des hevels aan te duiden. Gods wil. dat iets geschieden moet. Enkele voorbeelden: en gij weet zijnen wil, en beproeft de dingen die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet.
Rom. 12 : 2 en wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke wille Gods zij. En in het volmaakte gebed wordt dit woord gebruikt in de bede: Uw wil geschiede.
Het willen Gods, ook door dit woord uitgedrukt, sluit echter steeds in zijn absoluut willen, souvereine zelfverzekerdheid en actualiteit. Het is volkomen willen. Het moge gaan over zijn schepperswil of verlossingswil.
Mattheus 20 : 14: Neem het uwe en ga henen; ik wil dezen laatste ook geven gelijk als u. Of is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil?
Romeinen 9 : 22: En of God willende zijnen toorn bewijzen en zijne macht bekend maken met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns tot het verderf toebereid.
|Collessensen 1 : 27 aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is in Christus onder u, de hoop der heerlijkheid.
In 1 Petrus 3 vers 17 wordt gehandeld over den goddelijken wil (met dit Grieksche woord) in de leiding der geloovigen. Ook is het naamwoord dikwijls verbonden met het werkwoord doen: Gods wil doen.
Merkwaardig is ook, dat het woord in de H. S. nooit in het meervoud voorkomt. Dit wijst ons dus op de machtvolle eenheid van Gods wil. Mare. 3 : 15: Zoo wie den wil Gods doet, die is mijn broeder...
Het is dus zeker waar. dat Gods gebiedende wil in eene verscheidenheid van geboden bestaat, doch het woord wordt toch steeds in het enkelvoud gebruikt om de eenheid aan te wijzen in dien goddelijken wil en den samenhang met zijn Gods-bestaan. Gods wet is uitdrukking van zijn gebiedende wil, en die wil is in God één.
Een enkele maal wordt het woord echter ook gebruikt voor den schepperswil des Heeren o.a. Openbaringen 4 : 11: Want Gij hebt alle dingen geschapen en door uwen wil zijn zij en zijn ze geschapen.
Meestal echter wordt het gebezigd om den heilswil, de werking tot zaligheid aan te duiden. Mattheus 18 : 14: Alzoo is de wil uws Vaders die in de hemelen is, dat niet één van deze kleinen verloren ga.
(De lezer moet hier zijn gedachten goed gebruiken en rustig lezen, zoo noodig nog eens overlezen om te volgen het beteekenisvolle onderwijs des Woords over Gods wil. Wij zijn daartoe verplicht krachtens den eerbied voor Gods Woord die ons past en hebben het noodig voor onze verdere beschouwingen).
Dit woord voor Gods wil wordt veelvuldig gebruikt om zijn gebod aan te wijzen, hetgeen Hij wil dat moet geschieden gedaan en gelaten worden door zijn redelijk-zedelijk schepsel, dat bestaat door zijn schepperswil en gebonden is aan zijn gebod. Dus dit woord voor Gods wil ziet zoowel op zijn besluit als zijn gebod.
Lucas 12 : 47: Die dienstknecht welke geweten heeft den wil zijns Heeren en niet gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden.
1 Thess. 4 : 3: W a n t dit is de wil Gods: uwe heiligmaking...
3. Een ander woord, dikwijls gebruikt voor Gods wil, vraagt onze aandacht (eudokia). Dit zelfstandig naamwoord is niet classiek en komt vrijwel uitsluitend voor in de Joodsche en christelijke litteratuur.
Op Ephese 1 wezen wij reeds. Daar komen verschillende woorden voor allen Gods wil beduidend, met gevarieerde beteekenis, door onze vertaling weergegeven door: wil, voornemen, besluit.
In vers 5 wordt de goddelijke wil getypeerd als welbehagen (eudokia). Het begrip kan daarbij niet worden gescheiden van den van eeuwigheid bestaanden raad (boule). Zoo is dan het woord: welbehagen (welbehagen = eudokia) een bepaald aspect op dien wil. Het is niet slechts het bepaalde willen, het besluit, maar het typeert den inhoud daarvan als vrij, alleen in God gegrond, door niemand beinvloed; zijn believen.
In vers 9 wordt de verborgenheid van zijnen wil (thelema) nader verklaard door: naar zijn welbehagen (eudokia). In dit woord dan komt het vrije welbehagen in Gods wil het sterkst uit.
Mattheus 11:26: Ja Vader, want alzóó is geweest het welbehagen voor u. W e zouden kunnen zeggen: het woord wijst op Gods grondwil, in de verborgenheid van zijn wezen besloten.
Lucas 2 : 14: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in menschen een welbehagen. In de engelenzang spreekt het woord ons van Gods genadigen wil (besluit) die zich in vrije, grondelooze genade keert jegens het volk zijner keuze.
Wanneer wij het resultaat samenvatten van hetgeen wij tot dusver vonden komt dit op het volgende neer.
De wil Gods is bewegingsvolle werkelijkheid in God. van zijn wezen niet te scheiden. De wil Gods sluit in zelfsverlustiging, het willen om zichzelven. Hij sluit in het eeuwige, vaststaande, goddelijke raadsplan van schepping en verlossing en alles wat daartoe behoort.
Vrijmacht en zekerheid, absoluutheid met overleg en wijsheid liggen erin vast Het gansche wereldproces is manifestatie en activeering van den goddelijken wil. Een volheid van goddelijke energie ligt in dien wil besloten. De wil des gebods is erin opgenomen. En zoo staan wij ten slotte bij den wil Gods voor eene machtvolle aanbiddelijke eenheid in den Heere onzen God.
In het midden der Kerk doet Hij zich kennen door zijn Woord en in Christus volvoert Hij zijn wil en raad naar zijn welbehagen tot zaligheid.
(Voor de verschillende woorden zie men: Theologisches Wörterbuch zum neuen Testament van Gerhard Kittel).

II. De wil Gods omtrent eigen wezen (voluntas essentialis an complacentiae).
De mensch heeft een wil. Dat behoort bij zijn wezen, en een wilsleven. Daarbij is het eerste wat wij opmerken en wat ons hier te pas komt, dat de mensch zichzelf wil, omdat de wil behoort tot zijn wezen. Toch kan niet worden gezegd dat zijn wil zijn wezen is. Het ligt buiten ons bestek over den wil des menschen en zijn wilsleven, de motieven die daarin werken ,de prikkels die er op uitgaan en den wil in actie zetten in te gaan.
De mensch is een eindig schepsel maar het behoort tot zijn persoonlijkheid dat hij een denkend-willend wezen is; dat onderscheidt hem van het dier. De mensch is naar Gods beeld geschapen en wat bij hem afgeleid, eindig gebonden, schepselmatig is, komt bij den Heere God archetypisch, oorspronkelijk en goddelijk voor. De wil Gods draagt dus een eigen karakter. Wij leeren hem kennen uit het Woord. De mensch wil zichzelven, heeft zijn leven lief ook afgezien van de zonde. Ja, dan juist op de rechte wijze.
In alle leven ligt de drang tot zelfbehoud ingeschapen en bij den mensch treedt die begeerte in het bewustzijn, zoodat hij weet zichzelf te willen.
Is het niet mogelijk van den menschelijken wil een bepaling te geven nog veel minder is dit mogelijk bij den wil onzes Gods. Alle gegevens der Schrift — dit is zeker wel duidelijk uit hetgeen wij reeds vonden — kunnen niet in een formule worden samengebracht. Bij ons menschen wordt in het algemeen onder den wil verstaan het vermogen tot zelfbepaling.
De wil is het vermogen — zoo wordt wel omschreven — van het bewuste ik om zijn krachten te richten op een bepaald doel. Hoe dit zij, bij den Heere God kan van zulk een algemeene omschrijving nog veel minder sprake zijn.
Want in den Heere zijn geen hoedanigheden (facultates) onderscheiden van het wezen. God is een eenvoudig geestelijk wezen zonder samenstelling van deelen, zegt onze belijdenis terecht.
Toch spreekt Gods Woord tallooze malen van Gods wil in onderscheiding b.v. van zijn verstand en andere deugden.
In God is de wil origineel, oorspronkelijk; goddelijk is zijn karakter, ja God zelf. Zoo is ook het vader-zijn oorspronkelijk in God en afgeleid bij de schepselen.
Uit hem is alle vaderschap.
Gods wil nu is één met zijn wezen, is dus allereerst een willen van zichzelf. De wil Gods is het genegen zijn tot zichzelf als het hoogste goed en laatste doel. God wil zichzelven, omhelst eigen wezen, verlustigt zich in zichzelf als de volzalige. De wil Gods is zijn wezen, zoo leert ons het Woord. God is zijn deugden volgens de eenvoudigheid van zijn wezen. Dit willen van zichzelf is zijn wezenswil. de wil van het zichzelf behagen en genoegzaam zijn. De Heere is God. Ik ben God en niemand meer. Deze wil Gods is natuurlijk en noodzakelijk. Het is begrepen in zijn God zijn. Deze noodzakelijkheid is niet van buiten af opgelegd maar vloeit voort uit zijn wezen. Zoo vallen hier noodzakelijkheid en vrijheid samen, omdat God niet anders kan dan zichzelf liefhebben en willen zooals Hij is en bestaat. God is geen onbewust wezen maar Persoon. Deze wil is eeuwig een met zijn wezen.
Reeds omdat het Woord ons dit openbaart is het onze aandacht waardig ook al is alle begrijpen hier zeker uitgesloten.
Maar Gods kind leert toch iets van dit willen-van-zichzelf bij den Heere onzen God verstaan door het geloof. Dit zal ons nog nader blijken, en in het practisch gedeelte ook bezig houden.
Deze wil waardoor Hij zichzelven wil gaat niet vooraf {ook niet logisch) aan de werken Gods naar binnen (opera immanentia) die zich voltrekken eeuwig binnen het wezen, Gods. Zooals de generatie des Zoons en de spiratie des Geestes. De generatie van den Zoon door den Vader is eene wezensdaad die geen wilsbesluit voor-onderstelt gelijk b.v. de schepping der wereld. Toch is deze generatie gewild. Een voorbeeld aan ons menschelijk leven ontleend moge de bedoeling toelichten. Een mensch ademt, doch hij neemt daartoe geen besluit, maar doet dit spontaan, vanzelf. Doch niet tegen zijn wil omdat hier de wil werkt naar het wezen. De willende God is God. God is de willende God.
Nog een schrede kunnen wij verder gaan en opmerken dat God zichzelf wil als de drie-persoonlijke God. Daaruit vloeit voort, dat alléén als wij met dien drievuldigen God verzoend zijn, wij kunnen rusten in zijn welbehagen. Door onze ziel ruischt de innerlijke harmonie des levens die in God is, gelijk de zee naruischt in de schelp aan het strand.
Wij bestaan één-persoonlijk, de Heere God drie-persoonlijk. Zóó wil Hij zichzelf eeuwig, zóó behaagt Hij zichzelf eeuwig. Met dien wezenswil zouden wij bij het schepsel kunnen vergelijken de wil om te zijn, de drang in alle leven om zich te handhaven.
Met dezen wezenswil correspondeert de noodzakelijke kennis Gods (scientia necessaria) waardoor Hij eigen wezen kent en doorgrondt. Hij is de eeuwig zichzelf kennende en willende God. Zoo leeren wij de verheven majesteit Gods ook in zijn wil kennen en aanbidden.
Gods willen is echter niet een streven naar een goed. dat Hij missen zou en zonder hetwelk Hij niet kan zalig zijn. Het is geen streven naar volmaking van zichzelf want Hij is en blijft van eeuwigheid tot eeuwigheid de volzalige in zichzelven. Hij is zelf het hoogste goed voor zichzelven. Zijne liefde is volstrekte zelfliefde. Haal de deugden Gods niet neer, ook niet zijn wil, tot uw alledaagsche opvattingen maar weet dat God God is een eeuwig blijft. Ook in zijn wil is Hij de hooge en verhevene, die in de eeuwigheid woont.
Hij kan in niets anders rusten dan in zichzelven. En in die absolute zelfliefde, het willen van zichzelven, is de hoogste, volstrekte, goddelijke energie van zijn wil. Nu moet dit niet in dezen zin verstaan alsof God zichzelf door zijn wil voortbrengt. Neen, want de Heere God is van eeuwigheid God. Voorwerp van zijn wil is God zelf als bestaande gelijk Hij is, en niet als wordende wat Hij wil zijn.
Dit willen is evenals zijne zelfkennis noodzakelijk gegeven met zijn wezen als God. Deze wil des zelfbehagens is nu drie-persoonlijk omdat God drie-persoonlijk is.
Hier staan wij voor verborgen diepten, waarvan echter de zuivere belijdenis allerminst onverschillig kan zijn, maar krachtens Gods waarheid geboden.
Deze waarheid heeft ook hare gevolgen voor het leven des geloofs in het midden van Gods Kerk, die naar zijn naam genoemd is.
(Van onze oude theologen is het vooral, Polanus, die aan dit punt van den wezenswil Gods behoorlijke aandacht heeft geschonken: Polanus Syntagma Theol. Christianae C. XIX p. 439 sqq.)
In den wezenswil Gods hebben wij dus niet van doen met een zekere beslissing, maar met de bewogenheid van Zijn zichzelf-liefhebbend-goddelijk-wezen.
In dien wil geniet Hij van zichzelf; handhaaft Hij zichzelf als God. In zijne zelfbepaling kent Hij zichzelf met eene kennis der zelf-behaging, gelijk Hij ook zichzelf aldus eeuwig wil.
God heeft aan zichzelf genoeg en kan krachtens het karakter van zijn wezen niets willen buiten zich dan om zichzelf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 september 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van den Wil Gods II

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 september 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken