Bekijk het origineel

Van den wil Gods IX

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van den wil Gods IX

14 minuten leestijd

Leed het primaat van het intellect bankroet de poging om het primaat van den wil tot heerschappij te brengen in het wijsgeerig denken slaagde evenmin.
Enkele voorbeelden hiervan mogen dit toelichten.
Men gaat dan niet uit van de rede doch van den wil Gods. Wij denken o.a. aan Schelling in zijn tweede periode (1809). Hij ging over Böhme en de Kabbala terug op het neoplatonisme.
Reeds Plotinus had daarin geleerd, dat God product was van zijn wil en macht, en dat dus de wil het laatste zijn was en voorafging aan het verstand.
Schelling dan maakte den wil tot het laatste principe zoowel van het bestaan van het oneindige als van het eindige zijn.
Er is in laatster instantie geen ander zijn dan willen. Willen is ur-zijn en daarop alleen passen alle praedicaten: eeuwigheid, onafhankelijkheid enz.
Zoowel in God als in alle schepselen moet onderscheiden worden tusschen het wezen, dat bestaat en het wezen zoover het alleen grond van bestaan is. God heeft den grond van zijn bestaan in zichzelven, dat is: in eene van God zelf onderscheiden natuur. Wij zouden dus volgens Schelling kunnen zeggen God is een gewild wezen, doch de Schrift leert God is een willend wezen. Die natuur, die achtergrond van het zichzelf-veroorzakende willen is als het ware het verlangen, die het eeuwig Eéne ervaart om zichzelf te baren. Daarom is het geen volkomen zelfstandige wil, doch wil waarin geen verstand is.
Zoo is het nu ook met alle dingen. Zij zijn iets ander dan God en kunnen toch niet buiten God zijn. In de donkere natuur, in dezen onbewusten wil Gods, hebben de dingen hun grond. Evenals uit die donkere natuur het licht van den geest en van de persoonlijkheid is opgegaan, zoo is er in deze wereld regel, orde en vorm op te merken. Het zal den lezer wel duidelijk zijn, dat we hier met wijsbegeerte en niet met theologie van doen hebben. De wil is feitelijk geen wil (ook Schopenhauer en von Hartmann leerden het primaat van den wil) maar een onbewust begeeren. een blinde drang, eene donkere natuur.
De theologie heeft haar eigen methode en haar eigen bron, namelijk de H.S. en die alleen. Dergelijke wijsgeerige constructief geven wij in een paar zinsneden weer om de noodzakelijkheid te onderstreepen den zuiver religieusen grondslag der Schrift niet te verlaten.
De theologie kan geen wijsgeerig fundament verdragen. Zij wordt daardoor vervalscht en het gebouw stort ineen met het wankelen dezer fundamenten, die onderhevig zijn aan de vloedgolven van het wisselend menschelijk denken. De theologie moet verwerpen een wijsgeerige en cultuurbasis. De Ethischen — om van de modernen te zwijgen — hebben altijd gelaboreerd aan het euvel hun theologische beschouwingen wijsgeerig te willen fundeeren. Dit bleef zoo tot den huidigen dag. Daarbij leven zij op import uit het buitenland.
Zoo schreef een vertegenwoordiger van den rechtervleugel onder hen: Theologie behoeft onherroepelijk eene empirische critische, wijsgeerige instelling van hen, die zich met haar bezig houdt. Dan eerst laat philologische exegese en godsdiensthistorie zich wetenschappelijk opbouwen en de Dogmatiek zich philosophisch fundeeren. (Aldus Prof. de Vrijer in een opstel over: Wiskunde en Visioen in N.Th.St., Dec. 1937).
Het ligt niet op onzen weg deze uitspraak critisch te ontleden; genoeg er de aandacht op gevestigd te hebben en met nadruk dat wijsgeerig fundament af te hebben gewezen. De instelling van den theoloog moet religieus-confessioneel bepaald zijn. Hij moet in levend contact staan met Gods Kerk en de zuivere religie, van besmetting der wijsbegeerte vrij, dragen in zijn hart terwijl zijn verstand geheiligd moet zijn door den verlichtenden Geest Gods, die alleen in alle waarheid leiden kan. Niemand heeft hierop sterker nadruk gelegd dan Calvijn. (Men leze Calvijn zelf. Als hulpmiddel voor onderzoek op dit punt verwijs ik naar: Dr. F. J. M. Potgieter: De verhouding tussen die Theologie en die Filosofie bij Calvijn, Amsterdam 1939).
Hoe geheel anders spreekt de Schrift over Gods wil en willen; het willen van zichzelf en de schepselen.
Wij zullen welbewust moeten uitgaan van en blijven bij de gegevens der Schrift, en daarbij bedenken, dat wij God niet kunnen doorgronden evenmin begripmatig bepalen. Terwijl het feit, dat wij verduisterd zijn van verstand ons wel dubbel bescheiden mag maken. Laat ik de waarschuwing tot bescheidenheid geven in de woorden van Milton. In zijn: Verloren Paradijs laat hij Raphaël tot Adam spreken:

Uw begeeren, bescheidenlijk verzocht,
zal u geworden.
Doch, hoe zullen woorden gesproken zelfs door Seraphim,
vertolken kunnen al wat de Almacht heeft gewrocht!
Hoe zou het menschelijk kennen, denken, ooit vermogen
die werken te doorgronden!
Maar wat gij kunt benad'ren, wat strekken kan
den Schepper lof en eer te brengen en zaligheid aan U.
dat worde u niet onthouden.
De God en Heer' des hemels gebood me uw wetensdorst te [lesschen.
Doch houdt ook in dit streven de perken van het menschelijk
de grenzen van uw kennen voor den geest. [vermogen,
Weerhoud u van te vragen naar wat uzelf te boven gaat
en laat de valsche hoop u niet misleiden
door eigen denkkracht op te klaren hetgeen d' Onzienlijke
Zelve alleen alwetend, omhulde met een sluier,
en Hij niet openbaarde en aan geen creatuur op aard'
noch in den hemel kan worden kond gedaan.

(Aangehaald uit Dr. H. Visscher: De Schepping, bl. 218)

..In het religieus bewustzijn openbaart zich God, met wien Gods Kerk gemeenschap des levens oefent en die dus iets anders is dan de grond der wereld of van haar substantieel zijn, dat de wijsbegeerte postuleert. Het religieuse, door Gods Geest verlichte denken, dat leeft uit de bijzondere openbaring, brengt alles met het vrijmachtig werkend-levend en levendwerkend willen Gods in verband, doch zóó, dat Hij niet alleen logisch, maar principieel onderscheiden is van de wereld.
Zoo is er zelfs geen vergelijking mogelijk tusschen dezen levenden-willende God en den grond der wereld, waarvan de philosophie spreekt. De wijsbegeerte kent geen wereldwording zonder wereldgrond. De Heilige Schrift zegt: Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van den beginne? En het antwoord luidt: Ik de Heere, die de eerste ben en met de laatste ben Ik dezelfde. (Jez. 45 : 21).
Tegenover de onzekerheid der philosophie biedt alleen de H.S. zekerheid en waarborg der waarheid, met het kruis van Christus als middelpunt, van Gods reddenden wil. De eerste stap naar het gevaar van verwording was, dat de christelijke religie de philosophie zich als dienstmaagd in huis nam. Daarna duldde zij haar als meesteres". (Dr. H. Visscher, De Schepping, bl. 234).
De wijsbegeerte heeft de Roomsche theologie vergiftigd, de na-reformatorische bedorven, de moderne en Ethische verheidenscht evenals zij die van Karl Barth doortrekt. En de vraag is gewettigd of zij die van Amsterdam niet zal derailleeren, of reeds heeft ontspoord.
In de christelijke wereldbeschouwing is de schepping en het scheppingsleven in zijn geheel daad van Gods souvereinen wil, die wortelt in zijn goddelijk wezen en daarvan de eigenschappen draagt. In den Zoon is haar vormprincipe want door Hem zijn alle dingen geschapen, beide die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn. Door de gansche Schriftuur gaat de sprake als een levenslied opklinkend, de sprake des geloofs: Want Gij hebt alle dingen geschapen, en door uwen wil zijn zij en zijn ze geschapen.
Zoowel voor het religieuse als het zedelijke leven, die niet gescheiden kunnen worden is de rechte waardeering van den wil Gods met betrekking tot God zelf als ook de schepping en de schepselen, als wil des besluits en des gebods van fundamenteele beteekenis. Wie hierin dwaalt zal in andere stukken des geloofs eveneens afglijden en tot ketterijen vervallen.
Ook voor de practijk der godzaligheid is zuivere belijdenis van den wil Gods naar de Schriften een eerste vereischte. Ook zullen wij zorgvuldig de fout moeten vermijden hetgeen als veelvormig zich aandient tot een eenvormig begrip te willen maken. Dan gaan wij feitelijk over op de dwaallijn der wijsbegeerte, zij het op andere wijze. Ik heb Uw Woord in alles voor recht gehouden en alle valsche pad heb ik gehaat.
Alle deelen der goddelijke waarheid moeten volkomen tot hun recht komen. Wij mogen geen voorkeur geven aan het geen ons het meest trekt, want alles moet ons gelijkelijk trekken wat God ons heeft geopenbaard van zijnen wil.
Niemand zal ontkennen, dat hieraan in de practische toepassing moeilijkheden zijn verbonden, maar deze mogen niet worden opgelost ten koste van een deel der waarheid. In ons practisch gedeelte zullen wij gelegenheid hebben hierop nader in te gaan. Het is toch voor het leven van Gods gemeente, van het kerkvolk in het algemeen, van de grootste beteekenis den vollen raad Gods te ontsluiten gelijk dit ook de eere des Heeren vordert.

2. De leer van den wil Gods in het Nominalisme.
In het wezen der zaak kwamen de beide richtingen van realisme en nominalisme reeds voor in de Grieksche wijsbegeerte. Het gaat daarbij over de vraag of de ideeën, de begrippen, werkelijk bestaan hebben dan wel of zij slechts abstractie's zijn van den menschenlijken geest. Plato en Aristoteles waren beide realist, hoewel op verschillende wijze. De eerste kende een bestaan toe aan de ideeën buiten de zichtbare werkelijkheid, de laatste in de dingen alleen.
De eigenlijke gedachte van het nominalisme treffen wij welbewust aan bij den Griekschen wijsgeer Anthisthenes. Hij ontkende de realiteit der algemeene begrippen en zeide tot Plato: Het paard zie ik, maar de idee paardheid zie ik niet. Ook bij de Stoa hield men de begrippen, de gedachten, slechts voor bewustzijnsverschijnselen. Gedachten-dingen en als zoodanig wel werkelijk, doch niet in de werkelijkheid bestaande.
In de Middeleeuwen nu kreeg dit nominalisme vasten vorm en oefende grooten invloed in de theologie. Roscellinus was van oordeel, dat de algemeene begrippen slechts woorden waren, geen zaken, er beantwoordde geen werkelijkheid aan.
In de nieuwe wijsbegeerte verschijnt dit nominalisme als empirisme. (Vgl. Dr. H. Bavinck: Dogmatiek I, bl. 235).
Berkeley dreef het nominalisme op de spits en in het illusionisme van Feurbach leefde het weer op. (Hiervoor gebruikte ik o.a. mijn dictaat philosophie van Prof. Visscher).
Ernst von Aster trachtte het nominalisme een nieuwen grondslag te geven (Principiën der Erkenntnislehre 1913 cf. R.G.G.2 s.v.).
Wij laten echter dit alles verder rusten. Het was ons slechts te doen vast te leggen, dan hetgeen ons in de theologie der Middeleeuwen bezig moet houden onder den naam van Nominalisme zijn wortels heeft in de wijsbegeerte en niet in de principia der Schrift. Wij bepalen ons dus verder bij den wil Gods zooals die door het nominalisme werd geleerd, en die grooten invloed had in de theologie.
Het was Duns Scotus die het pelagiaansche begrip der wilsvrijheid als volstrekte indiferentie (onbepaalde kiesvrijheid) consequent op God toepaste. Behalve God is er niets noodzakelijk. Gods wil is willekeur in feite. God veroorzaakt de wereld toevallig, niet slechts voor ons menschelijk kennen, doch ook voor hemzelf. Zoo leerde Scotus, dat het Woord, de tweede Persoon in het goddelijke wezen, indien Hij gewild had, ook wel eene andere natuur dan de menschelijke had kunnen aannemen, b.v. die van een steen. God had zonder verzoening kunnen verlossen als Hij dit gewild had. De verdiensten van Christus waren niet gelijkwaardig aan de zonde, doch werden slechts door God aangenomen (Acceptilatietheorie).
Occam ontwikkelde dit principe nog verder en leerde, dat, als God wilde, Hij de zaligheid schenken kon zonder wedergeboorte en den wedergeborene, als Hij het wilde, kon verdoemen. God kan vergeven zonder voldoening; de Vader had wel mensch kunnen worden in plaats van de Zoon. De wet kon het tegenovergestelde eischen van hetgeen zij thans vordert. Tot het meest onzinnige toe stelde Occam als mogelijk.
Hoe sterk nu ook nadruk moet worden gelegd met de Schrift op de vrijheid en vrijmacht van Gods wil, toch mogen wij hem nooit losmaken van zijn wezen en ons niet overgeven aan allerlei dwaze speculaties, maar ons houden aan het Woord onzes Gods.
Wel is waar, dat soms op onvoorzichtige wijze ook door de kerkvaders en andere theologen over die vrijheid van Gods wil is gehandeld.
Dit waren echter meer incidenteele opmerkingen dan systematische gedachten. Vleeschwording en voldoening was volgens meerderen niet volstrekt noodzakelijk, als God het anders had gewild. God had ook wel, indien hem dit had behaagd, kunnen vergeven zonder voldoening en moet niet noodzakelijk de zonde straffen. (Athanasius; Gregrius Naz.; Joh. Damascenus, Augustinus, Petrus Lombardus, Thomas van Aquino; van onze Gereformeerde theologen uit de reformatorische periode oordeelde ook zoo Zanchius, Petrus Martyr enz.).
Sommigen stelden zelfs, dat God. ofschoon Hij van dit recht nooit gebruik maakt, den onschuldige tijdelijk of eeuwig zou kunnen straffen. (Zoo o.a. Perkins).
Het lijkt ons echter niet juist ook Calvijn te tellen onder degenen die dit gevoelen zouden hebben voorgestaan (Zoo doet Bavinck Dogm. II, 235).
Een tweetal plaatsen die hiervoor worden aangehaald willen wij dan ook nader bezien. In zijn Institutie II 12,1) schrijft Calvijn als volgt: Zeer was eraan gelegen, dat Hij, die onze Middelaar zou zijn, waar God en waar mensch was. Indien men naar de noodzakelijkheid hiervan vraagt, zoo antwoorden wij, dat dezelve niet eene bloote, (zooals men gewoonlijk spreekt) of eene volstrekte geweest is, maar eene zoodanige die is voortgevloeid uit het besluit des hemels, waarvan der menschen zaligheid afhankelijk was. Ook heeft de allergoedertierenste Vader dat, wat voor ons het beste was bepaald".
Na er dan op te hebben gewezen, dat niemand tot God kon genaken vanwege de vuilheid onzer zonden en de reine majesteit Gods, vervolgt hij: „Derhalve moest de Zoon Gods ons worden tot een Immanuël, dat is God met ons; en dat onder die voorwaarde, dat zijne Godheid en de menschelijke natuur door eene onderlinge samenvoeging met elkander zouden worden vereenigd".
Calvijn stelt dus vast, met de Schrift, dat de vleeschwording niet volstrekt noodzakelijk was in dezen zin, dat zij uit het wezen Gods als zoodanig voortvloeit, maar door het goddelijke raadsbesluit voortkomt en in die hoedanigheid noodzakelijk is.
Calvijn blijft op Schriftuurlijken bodem en stelt dus aan de eene zijde geen absolute noodzaak der vleeschwording uit het wezen God — wat ook niet juist zou zijn — maar snijdt evengoed de willekeur af door uit te gaan van het besluit Gods ter redding. Wij kunnen hier dan ook geen zweem van de nominalistische wilsleer Gods vinden. (Zooals Bavinck meent). De tweede plaats die wordt vermeld is de aanteekening op johannes 15 : 13: Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden.
Eerst wijst Calvijn op de onuitsprekelijke liefde van Christus, in het geloof gekend en gesmaakt ,om op te wekken tot broederliefde. Dan vervolgt hij: „God had ons kunnen verlossen door een woord of wenk, indien het hem niet anders had goed gedacht ter oorzaak van ons, dat Hij zijn eigen en eeniggeboren Zoon niet sparende, getuigenis heeft gegeven in zijn persoon, hoeveel zorg Hij had voor onze zaligheid... Daarom moeten de harten wel harder dan steen en ijzer zijn, die zulk een onvergelijkelijke zachtheid der goddelijke liefde niet verteedert".
Het komt ons voor, dat Calvijn hier in het geheel niet denkt aan de mogelijkheid van het vergeven zonder voldoening (zooals het Nominalisme dat leerde) doch veeleer een irreeël geval stelt om de liefde Gods te vergrooten. Want hij wil er immers nooit van weten — en dat is zijn kracht — de basis der Schrift te verlaten die naar Gods Openbaring de verzoening als noodzakelijk stelt niet krachtens Gods wezen, maar naar zijn hemelsch besluit, dat echter nooit los mag worden gemaakt van zijn wezen. Het nominalistisch standpunt met zijn droeve gevolgen voor het geheele erf der theologie werd later voorgestaan door de Jezuïten, Socinianen, Remonstranten van allerlei slag, en op voorgang van Cartesius door cartesiaansche theologen als Burmannus, en geestverwanten.
Nog één opmerking. Bij de behandeling van Zondag 6 over de vleeschwording zal men wel doen uit te gaan van de Schrift en het antwoord van den Heidelberger daaruit te laten opkomen, om niet te vervallen in de fout van de Scholastiek (Denk aan Anselmus: Cur Deus homo) en de vleeschwording als iets denknoodwendigs voor te stellen, en zoo te trachten het dogma rationeel te maken. Het antwoord van den Catechsimus moet worden opgebouwd en afgeleid uit de gegevens der Schrift waarin de Heere God zich alzoo verklaart dat de Middelaar waarachtig God en waarachtig rechtvaardig mensch moest zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 november 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van den wil Gods IX

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 november 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken