Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De genezing van een bezetene V

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De genezing van een bezetene V

23 minuten leestijd

Marcus 9 : 17—29. En een uit de schare antwoordende, zeide: Meester, ik heb mijnen zoon tot u gebracht, die eenen stommen geest heeft; en waar hij hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst met zijne tanden en verdort; en ik heb uwen discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitwerpen en zij hebben niet gekund. En hij antwoordde hem en zeide; O ongeloovig geslacht! hoe lang zal ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen? Brengt hem tot mij. En zij brachten denzelven tot hem; en als hij hem zag, scheurde hem terstond de geest en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. En hij vraagde zijnen vader; Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? E n hij zeide: Van zijne kindsheid af; en menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zoo gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons. En Jezus zeide tot hem; Zoo gij kunt gelooven! Alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft. En terstond de vader des kinds roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere, kom mijne ongeloovigheid te hulp. En Jezus ziende, dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem: Gij stomme en doove geest, ik beveel u: ga uit van hem en kom niet meer in hem. En hij roepende, en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, alzoo dat velen zeiden, dat het gestorven was. En Jezus hem bij de hand grijpende, richtte hem op, en hij stond op. En als hij in huis gegaan was, vraagden hem zijne discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? En hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten. (Vergelijk verder: Matth. 17; 14—21 en Lucas 9 : 3 7 — 4 2 ).

De Heere Jezus heeft den bezeten knaap genezen. De duivel is uitgevaren en zal aan het machtwoord van den Zaligmaker moeten gehoorzamen: Kom niet weder in hem. Ziet ge wel met welk een Jezus wij van doen hebben? Nog is Hij dezelfde als gisteren en eergisteren en Hij zal dezelfde zijn tot in eeuwigheid.
Zijn hand is niet verkort, dat Hij niet zou kunnen verlossen;zijn oor is niet zwaar geworden, dat Hij niet zou kunnen hooren. Neen, hij neigt zijn oor... roept gij tot hem al uw dagen? Dan zult gij ook heden kunnen belijden: Hij redt mij keer op keer. Als wij onzen levensweg terugzien dan is deze een keten van ontfermingen. De gouden draad van Gods reddende daden verbindt het heden met het verleden het nu met hetgeen worden zal. Want ook de toekomst loopt langs den gouden draad van zijne goedertierenheid. Nu is die draad nog niet zichtbaar, maar daarom is hij er wel. Hij heeft beloofd: de Heere zal u geduriglijk leiden, Hij zal uwe ziel verzadigen in groote droogte. Deze toezegging kwam van zijn gezegende lippen: Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten. De duivel is ons zeer gram, maar hij zal ervaren, dat zijn nederlaag zeker is. Ook de vader is geholpen. In den geest zien wij hem huiswaarts keeren met zijn kind, gezond en wel; onuitsprekelijk is zijn geluk. Nooit had hij kunnen denken of hopen zoo gelukkig te zullen worden met zijn eeniggeborene.
Wij hooren niet meer van den vader noch den zoon. Het was genoeg hetgeen de Heere ons openbaarde, tot leering van zijn macht en zijne wondere wijze van handelen.
De Meester trekt zich terug in een huis en de discipelen volgen hem naar binnen. Misschien zijn zij ook wel verblijd over hetgeen is geschied, maar toch zit er iets bij hen van onvoldaanheid. Zoo niet over Jezus doen dan toch over de teleurstelling die zij hebben ondervonden. Zij storten hun hart uit voor den Meester.

3. Jezus en de discipelen.
Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?
En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u, zoo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga henen van hier derwaarts en hij zal henengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. Maar dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten.
De discipelen volgen den juisten weg, door niet te blijven mokken maar zich tot den Meester te wenden om onderwijs. Wel is waar ligt in hun vragen iets van afkeuring, van kwalijk verholen misnoegen over den gang van zaken met den maanzieken knaap. Wij vallen de jongeren niet hard ook al moeten wij hun gedrag afkeuren in sommige opzichten. Wij vallen hen niet hard, want het kan ons niet verborgen zijn gebleven in eigen leven, dat wij menigmaal Gods wegen zoo niet afkeuren dan toch ze nauwelijks kunnen billijken laat staan goedkeuren en bewonderen.
Zoo dwaas zijn wij geworden door de zonde. Daarom is ons noodig ware zelf- en Godskennis. De Heere moet wel vragen: wat heb Ik u misdaan? Want in plaats van altijd de breuk bij onszelf te zoeken wenden wij eerst den blik naar alle zijden om den schuldige te ontdekken alvorens wij inkeeren tot eigen leven. Ja, daar komen wij pas aan toe door het onderwijs des Heeren.
De Schriftgeleerden hebben de discipelen beschuldigd van onvermogen om den duivel uit te werpen en daar konden zij, gegeven de feiten, niet veel tegen inbrengen. En nu is er in hun hart een verborgen trek om het te verhalen op den Meester. De oude zonde die aanving in het paradijs. De vrouw had gezondigd en zij klaagt: de slang heeft mij bedrogen. Adam overtreedt Gods gebod en zegt gemelijk: Die vrouw, die Gij mij hebt gegeven, die heeft mij verleid.
Die dwaasheid zit ons diep in de ziel, om ons onvermogen, ja, onze zonde af te wentelen op den Heere. Dat blijkt ook hier bij de discipelen. Wij zijn weldra in de weer met onze waarom's? Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? De vraag is wel te begrijpen. Immers wij lezen (Luc. 9 : 1 ) : En zijne twaalf discipelen bijeen geroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over alle de duivelen en om ziekten te genezen.
Zij hadden reeds meermalen die macht uitgeoefend en faalden niet. Hunne prediking ging vergezeld van wonderen om de macht van hun Zender te vertoonen. Ja, zij lieten zich op die macht wel wat voorstaan ook. Een mensch is g r a a g groot, zelfs met de genade die de Heere schenkt, ook al moesten wij in alle gaven, zoowel natuurlijke als geestelijke, bedenken: W a t hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen?
De Heere Christus had de zeventig discipelen bij hun wederkeer, toen zij triumphantelijk gewaagden van de onderwerping der booze geesten, gewaarschuwd en gezegd: Verblijdt u niet, dat de onreine geesten u gehoorzaam zijn maar verblijdt u veel meer hierover, dat uwe namen geschreven staan in het boek des levens.
Deze macht om wonderen te doen was niet geschonken a a n alle geloovigen, maar was een bijzonder charisme, een buitengewone gave in dien tijd aan sommigen geschonken. Niet alleen aan de apostelen in engeren zin, de twaalven, schonk Jezus die macht maar ook aan andere geloovigen gelijk wij lezen: En degenen die gelooven, zullen deze teekenen volgen: door mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen, met nieuwe tongen spreken. Slangen zullen zij opnemen en zoo zij iets doodelijks drinken, het zal hen niet schaden: op kranken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden.
Het W o o r d leert ons dus, dat het Evangelie in zijn eerste verbreiding vergezeld zou gaan van teekenen en wonderen.
Gelijk Jezus de waarheid van zijn Evangelie met wonderen bevestigd had, zoo breidt Hij nu dezelfde macht over de volgende tijden uit; zoo zijn de discipelen niet aan zijn lichamelijke tegenwoordigheid gebonden. De goddelijke kracht van Christus moest zich kennelijk openbaren aan de geloovigen om zijn verrijzenis te verzekeren opdat zijne leer onvergankelijk en zijn naam onsterfelijk mocht zijn" (Calvijn).
Nu zegt dit niet, dat de geloovigen ook heden deze macht ontvangen want het vermogen om wonderen te doen was slechts sommigen gegeven, maar is toch eigendom der gansche Kerk. Immers zij dienden voor alle eeuw ter bevestiging des Evangelie's en der teekenen en wonderen, die het vergezelden en bekrachtigden.
Ook is het waarschijnlijk, dat slechts voor een tijd wondergaven werden geschonken om het nieuwe Evangelie te vergezellen en te bekrachtigen.
De oude kerkvaders spreken van deze wonderen als behoorende tot voorbijgegane tijden. Wij moeten dus niet vergeten, dat de apostelen deze wondermacht hadden ontvangen. Wij hebben zoodanige macht niet ontvangen, ook al blijft G o d dezelfde die nog wonderen kan doen. En het gebed des geloofs is nog daar om te ervaren: op uw noodgeschrei deed Ik groote wonderen.
De Roomsche Kerk verweet aan de reformatie, dat hun leer geen wonderen had om haar te bekrachtigen. Maar, zoo merkt Calvijn ergens op. dat is stinkende laster want onze leer is toch dezelfde als van Christus die overvloedig door wonderen bevestigd is. N u was het echter zóó. dat de apostelen deze wondermacht alleen konden oefenen door het geloof in Jezus' macht; door gemeenschap met hem, ook al waren zij niet bij hem. Zij zijn bitter teleurgesteld. Heeft Jezus dan geen woord gehouden? Zoo mompelen zij in hun hart. Ja Jezus hield wel woord maar zij oefenden geen geloof. Daar lag de fout. E n die zagen zij niet.
Vierderlei aanval was op de jongeren gedaan. De schriftgeleerden, die cynische lieden, hadden de discipelen gehoond en hun onmacht met grijnslach en spot gadegeslagen. De arme vader had vergeefs een beroep op hen gedaan. De schare, belust op teekenen, drong op hen aan en was teleurgesteld. En de duivel... die had hen gesard. In de wereld der booze geesten is nog verschil in g r a a d van kwaadaardigheid. In ziektegevallen, denk maar aan de vreeselijke kankerziekte, is ook verschil in graad van kwaadaardigheid. Nu deed zich hier een bijzonder kwaadaardig geval van bezetenheid voor.
De schare zeide: als gij dezen maanzieken knaap genezen kunt zullen wij gelooven dat Jezus van Nazareth de Christus is die in de wereld komen zou naar de belofte aan onze vaderen. M a a r . . . zij hebben niet gekund.
De duivel hoont en sart hen. W a a r blijven nu uwe bezweringen? Gij kunt niet! Hier is nu een geval, waarin de kracht van uw Meester te kort schiet. Nooit laat ik hem los. Het is te begrijpen, dat de jongeren geschokt zijn, teleurgesteld. Nu heeft Jezus het gedaan. Welke blaam op hen geworpen werd, den Meester treft niet het verwijt van onvermogen. Toch waren zij daarmede niet tevreden. Daarom vragen zij Jezus: waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?
Laten wij eerst de vraag eens stellen en zoeken te beantwoorden: waartoe kan nu die teleurstelling dienen? Waarom had de Heere Christus hen deze nederlaag laten lijden. De negen discipelen die achtergebleven waren aan den voet van den berg der verheerlijking, toen de Zaligmaker er drie meenam naar den top des bergs om zijne glorificatie te zien hadden toch een echte zending van den Heere! Hij had hen verkoren naar zijn goedgunstigheid en aan hunne roeping en zending was geen twijfel.
Met groote kracht hadden zij gepredikt en wonderen gedaan. Zij genazen de kranken die tot hen werden gebracht en nu in dit geval hebben zij gefaald. Zij hebben niet gekund. Zij zeiden niet tot den vader: wij doen het niet; neen. zij hebben beproefd hem uit te werpen doch de duivel ging niet uit, de knaap bleef bezeten. Ja, de aanvallen werden vreeselijker in plaats van minder. De menigte zei of dacht: De macht van den Meester is begrensd. Hier ligt de limiet.
Ach, hadden zij eens gezien zijne heerlijkheid op den Tabor! Zijne gedaante werd veranderd. Bovennatuurlijke heerlijkheid lag over hem uitgespreid. Zoo laat Jezus hunne nederlaag zeker met wijze bedoelingen toe. Hij was niet in zijne heerlijkheid zoo opgegaan dat Hij de zijnen vergat. O neen, dat doet Hij nooit. Ook heden niet.
De discipelen worden het mikpunt van den spot van Jezus' vijanden. Gaat het dan heden anders in de wereld? Op hetzelfde slachtveld waar wij groote overwinningen behaalden kunnen zware nederlagen ons treffen. W a a r om toch. Waarom laat de Heere de zijnen beschaamd staan. Waarom? Omdat zij moeten leeren, dat de overwinning alléén toekomt aan het geloof. Aan het geloof, dat wil zeggeiv zij leggen er geen eer bij in. Want het geloof is niet van ons, het is Gods gave, ook het geloof om wonderen te doen. Indien gij niet gelooft, zoo zult gij niet bevestigd worden. De discipelen waren teruggegaan op hun wondermacht zonder geloof te oefenen in hem die het Wonder is. Zij hadden Christus niet aangegrepen in zijne sterkte en hadden hun wondermacht losgemaakt van Christus.
Daarom faalden zij. Onze vroegere kracht baat ons niet bij een volgend geval. Mochten wij gisteren geloof oefenen, de wereld verzaken en den duivel verjagen van het erf onzer ziel, dit waarborgt niet, dat wij het heden zullen kunnen. Want alleen het geloof, werkzaam door den Heiligen Geest, kan de overwinning geven. Zoo moeten Gods kinderen leeren, dat zij niets in de hand hebben hoeveel hun ook is toegezegd. Simson ging uit en deed als in vroegere dagen maar zijne kracht was van hem geweken. De Filistijnen over u, Simson! Zijne haarlokken, het teeken van zijn Nazireërschap,waren afgesneden. En daarom kon hij geen kracht oefenen.
Zullen wij het werk des Heeren doen zoo moet er geloof in ons werkzaam zijn. Kort en zakelijk luidt het antwoord des Heeren: vanwege uw ongeloof. Maar, waren zij dan ongeloovigen? Neen. dat weet ge wel beter. Zij waren gekenden des Heeren en het zaad des Woords had wortel geschoten in hunne harten. Zij geloofden, waren geloovigen. Zij waren wedergeboren tot eene levende hope; getrokken uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht.
Elders vraagt de Heere: Waar is uw geloof? Dan wil Hij zeggen: waar is nu de oefening van uw geloof? In de jongeren was wel de wortel des geloofs, maar het werd overheerscht door ongeloof. En ongeloof is het kenmerk van ons eigen bestaan.
Jezus wil de apostelen een les inprenten. Een les die dikwijls overgeleerd moet worden, omdat wij zoo vergeetachtig zijn en trage leerlingen worden bevonden.
Dit moet ons strekken tot schaamte en ootmoed; tot waakzaamheid en gebed.
Vanwege uw ongeloof...
Neen, zij waren geen ongeloovigen in volstrekten zin, zooals de mensch van nature is. Want zij hebben het getuigenis van Jezus ontvangen toen Hij deze wereld ging verlaten: Dezen hebben bekend, dat Gij mij gezonden hebt.
Jezus wil zijne discipelen een les inprenten. Zij moeten afhankelijkheid leeren en bedenken, dat evenals bij de zonen van Aser hunne sterkte zal zijn gelijk hunne dagen, ook al doopen zij hun voet in olie. De kracht van Zondag kan ons Maandag niet baten als zij niet wordt vernieuwd. Israël moest manna rapen van dag tot dag. Het opgelegde kapitaal is in den hemel, op aarde worden zij bedeeld, uit zijne volheid en ontvangen genade voor genade.
Een geloofsheld op de knieën is een riet als hij op eigen beenen loopt. Buiten den Heere en zijne gemeenschap kunnen wij nergens over beschikken. Gelukkig, dat het zoo is, want anders zouden zij hoovaardig worden op geleend goed en zich zelfstandig tegenover den Heere stellen.
Ja, daar zijn Gods kinderen niet te goed voor. Wat al praten is er niet over den Heere; verhalen van de ondervonden weldaden terwijl de Weldoener wordt vergeten. Job bad: och of ik ware gelijk in de vorige dagen toen zijn licht over mijne tent scheen. Job was naar het eigen getuigenis des Heeren een man, godvreezende, wijkende van het kwaad. Maar als de Heere zijn gunst onthoudt blijkt het weldra, dat Job niet over zijn vreeze Gods te beschikken heeft en tot uitspraken komt die voor den Heere krenkend zijn en de man die was wijkende van het kwaad valt in zonden die hij vroeger zeker onmogelijk zou hebben geacht. De les is wel zwaar te leeren, maar daarom niet minder noodzakelijk: Uwe vrucht is uit mij gevonden en... zonder mij kunt gij niets doen.
Nog iets anders wil de Heere Christus hen leeren. Hij wil hen bevrijden van de neiging tot sleurgang. Het ware christelijke leven loopt niet als een machine. Gij kunt knielen om te bidden en toch biddeloos zijn. Dat weet ik maar al te goed zegt ge? Goed, maar houdt dan zulk spreken nooit voor waarachtig bidden. Want dat is het niet, volstrekt niet. Wat blijft er weinig wezenlijks over als alle schijn en vorm wordt weggenomen.
Gij hebt nu eenmaal een zekeren inhoud van gedachten en beleefde zaken, en dus... neen niet en dus, want gij kunt er geen Godverheerlijkend gebruik van maken zonder de gemeenschap des geloofs met hem die de gever is van alle goede gaven en volmaakte giften. Dit is maar gelukkig ook want wat zouden wij anders ongenietbare menschen worden en onbruikbaar tevens.
Op den levensweg laat de Heere het in zijne opvoedende genade niet ontbreken aan teleurstellingen. Soms worden wij door hindernissen van den eenen kant naar den anderen gedreven. De Heere zet ons voor een geval waar we geen raad mee weten en zoo breekt Hij genadiglijk onzen sleurgang.
Zoo ging het nu ook met de discipelen. Zij komen onverwacht, terwijl de Meester met een drietal den berg had beklommen, voor een ongewoon geval te staan. Daar was de maanzieke knaap en de smeekende vader van den jongen.
Zij dachten zeker: dat zal wel gaan; één woord en de duivel moet den knaap verlaten. Zij spreken hun ban uit, maar de booze geest blijft op zijn post hem door den grootmeester der hel aangewezen. Hij weigert uit te varen en... de discipelen staan op eenmaal machteloos.
Nuttige, hoewel beschamende les. Wat moest er van ons worden indien de Heere ons geen teleurstellingen bereidde? Neen, eigenlijk bereiden wij die ons zelf door ons ongeloof. En dat ongeloof openbaart zich ook hierin, dat wij vergeten de noodzakelijkheid van geloofsoefening op Jezus' kracht en genade.
Is dit dan ongeloof? Zeker, hoe wilt gij het dan anders noemen? Noem de dingen maar bij hun naam. De Heere vraagt in alles naar waarheid ook als onze leugen moet blijken. En wat valt ons nu op? De discipelen hadden er geen erg in waar eigenlijk de fout school. Zij zijn gemelijk, dat ze zijn teleurgesteld en al zeggen zij het niet met zooveel woorden toch blijkt genoegzaam hoe zij inwendig zijn gesteld en geen oog hebben voor hun ongeloof. Daarom is het een daad van genade, dat de Heere Christus hen aan deze kwaal ontdekt. Zoo is het toch nog voor ieder van Gods kinderen!
Nog iets anders leeren de jongeren in dezen weg van eigen tekort. De oneindige meerderheid van den Meester. Ware Hij aanwezig geweest zoo hadden zij deze ervaring niet opgedaan. Ook zijn afwezigheid kan nuttig zijn. Hebt gij dit reeds geleerd of verloopt uw leven nog buiten omgang met Jezus? Zoo is het van nature.
Hebt gij geleerd waartoe gij Jezus behoeft en kunt gij zonder hem niet meer leven? Moge deze overdenking u overtuigen van de noodzakelijkheid in leven en sterven zijn eigendom te zijn en u doen haasten om uws levens wil eer de nacht des doods zijn donkere slagschaduwen over u werpt en u doet ondergaan in eeuwigen jammer.
Neen zegt gij, vreemd aan dat leven ben ik niet. maar... ja wat maar? Maar ik ben zoo onvast in mijn gang, mijn voeten glijden telkens uit. Hebt gij werk om ze vastgezet te zien op den weg des vredes?
Eén woord van Jezus was genoeg om wonderen te doen, het aanraken met zijn hand, zelfs de blik zijner oogen deed wonderen.
Wij hebben hem niet kunnen uitwerpen. Ziedaar de betuiging van hun onvermogen. Zij wilden wel maar konden niet. Ja, maar zij wilden niet op de rechte wijze. Zij wilden buiten het geloof in Jezus' macht wonderen doen en dus: zij wilden niet recht. Het mocht bij den apostel Paulus zóó zijn en steeds meer worden: Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft.
Soldaten zonder hun generaal vluchten voor den vijand of geven zich smadelijk over. Het is door liefdesnoodzakelijkheid dat wij vernederd worden door tegenheden om te leeren kennen het ongeloof van eigen bestaan. Het ongeloof in vormen die wij anders zouden voorbijzien en niet als ongeloof leeren kennen.
Eenmaal baden de discipelen in soortgelijke omstandigheden: Heere, vermeerder ons het geloof. Alles wat ons uitdrijft uit eigen bestaan tot Jezus brengt zegen. Dit bitter brengt ons tot het zoet zijner gemeenschap, het verlangen naar zijn heil.
Het is vernederend op rotsen te ploegen terwijl gij het zaad des Woords verstikt ziet worden door de doornen van de zorgvuldigheden dezer wereld. Toch is ook deze les heilzaam opdat wij het niet verwachten van ons werk maar enkel van zijne genade. Hij die plant is niets, noch hij die nat maakt, maar God die den wasdom geeft. De jeugd wordt onverschilliger en gij kunt hun geweten nauwelijks meer bereiken. Dit is zeer ontmoedigend, want de jeugd is niet alleen de toekomst der natie maar óók der kerk,
Gods raad en welbehagen leeren wij aldus kennen maar ook onze onvruchtbaarheid in het gebed, want op hun noodgeschrei doet de Heere toch groote wonderen.
Het is niet goed zich terug te trekken op de stelling van Gods welbehagen wanneer het niet geschiedt in het geloof. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijne jeugd draagt. Niets meer te kunnen zonder den Heere, niets meer te durven beginnen zonder hem die de Alpha en de Omega wordt geheeten is eene les zwaar om te leeren maar heilzaam.
Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?
Vanwege uw ongeloof. Gij zijt voorspoedig. W a t mag de oorzaak hiervan zijn? Gij hebt veel tegenslag en wat ieder gelukt faalt bij u? Daar moet een reden voor zijn.
De dichter vroeg: Waarom is het, dat Gij met mij twist? Laat mij dit geheim weten opdat ik de kroon op het juiste hoofd plaatse. Heere, doe mij dit weten, opdat, als ik zelf de oorzaak ben, ik een anderen weg mag inslaan die U gevalt. Zoekt te weten waarom gij nederlagen lijdt. Wees uw eigen leermeester niet, noch eigen advocaat, laat de Heere de plaats innemen in uw leven die hem alleen toekomt. Dat doende zult gij ervaren, dat de godzaligheid tot alle dingen nut is hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens. Met een verbroken hart, tranen in de oogen naar den genadetroon! Gij weet nog lang niet wat er zoo al huist in een menschenhart aan verkeerdheid, ongeloof en vijandschap.
Er kunnen dingen zijn, die den Heere beleedigen en uwe geestelijke kracht verteeren. Misschien acht gij kleinigheden die toch uw leven verwoesten en het basiliskesei zijn van veel verkeerdheid voor God.
Daarom lijdt gij zooveel nederlagen en vordert gij niet op den weg des levens; gij hebt wellicht nog een gouden tong in uw tent verborgen of een overkleed, dat gij zelf hebt geweven om in tijd van koude aan te trekken. Daarom huivert gij als een scherpe wind der verzoeking waait.
De dichter bekent, dat deze lessen nuttig en noodig zijn geweest voor hem: Heere, ik dank U, dat Gij toornig op mij zijt geweest want eertijds dwaalde ik maar nu onderhoud ik uwe wet. Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft, belijdt Paulus en legt daarmede de kroon aan de voeten des Heeren. Die op den Heere vertrouwt is als de berg Sions die niet wankelt in eeuwigheid. Anders zijn wij als een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt.
Zoo is de remedie voor alle kwalen. Doch alvorens de wonde wordt geheeld moet ze worden gezuiverd, anders kan de balsem niet baten.
Er kunnen dingen geschieden onherstelbaar ten opzichte van de menschen, maar niet bij den Heere die menigvuldig vergeeft en niet verwijt. Waarom staat heden Gods Kerk zoo machteloos temidden der wereld? Vanwege haar ongeloof. Haar invloed taant, haar gezaghebbend woord wordt nauwelijks gehoord en waar haar getuigenis nog flauwelijk uitgaat vindt het geen gehoor of wordt zij teruggedrongen tot een afgebakend gebied welks grens zij niet mag overschrijden. Anders loopt zij gevaar, dat niet alleen haar mond wordt gebreideld doch gesloten in den dood. De Kerk is verscheurd en verdeeld, krachteloos. Het geloof is ingezonken en nauwelijks wordt eigen ziel als een buit weggedragen. Indien wij alleen vertrouwen in een land van vrede hoe zullen wij het maken in de verheffing van den Jordaan?
Jezus zeide niet: Gij hebt niet gekund vanwege de kracht des duivels óf het bijzondere geval waarin de knaap verkeerde, maar... vanwege uw ongeloof.
De zonde van het ongeloof berooft ons van veel goeds en berokkend ons veel leed. Leed, dat wij niet dragen om der gerechtigheid wil, doch om onze ontrouw en zelfzucht. Hij zegt ook niet: omdat Ik niet aanwezig was maar... vanwege uw ongeloof. Zoo is er in onze dagen zoo veel, dat op rekening komt van het ongeloof en er toch niet op wordt geboekt, helaas!
Gij blijft onbekeerd; leeft voor, ook in deze gevaarvolle tijden, in de wereld en bekommert u niet over het heil uwer ziel. Straks zal, indien de Heere het niet genadig verhoedt, gelden: Gij hebt niet kunnen ingaan vanwege uw ongeloof.
Een ander tobt jaar in jaar uit voort zonder eenigen voortgang op het pad des levens en klaagt. Vanwege uw ongeloof zijt gij in banden gebleven en is de deur uwer gevangenis niet opengesprongen. Daarom eet gij brood der bedruktheid en drinkt water uit een bittere bron. Gij ziet door uw ongeloof niet het hout des levens, dat groeit aan den zoom van ieder Mara waar de Heere ons brengt.
De klacht wordt gehoord — en terecht —• over gebrek aan bediening des Geestes ook in de bediening des Woords. Vanwege uw ongeloof. Want indien Gods Kerk den Heere in het geloof vasthield op zijn Woord, dan zou er een milden regen nederdalen op Sion en als zij gaan door het Bakadal zou de regen hen rijkelijk overdekken.
Vanwege uw ongeloof!
Vanwege uw ongeloof. Zegt gij in waarheid: Ja Heere, vanwege mijn ongeloof.
In het geloof zingt de gemeente Gods:

Want Hij is onze God, en wij
Zijn' t volk van zijne heerschappij,
De schapen die zijn hand wil weiden
Zoo gij zijn stem dan heden hoort,
Gelooft zijn heil- en troostrijk woord;
Verhardt u niet maar laat u leiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 oktober 1939

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

De genezing van een bezetene V

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 oktober 1939

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken