Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van den Wil Gods X

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van den Wil Gods X

3. De wereldwil Gods bij Leibnitz.

19 minuten leestijd

Wanneer wij hier ook een enkel woord wijden aan Leibnitz is dit omdat deze breedvoerig het vraagstuk van den goddelijken wil heeft behandeld in zijn wijsgeerig systeem met het doel de leer der Roomsche kerk te steunen tegen de scherpe aanvallen van hare tegenstanders in zijn dagen. Rome toch wil ook een theodice leveren een verdediging van het Godsbestuur, waartoe echter de Kerk noch geroepen noch bij machte is, zooals reeds genoegzaam is gebleken.
Het punt in kwestie is de vrijheid van den wil Gods. Leibnitz leerde, dat de wil Gods wel vrij was, om al of niet de wereld, den mensch, de dieren, de planten te scheppen, maar als Hij ze schiep moest Hij dit doen naar de idee, die zijn bewustzijn zonder en vóór den wil daarvan zich had gevormd. Gegeven den wil Gods om te scheppen moet de wereld juist zóó zijn als zij is.
Zij is daarom de best mogelijke en hangt in alle deelen zoo innig samen, dat wie één ding goed weet, alle dingen van haar weet (Leibnitz Theodicee I, 52. 11. 169 ff.). Zooeven wezen wij er op, dat hij tracht de critiek zijner dagen op de gangbare voorstellingen te weerleggen. Het was vooral Bayle tegen wien hij in het krijt trad. Deze ontleedde de gangbare voorstellingen zijner dagen zeer scherp en oefende eene vernietigende critiek. Leibnitz zocht den religieuzen inhoud der kerkelijke leer nog te redden (Dr. H. Visscher: Geen Theodice, blz. 19).
Maar in wezen is Leibnitz' wijsbegeerte even rationalistisch als de critiek van Bayle. Dat was haar kracht voor zijn tijd en haar zwakheid voor de toekomst tevens. Op het punt van zijn godsleer werkt hij met een begripmatigen-God.
God is hem de alomvattende rede en zuiver causaal gedacht zijn er oneindig veel andere mogelijke werelden. En als God uit die oneindige reeks van mogelijke werelden deze koos, dan deed Hij dat met inachtneming van alle mogelijkheden saam door eene wilsdaad die volkomen moet zijn, wijl de goddelijke wil naar het goede uitgaat. En die wil wordt werkzaam door zijne macht, die de uitverkoren wereld reëel maakt. (Monadologie par. 53).
De grondfout van deze redeneering is niet moeilijk te vinden. Leibnitz brengt ons betrekkelijk denken over op God. Maar zoo maakt hij God tot een gedachten-God, die alleen in die kwaliteit bestaat. Evenwel dit is niet de levende God der Schriften. Het kan de taak des menschen niet zijn den Almachtige uit te vinden, noch ook te construeeren vanuit onze rede hoe God moet zijn en handelen, evenmin welk karakter zijn wil moet dragen. In de wereld is zeker eene manifestatie van Gods wil, maar niet wij doch God alleen kan ons leeren hoe wij die schepping als realiseering van dien wil hebben te verstaan.
Wanneer wij den bodem der religie, zooals wij die in de Schrift kennen, niet verlaten staat het vast dat wij God niet verdedigen kunnen. Onmiddellijk kan men inbrengen tegen zijn wijze van redeneeren: maar wat dan met al het lijden in deze wereld? Leibnitz kan zich daarvan toch niet afmaken met allerlei onbevredigende redeneeringen. Het baat hem ook niet te zeggen, dat de boeken over menschelijke ellende en het lijden niet van de nuttigste zijn, zooals dat van paus Innocentius III. Hij zegt: men verdubbelt het kwaad door er op te wijzen inplaats van de aandacht daarvan af te leiden om haar te richten op het goede dat ver overheerscht.
Heel dit betoog van Leibnitz over den wil Gods en zijne vrijheid brengt ons niets verder om het lijdensprobleem te belichten en kan dat ook niet omdat het uitgaat van de menschelijke rede en daaraan het willen en werken Gods meet. Maar het is niet noodig bij dit alles hier nader stil te staan. Hoezeer dan ook de wil Gods souverein en vrij is, zij mag niet worden losgemaakt van Gods wezen en wordt alleen gekend uit Gods bijzondere openbaring. Ook moeten wij in dit verband er nog op wijzen, dat op grond van de Schrift geleerd moet worden, dat de zedewet geen anderen inhoud kan hebben dan zij heeft en moet alle nominalisme worden afgewezen evenals de ideeën van Leibnitz.
Terecht leerde men dan ook, dat de zedewet niet het tegendeel kon zijn van hetgeen zij is (b.v. Thomas, Voetius, Maresius, Turrettinus enz.).
Het straffen der zonde is noodzakelijk krachtens Gods heiligheid en rechtvaardigheid zooals de Dordsche Leerregels zeggen: God is niet alleen ten hoogste barmhartig maar ook ten hoogste rechtvaardig. En zijne gerechtigheid (gelijk Hij zich in zijn Woord geopenbaard heeft) vereischt. dat onze zonden tegen zijne oneindige majesteit begaan niet alleen met tijdelijke maar ook met eeuwige straffen, beide naar ziel en lichaam gestraft worden; welke straffen wij niet kunnen ontgaan, tenzij aan de gerechtigheid Gods genoeg geschiede. (Dord. L. II, 1).
De vleeschwording en voldoening is in Gods recht gegrond. (b.v. Turrettinus: De Satisfactione II, par. 16).
Dit alles leert de Schrift en daarmee hebben wij gezegd wat de Heere ons leert. Alle ijdele speculatie's moeten worden afgewezen en het kan niet tot de taak des menschen behooren God te verdedigen, die zichzelf rechtvaardigt in alle zijne werken, beide nu en in de voleinding der eeuwen.

4. De voorafgaande en opvolgende wil Gods.
Dit onderdeel van ons polemisch gedeelte brengt ons tot de controversen die meer liggen op theologisch gebied. Met dien verstande echter dat de invloed van wijsgeerige stelsels zijn stempel daarop heeft gezet. Eerst dan willen we een algemeene samenvatting geven van de leer van Rome en het Remonstrantisme om daarna tot de bijzonderheden af te dalen, voorzoover het dan den wil Gods raakt. In de Roomsche kerkleer behielden de theologen nog wel in naam de onderscheiding tusschen den wil des besluits en des gebods (voluntas beneplaciti et signi). Doch zij verklaarden haar zóó, dat de wil Gods altijd was wil des behagens. Men verdeelde dan dien wil in voorafgaanden en opvolgenden wil. De voorafgaande wil wil aller zaligheid, biedt allen genoegzame genade aan, enz. Maar nu bepaalt de mensch door zijn vrijen wil wat geschieden zal en door zijn opvolgenden wil stelt God dat resultaat vast en maakt het tot zijn besluit.
De Lutherschen weken weldra in sterke mate af van de beginselen waarvan Luther uitging. Deze had toch in zijn grondleggend werk: Van den knechtelijken wil, zeer scherp onderscheid gemaakt tusschen den verborgen God (Deus absconditus) en den geopenbaarden God (Deus revelatus). Maar hij had den wil Gods als besluit en gebod zuiver geleerd naar de Schrift. De Lutheranen echter verwierpen de Schriftuurlijke opvatting van den wil des besluits en des bevels en weken af van de grondslagen des Woords zoowel in de leer van Gods wil als die van den mensch. Want eigenlijk lieten zij hun valsche leer van den menschelijken wil bepalen wat zij van Gods wil geloofden. Trouwens dat is bij Rome niet anders evenals bij Remonstranten, Ethischen enz.
De Arminianen volgden het voorbeeld van de Lutherschen en waren nauwer verwant aan Rome dan zij wel wisten of wenschten. Zoo is het trouwens nog in onze dagen, met zijn verflauwing en vervloeiing der grenzen. Het Gereformeerd- Protestantisme staat dan ook vrijwel alleen in de handhaving van de Schriftuurlijke leer van Gods wil. Roomschen. Lutherschen, Remonstranten, Ethischen, algemeene verzoeningdrijvers gaan uit van den wil des gebods en laten dezen dien des besluits beheerschen. Die wil des gebods is de eigenlijke wil, daarin bestaande, dat God de zonde niet wil, maar alleen wil toelaten; dat Hij aller zaligheid wil; aan allen genoegzame genade aanbiedt; allen roept met genoegzame genade om te volgen. En als dan de mensch beslist heeft, schikt God zich daarnaar, bepaalt wat Hij wil, de zaligheid van wie gelooft en het verderf van wie niet gelooft.
De opvolgende wil sluit zich aan bij en hangt af van de beslissing van den mensch en is niet de eigenlijke, wezenlijke wil Gods, maar de handeling Gods naar aanleiding van het gedrag van den mensch.
Ook de blik op wereld en geschiedenis, van menschheid en schepping verkrijgt een geheel ander aspect bij deze opvattingen. Feitelijk hangt alles samen met de opvatting van het wezen der religie en onze verhouding tot God en van God tot wereld en mensch. Deze dingen raken de levensgronden der religie. En nu is het geen wonder, dat de verdorven mensch zichzelf zoekt te handhaven tegen God, zelfs onder den schijn God te verdedigen. Toch moeten wij ons daardoor niet van de wijs laten brengen. De Schrift gaat uit van den wil des besluits zooals wij dien leerden kennen in ons voorafgaand onderzoek. Die wil is eeuwig van kracht en wordt steeds volbracht. Geen ding geschiedt er ooit gewisser dan het hoog bevel van des Heeren mond. Indien de wil Gods naar zijn gebod in wet en Evangelie de eigenlijke wil Gods is (de velleitas) zooals Roomschen en Remonstranten van allerlei slag leerden, dan wordt Hij van zijn almacht en wijsheid, goedheid, onveranderlijkheid en onafhankelijkheid beroofd. Heel het wereldbestuur wordt dan wezenlijk aan zijn voorzienigheid onttrokken. De bedoeling Gods met de wereld en het wezenlijk resultaat is dan een onverzoenlijke tegenstelling geworden. Het resultaat der wereldgeschiedenis is een teleurstelling voor God. Zijn wereldplan is mislukt. Immers Hij wilde aller zaligheid, gaf genoegzame genade en toch... de mensch stuurt zijn plan in de war en heerscht en God moet zich schikken naar den mensch. Satan voert dan tevens triumph, want dat hij zelf in het verderf is en vele millioenen lotgenooten heeft onder menschen is dan tegen Gods wil, maar doordat God den mensch vrij liet in zijn keuze kon Hij — gegeven dit feit — niet anders dan zich schikken naar het besluit van den mensch. Nu is deze voorstelling even krenkend voor het godvruchtig gemoed als de andere dat God de oorzaak der zonde zou zijn. Beide dwalingen worden afgewezen. En zoowel het feit van Gods bepalenden wil van alle dingen ook van den val, de zonde en wat dies meer zij, als van de verantwoordelijkheid van den zondaar en zijne schuld worden als feiten als gegevens, als data van het religieuse leven naar de Schrift, gehandhaafd. Daaraan mag door geen enkele beschouwing worden geraakt.
Wij behooren naar de Schrift uit te gaan van den wil des besluits waarin de wil des gebods haar eigen plaats heeft. Eene oplossing van beider verhouding wordt ons niet gegeven en daarom van ons menschenkinderen ook niet gevraagd.
Trouwens, voor het geloof ligt hier geen tegenstelling, maar dit aanvaardt beide en vindt vrede in het welbehagen Gods over zijne creaturen.
Rome, Remonstranten enz. ontwierpen eene theorie die uit logisch oogpunt absurd is, want hoe zal het te scheppen creatuur inhoud verleenen aan het denken Gods en zijn wil bepalen? En uit religieus oogpunt moeten hare conceptie's stuitend heeten waar God de onderdaan wordt van den mensch.
Laat ik een gedicht van onzen Revius hier inlasschen, die op schoone wijze bezingt wat hier aan de orde is:

Gelyk als in een kolk een steentgen valt te gronde,
Het water werpt terstond een ringsken in het ronde,
En van het eene comt een ander schieten uit,
Waar van een ander strax, en weer een ander spruit,
Soo dat in corten tyd de oogen daarop dwalen.
De grootte noch 't getal niet connend' achterhalen:
So gatet oock met my, o Groote God en Heer
Van doe myn tong begon te stamelen U eer,
Het eene denk ik na, het ander valt my inne,
U wysheid, U gericht, U waarheid, Uwe minne,
Omringen my te saam in eenen oogenslach:
En wil ik van het een of 't ander doen gewach
U raad en Uw besluit my soo geheel verslinden
Dat ik daarin noch grond noch oever weet te vinden.

Ook het volgende gedicht moge hier een plaats vinden.

Verkiesinge.

Indien der tijden vloed het eeuwgh' achterhalet,
Indien een leemen kluit den Meester stelt de maat,
Indien God gist of mist in synen wysen raad,
Indien syn vast besluit is los en onbepalet,
Indien niet alle deugd van boven nederdalet,
Indien niet al ons heil is loutere genaed'
Indien van hem alleen niet cornet wil en daad
Indien Hy lyden mag dat aarde voor hem pralet,
Indien de mensch iets deed eer hy was gemaakt
Indien een doode pry iets voelet, ruikt of smaakt
Indien de moeder van haar dochter werd geboren,
Indien de Heer zyn eind' al kiezende verliest,
Indien het schepsel God verliezende verkiest,
Soo gaat des menschen werk Gods willekeur te boven.

b. De leer van Rome.
Hebben wij een algemeenen indruk gegeven van de dwaalleer over den wil Gods en samenvattende critiek, thans willen wij de hoofdstelsels der dwaling nader uiteen zetten en toetsen aan Schrift en belijdenis.
Rome heeft zijn leer van den wil Gods geconstrueerd naar zijn anthropologie, met zijn vrije wil des menschen. Dit stel ik hier verder als bekend.
Ook het ontwikkelingsproces dezer Roomsche leer van Gods wil die te Trente in volstrekt Roomschen geest werd vastgelegd ga ik hier voorbij. Wat in Trente, het Roomsche concilie, bij uitnemendheid werd vastgesteld vraagt onze aandacht. T e Trente dan werd het volgende als Roomsche Kerkleer vastgesteld:

le. Door de zonde is de vrije wil wel verzwakt en omgebogen maar niet verloren en uitgebluscht. (Trid. Ces. 6 c, 1 en c. 5);
2e. Tot het goede in supranatureelen zin, het verwerven van het eeuwige leven enz. is de gevallen mensch onbekwaam, beroofd van de bovennatuurlijke gaven. (c. 1—3).
3e. De daartoe vereischte goddelijke genade wordt sacramenteel geschonken in den Doop. De genade is niet onwederstandelijk en ook verliesbaar. De mensch kan de genade in d e r o e p i n g a a n n e m e n of v e r w e r p e n e v e n e e n s de inspir a t i e des G e e s t e s,
4e. C h r i s t u s is g e z o n d e n o p d a t a l l e n de a a n n e m i n g tot k i n d e - r e n v e r k r i j g e n z o u d e n . Hij h e e f t voor alle m e n s c h e n vold a a n . ( V I . c. 2 en 3 ) . De mensch kan de g e n a d e a a n - n e m e n of v e r w e r p e n , b e h o u d e n of v e r l i e z e n.
Rome v e r o o r d e e l t met e e n anathema (vervloekt zij) de leer: d a t de g e n a d e der r e c h t v a a r d i g i n g a l l e e n zou t o e k o m e n aan d e v e r k o r e n e n ten leven: en d a t al de o v e r i g e n die g e r o e p en w o r d e n wel is w a a r w o r d e n g e r o e p e n doch de g e n a d e niet a a n n e m e n d a a r zij toch door g o d d e l i j k a l v e r m o g e n voorbes c h i k t zijn tot v e r d e r f . ( V I . c. 17).
( H e t b e h o e f t z e k e r niet n a d e r b e w e z e n d a t Rome in deze l a a t s t e b e r o e r i n g e e n c a r r i c a t u u r m a a k t v a n de leer d e r r e f o r - m a t i e ) .
De z a a k is d u s n a a r R o o m s c h e leer deze, d a t G o d door zijn v o o r a f g a a n d e n wil aller z a l i g h e i d wil. Hij h e e f t voor alle m e n s c h e n C h r i s t u s l a t e n v o l d o e n . D e z e wil G o d s s t r e k t zich o o k uit o v e r de o n g e d o o p t e k i n d e r e n , ja z e l f s o v e r de heiden e n .
M a a r n a a r zijn o p v o l g e n d e n wil ( d i e d a n tot b e s l u i t w o r d t) d i e r e k e n i n g h o u d t met het g o e d e of s l e c h t e g e b r u i k dat de m e n s c h v a n zijn v r i j h e i d en v a n de g e n a d e m a a k t , wil God n i e t de z a l i g h e i d v a n allen.
Z o o w o r d t dus de wil in de p r a e d e s t i n a t i e al a a n s t o n ds a f h a n k e l i j k v a n de v o o r w e t e n s c h a p . W o r d t God a f h a n k e l i jk v a n den m e n s c h in zijn w e r e l d p l a n.
W e l is nu de v o o r k o m e n d e g e n a d e v o l k o m e n g e n a d e maar komt niet tot d e n verloren mensch in v o l s t r e k t e n zin, d o c h tot d e n v e r z w a k t e n mensch in zijn wil die toch het v e r m o g en b e h i e l d om vóór G o d te k i e z e n en door de a a n g e b o d e n gen a d e d o o r z e l f b e p a l i n g zalig k a n w o r d e n . ( V g l . ook C a t e c h i s - mus R o m a n u s I. 3. 7 ).
R e e d s J o h a n n e s D a m a s c u s , die d e leer der G r i e k s c h K a t h o - l i e k e Kerk a f s l o o t en op dood spoor b r a c h t , l e e r d e — ook d e G r i e k s c h - K a t h o l i e k e Kerk is s e m i - p e l a g i a a n s c h — d a t God a l l e r z a l i g h e i d wilde namelijk door zijn v o o r a f g a a n d e n wil, d i e v o o r w a a r d e l i j k w a s en geloof v r a a g t van den mensch. D a t wil zeggen, indien zij zelf willen en tot hem komen. D e z e wil is e c h t e r meer willing (velleitas) dan v o l s t r e k t e wil, z o o l e e r d e hij. ( D e F i d e O r t h . L. 2. c .29).
W i j zien dus, dat Rome zich stelt op het s t a n d p u n t , dat d e m e n s c h kan w i l l e n zalig te w o r d e n uit zijn n a t u u r en door m i d d e l v a n g e n a d e die a a n g e b o d e n w o r d t zichzelf k a n h e l p en t o t de z a l i g h e i d.
D e leer der S c h r i f t is e c h t e r een a n d e r e die ons stelt voor d e n v o l s t r e k t e n z o n d e s t a a t des m e n s c h e n en hem legt o n d er h e t o o r d e e l der v e r d o e m e n i s , zoodat alleen de v r i j m a c h t i ge g e n a d e hem kan r e d d e n.
De w e g e n t u s s c h e n Rome en ons s c h e i d e n voor immer ook o p dit p u n t .

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 november 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van den Wil Gods X

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 november 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken