Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van den wil Gods XIIi

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van den wil Gods XIIi

15 minuten leestijd

Zoo heeft dus de Heere zelf in zijn Woord verordend welke gedragslijn wij hebben te volgen jegens zijn wil. Dien wil zoowel verstaan als besluit als gebod. Enkele voorbeelden gaven wij om toe te lichten welke verplichtingen hier liggen voor het geloof. God formeert zich een volk der bijzondere openbaring waarin Hij zijn wil tot zaligheid verwezenlijkt in samenhang met zijn gansche voorzienigheid en het totale wereldleven. In den Heere Jezus Christus, als de tweede Adam, verscheen de ware wetsvolbrenger die innerlijk en naar buiten steeds leefde in en naar den wil des Vaders. Alleen wie bij hem ter schole gaat, als de hoogste profeet en leeraar en leeft uit de bediening van Christus door den Heiligen Geest, zal hier lessen leeren die de natuur zonder hartveranderende genade niet kan verstaan.
Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat de wereld en het bondsvolk niet met Gods wil zou te maken hebben. Wel degelijk is dit het geval. Het is zelfs zóó, dat de heidenen die de wet (wil des gebods) niet hebben van nature doen de dingen die der wet zijn, als die betoonen het werk der wet geschreven te hebben in hunne harten. Zoo onderhoudt de Heere onze God een menschelijk samenleven, opdat Hij zijne doeleinden met de menschheid zal bereiken naar zijn wil en welbehagen. In het midden der Kerk is er door de bijzondere openbaring eene grootere kennis van Gods wil en werkt ook de algemeene genade sterker naar den aard van Gods bedoelingen met de tweeërlei kinderen des verbonds. Maar alleen in Gods levende Kerk, de ziel der Kerk wordt, door het geloof Gods wil naar besluit en gebod gekend tot zaligheid en met lust en liefde ontvangen. Niet in dezen zin alsof Gods kinderen daarin volmaakt zouden zijn. Allerminst, doch wel in dezen zin. dat zij naar den inwendigen mensch een begeerte hebben naar al Gods geboden te leven. Zij worstelen om zijn wil te kennen en door genade te volbrengen.
Wij hebben, levende onder zijn Woord, in het midden zijner gemeente den wil des Heeren geweten en zullen dan ook met vele slagen geslagen worden indien wij hem niet doen. Eén nu der dingen die God wil is dit: dat wij zullen gelooven in den Zoon zijns welbehagens, die Hij heeft gezonden in deze verloren wereld tot een Zaligmaker
Aan dien eisch ontkomen wij niet, terwijl de vervulling ervan vrucht is der vrije genade. Den wil Gods te volbrengen kan soms zeer zwaar zijn .Denk eens aan Jezaia. Hij moest prediken en het volk tot bekeering roepen. Maar nu was hem iets ontdekt van Gods besluitenden wil, dat zijne levensroeping ook hier in zou bestaan, dat hij het hart des volks moest vet maken opdat zij hoorende niet zouden verstaan en ziende niet zouden opmerken. Toch begeeren zij ook dan den wil des bevels te volbrengen met een toegenegen gemoed. Ik heb in alles uwe geboden voor recht gehouden. Dan weer: ik heb mij gehaast tot uwe bevelen. Als Gij mijn hart zult verwijd hebben zoo zal ik volwaardig het pad uwer geboden loopen. Het gebed is mede ingeweven in het levens des geloofs naar den wil Gods, evenals het gebruik der middelen. Kortom, die wil Gods zoeken zij te kennen zooals de Heere God hem heeft geopenbaard in zijn Woord.
Zoo sluit de practijk der godzaligheid ook in een hartelijke afkeer van de brutale onbeschaamdheid dergenen, die in de zaak van Gods wil dezen laten afhangen van de voorgeziene werken der menschen en durven twisten met God, door hem het gezag te willen ontwringen. Zij berooven hem van zijn vrijmacht en verdonkeren de genade, daartegen komt het geloof op met kracht.
Alle leugenleer verwerpen zij van harte en belijden tevens dat de ketterijen er zijn door Gods wil. Zoo staan zij voor de levensroeping alle gedachten gevangen te leiden onder de gehoorzaamheid van Christus om in nieuwigheid des levens te wandelen. Gesteld voor het Woord in al zijn omvang begeeren zij te verstaan welke de goede en welbehagelijke wille Gods zij. (Rom. 1 2 : 2 ) En wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehaaglijke wille Gods zij.
De christen mag niet met de wereld meedoen, denken, handelen zooals de wereld doet. Hij moet vragen naar Gods wil, zich regelen naar zijn Woord. Zij moeten eene gedaanteverandering ondergaan: hun gansche levensopenbaring moet eene andere wezen dan zij vroeger was, en bij de wereld wordt gevonden. De vernieuwing huns gemoeds nu is het middel om te komen tot eene reine levensopenbaring waarin de wil Gods zichtbaar wordt in het leven der geloovigen.
Zij moeten der wereld niet gelijkvormig zijn maar eene gedaanteverandering ondergaan naar buiten door de vernieuwing huns gemoeds naar binnen die de geestelijke achtergrond en bronwel is van het leven der godsvrucht naar buiten.
Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, aangenomen hebt wandelt alzoo in hem. Deze levensomzetting komt tot stand door het wandelen door den Geest, het dooden van den ouden mensch opdat wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Zij moeten nagaan, uitzoeken, den wil Gods om te weten te komen hoe zij wandelen en handelen zullen in hun gansche leven.
Wij moeten onzen en aller menschen wil laten varen en op den wil Gods alleen zien welken te verstaan ware wijsheid is.
Afgesmeekt worde goddelijk licht en genade om onze geestelijke vermogens op te wekken om Gods wil in zijn Woord te ontdekken. Om eigen wil en menschelijke inzettingen te verzaken en zoo den weg vrij te hebben voor het kennen van Gods wil, die heilig is en goed. Staat en stand moeten worden gemeten aan dien goddelijken wil, of wij leven uit en naar zijn welbehagen. Want zonder leven uit het welbehagen van Gods wil kan er van een wandelen naar Gods wil nimmer sprake zijn. Ik heb mijne wegen bedacht, en heb mijne voeten gekeerd tot uwe getuigenissen, beproevende de dingen die daarvan verschillen. Gods wil moet worden beproefd, gelijk de goudsmid het goud beproeft. Niet alsof Gods wil vermengd zou zijn met onedele bestanddeelen maar omdat onze wil zich altijd zoekt te vermengen met Gods wil. Alle schuim van zijn vleeschelijken wil moet worden uitgezuiverd. Zoo is dan het leven naar Gods wil een zichzelf in het vleesch-verteerend-leven. Een leven van zelfverloochening. Ik heb verkoren den weg der waarheid, uwe rechten heb ik mij voorgesteld.
Ook zijn uwe getuigenissen mijne vermakingen en mijne raadslieden. Dan geeft de Heere schijnsel op zijn weg en mag hij weten te wandelen in zijne wegen.
De apostel stelt de eenheid van Gods wil op den voorgrond: want, al is het, dat de Heere zijn wil in een veelheid van geboden voorlegt, toch is die wil Gods één. Daarom gaat het om het rechte levensbeginsel, te weten: de liefde, want de liefde is de vervulling der wet. Wanneer de liefde Gods in onze harten is uitgestort door den Heiligen Geest die ons gegeven is, dan zijn wij verkleefd aan Gods wil en welbehagen. Nu is het echter ook weer zóó, dat Gods kinderen zonder meer niet kunnen zeggen: dit is Gods wil. Zeker, over de vraag of zij stelen mogen behoeven zij geen onderzoek in te stellen, doch zóó eenvoudig is het leven niet in deze verwarde wereld, met de vele vragen hoe wij ons als gasten en vreemdelingen een doortocht zullen banen naar het Vaderland. Ook de verscheurdheid der Kerk werkt hier belemmerend. Want zij moeten niet slechts ieder voor zich maar tezamen onderzoeken welke de goede en welbehagelijke wille Gods zij om het leven daarnaar te richten.
Dan alleen kan de Kerk een pilaar en vastigheid der waarheid zijn en lichten als een stad boven op een berg onder de stralen van de zonne der gerechtigheid.
Daarom verschijnt de Kerk in onze dagen zoo in het donker, dat zij slechts flauw schijnsel geeft en geen antwoord kan geven op de vele vragen die zich aan ons opdringen: Wat wil de Heere? Wij zijn der wereld gelijkvormig geworden, vertoonen de forma, de gedaante der wereld in ons verteerend individualisme, zoodat het is als in de dagen der richters in Israël: ieder deed wat goed was in zijne oogen.
De Kerk gaat schuil als geheel genomen en van haar gaat geen kracht uit op het volksleven gelijk betaamt. Dit is wel uitwerking van Gods wil maar niet naar Gods wil als gebod. En alleen wie deze breuk beleeft, beleeft in waarheid, zal het oordeel voor zich persoonlijk ontgaan ook al ontkomt ook hij niet aan de algemeene gevolgen die de Heere daarover heeft besloten in zijn oordeel, dat begint van het Huis Gods. Paulus schrijft enkele verzen verder in datzelfde hoofdstuk (vers 4) Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde werking hebben, alzoo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar... elkeen zijn wij elkanders leden. Daarom zal het herstel moeten beginnen bij Gods Kerk om naar Gods wil te leven. W a n t wij zullen zijn welbehagen, het inleven van zijn genadigen wil in Christus, niet kunnen kennen in een leven in strijd met zijn wil.
De apostel leert ons ook zijn gebed kennen als hij schrijft (Coll. 1 : 9—10) De Heere vervulle u met kennis van zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand, opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behaaglijkheid, in alle goed werk vrucht dragende, en wassende in de kennisse Gods .
Paulus bidt, dat zij mogen vervuld worden met kennis van Gods wil. Zij hebben reeds kennis van dien wil, want die is gegeven met de vernieuwing huns gemoeds. Hij bidt echter, dat zij ermee vervuld mogen worden. Vol van de kennis van Gods wil beteekent: ledig van eigen wil: ik wil wat God wil. Doch niet als een bloot besluit, iets formeels, neen, want Gods wil is levensvolle werkelijkheid. Wie met dien wil vervuld wordt leeft niet zichzelven maar Gode. Is vervuld van den willenden God; diens leven is met Christus verborgen in God en daarvan ervaart hij de kracht en zaligheid. Zoo alleen staan wij niet open voor allerlei wind van leer, worden wij ook niet meegevoerd met de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens. Gods wil als welbehagen en gebod is onze levensspijze.
De willende God is ons leven en in hem vinden wij vrede. Tot dien wil Gods wordt niet alleen getrokken zijn gebiedende wil. Maar bovenal Gods wil ter zaligheid in Christus. Gods wil heeft betrekking op hetgeen Hij bepaalde en uitwerkt in de zaligheid zijner gemeente in Jezus Christus, God geopenbaard in het vleesch. Vervolgens omvat die wil de uitvoering in de toepassing aan de harten zijner gunstgenooten. De orde des heils en de uitwerking daarvan zijn in dien eenen wil Gods besloten.
Maar ook moet onder dezen wil Gods worden begrepen hetgeen God voornam omtrent alle dingen. Juist in dezen brief toch wordt de verhouding en de beteekenis van Christus voor het geheele cosmische leven naar voren gebracht.
Het rechte oordeeel moet worden geboren en verkregen door den Geest der wijsheid ,die ook de diepten Gods doorzoekt. Het wezen en de waardij van Gods heilswil moet worden onderkend, zoodat geloof en leven zich richten op dien wil. Men mag zich niet tevreden stellen met slechts enkele waarheden van Gods wil in zich op te nemen, maar alles wat God heeft geopenbaard van zijn wil moet voorwerp van dit geestelijk beproeven en kennen en practiseeren zijn.
Het gaat dan ook niet om eene theoretische kennis van Gods wil maar om eene die het leven beheerscht. Deze kennis is practisch van aard, draagt een bevindelijk karakter naar den aard des geloofs. Zoo alleen wandelen zij waardig liik den Heere, Gode aangenaam. Het leven is als eene reis door dit ondermaansche, en zij moeten klaarlijk toonen gasten en vreemdelingen te zijn hierbeneden wier Vaderland boven is, waar ook Christus is, gezeten ter rechterhand Gods. De wandel is de loop van het leven, zijne daden, gewoonten, verhoudingen tot God en den naaste. De band die vereenigt met Christus in zijn verlossend bloed moet daarin uitkomen. Uit die gemeenschap met hem moet de levenswandel opkomen, Gods kinderen moeten zijn beeld vertoonen. Hït exempel navolgen dat Hij achterliet, in reinheid wandelen als Hij, zijn levensregelen behartigen, in goed doen en het volbrengen van des Vaders wil volharden; kortom, in de wereld zijn gelijk Hij in de wereld was. Zoo zet de kennis van Gods wil zich om in practijk en blijkt hare waarde voor en in het leven.
Bereikt wordt dan om met Calvijn te spreken, dat in ons leven blijke, dat wij niet vergeefs door God zijn onderwezen.
En met Gomarus voegen wij toe: gelijk nu uit de kennis Gods een godvruchtig leven opspruit, zoo groeit wederkeerig uit een godzalig leven de kennis Gods.
Het gansche zinnen en peinzen des geloofs moet alzoo gericht zijn op den goddelijken wil in zijn geheelen omvang zooals het Woord dien openbaart.
Alleen door gemeenschap met den Heere Christus is dit leven des geloofs mogelijk. Want uw leven is met Christus verborgen in God.
Dan pas kunnen wij verstaan wat Paulus bedoelde toen hij schreef aan de Filippensen, nadat hij had opgewekt om eigen zaligheid met vreeze en beven uit te werken: want het is God die in u werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen .
De Kerk, Gods kind. verschijnt in deze wereld met een nieuw leven des geloofs, de vorm der ware religie.
Zij zijn een leven deelachtig, dat door den Heiligen Geest is gewrocht in hunne zielen, en nu in den weg van vermaning en gebed moet opwassen. Doch niet zóó, als deden zij dit uit eigen kracht, maar hetgeen zij doen doet God in hen en door hen en tegelijk zijn zij werkzaam door het geloof. God werkt door hun willen en in hun willen zijn genadevollen wil uit als welbehagen in den Zoon zijner liefde.
Zal er willen kunnen zijn, dan moet er het vermogen zijn van den vernieuwden wil, en een wil én het willen. Het gaat nu hier om den wil in actie en het doen van den wil als werkzaamheid. Wat naar de buitenzijde bezien hun werken en willen is moet naar binnen beschouwd op rekening komen van Gods werkdadigen wil des welbehagens in hen. Dit geschiedt echter niet mechanisch als bij een machine, doch organisch naar den aard van hun wezen en naar de mate des geloofs.
Wanneer wij dan ook den wil Gods niet losmaken van Gods wezen kan het niet anders of het leven des geloofs naar den wil Gods is ervaring van Gods tegenwoordigheid. De werkdadigheid van dien wil gaat in in ons leven en wij zijn werkzaam met den levenden God en niet met een gebod, dat als een geschreven wetsartikel door ons kan worden bestudeerd en opgevolgd.
Dan hebben wij eigenlijk niet meer met den goddelijken wil van doen maar hebben het gebod van zijn leven beroofd; zoo dooden wij de ware religie en stellen een plichtenleer in de plaats van den werkdadigen wil Gods.
Wanneer ik spreek van den wil Gods is in dien wil voor mijn ziel God aanwezig; heb ik rechtstreeks met hem van doen, die het leven is van ons leven, de kracht van onze kracht. Daarom is leven uit en in Gods wil zaligheid, want ik ontmoet in dien wil den God der zaligheid in Christus en uit hem heb ik begeerte dien wil te volbrengen. Maar in voortdurend contact met den willenden God, anders is het geen geloofsleven. Dan oefent zijn gebod kracht als gebod Gods, als wil van mijn Maker en Formeerder die boven het leven weldadigheid aan mij deed en door zijn opzicht mijn geest heeft bewaard. Inlevende genade in Gods wil is een bron van geestelijk genot ook in de zwaarste nooden en bangste levensomstandigheden. Zoodra ik in geloof God ontmoet als de willende God geef ik mij over aan zijn leiding, vertrouw ik mij toe aan zijn raad wetende, dat Hij mij geen kwaad zal doen, en verlangen wij om hem welbehagelijk te zijn in leven en sterven.
Zoo was het met vader David in psalm 131. Deze psalm is als een parel aan het genadesnoer om den hals der lijdzaamheid gehangen.
Het is een der kortste psalmen om te lezen de langste om te leeren. Hij spreekt van een gespeend kind om de ervaring van een man in Christus te schetsen. Een wil onderworpen aan Gods wil en eene hoop die uitziet naar den Heere alleen. Zoo ik mijne ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijne moeder! mijne ziel is als een gespeend kind in mij.
De psalmist heeft geworsteld om daar te komen waar David toen mocht verkeeren. De mensch kan eerder de zee tot bedaren brengen, of over den wind heerschen, dan zijne ziel zetten en stil houden.
De Oosterling speent zijn kind veel later dan wij, waardoor het zeker niet gemakkelijker wordt. Het kind moet zijn eerste proef doorstaan. Weldra is de strijd voorbij en hij toornt niet langer op zijn moeder maar legt zijn hoofd op dienzelfden boezem waarnaar hij zoo smachtend heeft verlangd.
Het moet ons een genot worden op te geven, wat wij niet meenden te kunnen missen. Het kind rust in de liefde en voorziening zonder eischen te stellen.
Alles wat den Heere behaagt moet ons welgevallig zijn.
Vereenigd met Gods wil in besluit en gebod rusten wij in den Heere en maken staat op zijn genade. Die wil verheugt het hart. De les is eene levensles en is pas ten volle geleerd als wij het hoofd ter ruste leggen en voor eeuwig gaan leven in Gods wil,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 december 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van den wil Gods XIIi

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 december 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken