Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van den wil Gods XIV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van den wil Gods XIV

3. Gods wil in de prediking, catechese en zielszorg.

18 minuten leestijd

a. In de prediking.
Toen de apostel Paulus te Mileté de ouderlingen van Ephese ontbood om van hen afscheid te nemen sprak hij een merkwaardig woord dat richtinggevend is voor het leven der Kerk in het algemeen voor de bediening des Woords in het bijzonder. Hij deed verantwoording van zijne bediening aan de opzieners der gemeente. Daarom betuig ik op den huidigen dag, dat ik rein ben van uw aller bloed. Want ik heb niets achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods (Hand. 2 0 : 2 7 ).
De apostel betuigt dus met eede, dat hij vrij is van hun aller bloed. Geen geringe zaak. Maar waaruit dan toch aanstonds blijkt dat die eisch aan den prediker moet worden gesteld. Hij moet vrij zijn van het bloed zijner hoorders, der gemeente, die aan zijne bediening is toevertrouwd.
Waarom is hij vrij van hun aller bloed; waarom zal hun bloed niet van zijne hand worden geëischt? Dit adstrueert hij met de betuiging den vollen raad (boulè) Gods te hebben verkondigd. De dienaar des Woords, als gezant van Christus wege, moet den ganschen wil, raad Gods, verkondigen. Hij moet verkondigen, omhoog heffen, zoodat ieder het kan zien (anaggellein) en niets van dien wil verborgen blijft, den vollen raad Gods.
Hij maakt niet naar eigen oordeel uit wat hij in het midden der gemeente zal neerleggen, opheffen met meelevende ziel, dan wel zal weglaten van dien alles-omvattenden-alwerkenden wil of raad Gods. De beslissing hierover verblijft uitsluitend aan God.
Geen sterfelijk mensch hebbe de vermetelheid om de Schrift theoretisch maar evenmin om haar practisch te verminken of te veranderen. Hij doet dit door het een of ander naar hem goed dunkt, even aan te roeren, andere dingen te verduisteren en vele te verzwijgen. (Calv. i.1.).
Hij zal alles wat in de Schrift, als organisch geheel, als het onfeilbare woord Gods, is vervat en geopenbaard, al is het ook voorzichtig en met overleg tot opbouwing van het volk toch eenvoudig en zonder opsmuk meedeelen, zooals een geloofwaardig en getrouw getuige Gods past. Hij mag geen ijdele philosophie vermengen met Gods waarheid noch haar verintellectualiseeren, zooals zooveel geschiedt ook in de kringen waar men bij uitstek trouw aan het Woord voorwendt.
Men kan theoretisch geen tittel noch jota van de Schrift laten vallen en haar toch practisch verminken en niet den vollen raad Gods verkondigen zooals deze in de Schrift als organisch geheel voor ons ligt. Hoevele gedeelten van Gods Woord blijven jaar in jaar uit onbesproken. Als Gods gebod naar voren treedt laat men het liggen als de geschiedenis om toepassing vraagt gaat men haar vergeestelijken en is te traag om den zin des Geestes te ontdekken en leert uit eigen geest.
Er is geen zwaarder eisch dan het verkondigen van den vollen raad Gods. Ook wordt vaak een gedeelte willekeurig genegeerd omdat men het niet werkelijk gelooft. Want (zoo merkt Calvijn weer op) hieraan danken wij de leer van den vrijen wil, van de verdienstelijkheid der goede werken en de loochening van Gods voorzienigheid als alwerkzaamheid en de genadige verkiezing.
Gods raad ligt in zijn Woord besloten en mag nergens elders worden gezocht.
Paulus refereert in zijn woord keuze: vrij van aller bloed blijkbaar aan Ezechiël 3 : 1 8 . Als Ik tot den goddelooze zeg: Gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet om den goddelooze van zijn goddeloozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt, die goddelooze zal in zijne ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uwe hand eischen, enz.
Indien de profeet de zondaren dus niet gedurig en ernstig waarschuwt, zoo zal hij schuldig staan aan het bloed dergenen die aan zijn zorgen zijn toebetrouwd ook al gaan dezen verloren in hun zonde door eigen schuld. Daarom maant ook Paulus: Houd aan tijdig en ontijdig, bestraf, wederleg, vermaan in alle lankmoedigheid en leer. Dus ook de vermaning, het afmanen van den weg des doods, is een integreerend deel der prediking. Hier is sprake van bestraffingen, bedreigingen en verschrikkingen.
Als alleen de hope des levens wordt voorgesteld of de genade Gods, dan is daarin niets dat aanstoot geeft of de zielen verbittert, doch daarmee zijn wij niet klaar. De zonde moet bestraft, geroepen tot bekeering en geloof willen wij niet schuldig worden aan het bloed der zielen. Dit is een zware taak wanneer de menschen geroepen of liever gesleurd moeten worden (zoo teekent Calvijn hier aan) voor Gods rechterstoel, als zij verschrikt moeten worden met den schrik des eeuwigen doods, als de dienaar optreedt gewapend met Gods wraak, dan is het, (omdat de aanstoot reeds gereed is die de menschen boos maakt) noodzakelijk, dat de profeten ook zelf opgewekt worden omdat zij anders sidderen of ophouden". Voordat hij mag spreken van het Rijk van vrede en genade moet hij eerst den strijd aanbinden met de verderfelijke verharding des volks, dat toch bondsvolk was.
Een zaad behoudt de Heere zich altijd in het leven ook temidden van den algemeenen afval. Dus de volle raad Gods moet worden uitgedragen in de verkondiging des Woords. Bedreiging en straf moet worden aangezegd; opgewekt om den weg des doods te verlaten en zich te laten verzoenen met God. Evenzeer echter mag geen ander deel des Woords veronachtzaamd worden, als wij op enkele punten nadruk leggen.
De vraag bij onze textkeuze zal dus beheerscht moeten worden niet alleen door de behoefte der gemeente, de bijzondere toestanden die er zijn in het wereldleven op een bepaalden tijd. Doch de vraag moet zijn of wij den vollen raad Gods verkondigen door niet in één richting onze textkeuze te bepalen, al zal het centrale element steeds in acht genomen moeten worden Christus en dien gekruist. Ook moet het besef blijven, dat wij in Gods gemeente arbeiden, waar echter velen den God der gemeente niet kennen.
„De bedoeling van heel den evangelischen dienst is, dat ons, die van God, de bron aller gelukzaligheid door de zonde gescheiden zijn en daarom verloren, Christus worde meegedeeld; zoodat wij het eeuwige leven uit hem putten, en eindelijk alle hemelsche schatten ons worden toegepast, dat zij niet minder van ons dan van Christus zijn, die ons roept tot zijn Koninkrijk en heerlijkheid. (1 Thes. 2 : 12).
Wij belijden dat deze mededeeling eene verborgene is en voor de menschelijke rede onbegrijpelijk, wijl geestelijk.
Dat haar uitwerker is de Heilige Geest, dien wij, daar Hij is de kracht van den levende God, uitgaande van Vader en Zoon, almacht toeschrijven, waardoor Hij ons niet denkbeeldig maar zeer krachtig en waarachtig met Jezus ons Hoofd vereenigt, zoodat wij zijn: vleesch van zijn vleesch en been van zijn been en Hij uit zijn levend vleesch het eeuwige leven in ons overstort. Om deze mededeeling uit te werken gebruikt de Heilige Geest tweeërlei instrument: de verkondiging des Woords en de bediening der sacramenten. (Calv. Summa doctrinae de ministerio verbi et sacramentorum C. R. IX c. 773 sqq.)
De prediker moet den ganschen raad Gods ontsluiten en theologisch de Schrift ontvouwen. Hij moet aan den ganschen inhoud der Schrift recht laten wedervaren tot aan de geslachtslijsten toe. Den ganschen wil Gods, in schepping en voorzienigheid, verkiezing en verwerping, geloof en bekeering. De heilige wet Gods, als wil des gebods, mag niet onbesproken blijven altijd weer, zoowel ter beteugeling der verdorven natuur, als tuchtmeester tot Christus en regel des levens.
Den vollen raad Gods verkondigen, ziedaar de eisch des Woords. Die raad Gods omvat den ganschen inhoud der Gods-openbaring.
Calvijn mocht wel opmerken: En voorwaar niemand zal in de gemeente een bekwaam leeraar zijn, die niet eerst een leerjongen is geweest van den Zone Gods en wel onderwezen is in zijne school, aangezien diens autoriteit alleen moet gelden. (Openb. 1; Joh. 3 : 4 ) . Paulus kon dus betuigen, dat hij den vollen wil (raad) Gods had verkondigd.
Op een tweetal punten wil ik nog bijzonderen nadruk leggen. Zoowel de waarheid der verkiezing als der verwerping benevens den eisch van bekeering en geloof moeten als integreerend deel van Gods wil en raad worden verkondigd, zooals zij in de Schrift worden gesteld. Dit laatste zeggen wij erbij, omdat niemand het recht heeft een bepaalde waarheid los te maken uit haar verband en om te vormen tot een begrip waarmee men opereert in plaats van eene waarheid die wordt toegepast op de gewetens.
Laat ik een passage overnemen uit een preek van Calvijn over Daniël 12 vers 1 waarin hij op treffende wijze het leerstuk der verkiezing ter sprake brengt, gelijk trouwens zijn prediking daarvan steeds was doortrokken ook dan wanneer hij het woord niet gebruikte. Maar hij zoekt steeds de verkiezing en alles wat daarmede samenhangt zuiver religieus te verwerken.
,,Er zijn hier twee dingen, het ééne is, dat God in zichzelf en naar zijn verborgen wil ons heeft uitverkoren en vervolgens, dat Hij eene zekere kennis aan de zijnen gegeven heeft van deze uitverkiezing, zoodat zij door het geloof weten, dat zij niet verloren kunnen gaan, maar gered zullen worden door deze uitverkiezing.
Wij kunnen dat door eene eenvoudige vergelijking duidelijk verstaan: het oorspronkelijke van onze verkiezing is in God, maar onderwijl geeft Hij ons een copie door het geloof... de praedestinatie is in onze harten geschreven, daar God haar deed copieeren. Toch is deze copie een authentiek stuk, want zij is geteekend door het bloed van onzen Heere Jezus Christus en verzegeld door den Heiligen Geest. (C.R. Calv. Op. 40 c. 127).
Nog deze passage uit een andere preek: Paulus zegt, dat Hij ons gezegend heeft, gelijk Hij ons tevoren uitverkoren heeft in hem. Het is opdat wij het onderscheid dat tusschen de menschen is zouden overdenken om de genade te roemen. Want het Evangelie wordt aan den een gepredikt en anderen weten niet, dat het bestaat en als men vraagt waarom God zich over een deel heeft ontfermd en het andere laat varen dan is er geen ander antwoord dan dat het hem aldus heeft behaagd...
Wij zullen nooit weten vanwaar onze zaligheid komt tot wij onze zinnen opgeheven hebben naar den eeuwigen raad Gods, waardoor Hij verkoren heeft die hem goeddunkt, de anderen in hunne ellende latende.
Wanneer sommigen deze leer hard vinden moeten wij ons daarover niet verwonderen want zij stemt niet overeen met het natuurlijke verstand van den mensch.
Wij moeten aanbidden de geheimen Gods die ons onbegrijpelijk zijn, opdat wij God groot maken en zeggen: Heere, uw oordeel is een diepe afgrond. Wij verstaan dit pas, door Gods Geest verlicht.
Er zijn er die belijden, dat deze leer waar is, maar zij zouden willen, dat men er niet over sprak, zoodat zij begraven werd. Maar zij willen den Heiligen Geest verbeteren die gesproken heeft door den mond der profeten en apostelen, zelfs door den mond van den eenigen Zone Gods... Deze lieden zijn veel te laat gekomen om God stilzwijgen op te leggen en de H.S. uit te wisschen die ons geopenbaard is".
De Schrift leert ons overal, dat de waarheid der verkiezing alléén beteekenis heeft voor het ware geloof en Gods gemeente daardoor leeft omdat het voornemen Gods niet kan gebroken worden.
Men kan dikwijls het woord gebruiken en toch de zaak der verkiezing volstrekt niet op haar plaats brengen in de prediking.
Eveneens komt het steeds meer voor, dat de verkiezende genade met den mond nog wel wordt beleden doch in de practijk is er geen plaats voor, opdat men geen vrije genade begeert ten leven daar men zich niet opgeschreven weet ten doode. De prediking in het midden der gemeente moet zijn en blijven bediening des Woords, ook als het gaat over de verkiezende genade Gods. Daarmee bedoelen wij dit: zij is in de Schrift verbonden met den eisch van bekeering en geloof, verlaten der zonde, de aanbieding des heils, het lokken des Evangelie's en den eisch der goddelijke wet. De eisch Gods ligt er voor den prediker om dien te verkondigen en uit te stallen de rijkdommen van den Heere Christus, die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Hij predike: bekeert u en gelooft het Evangelie.
Neen, niet slechts zooals eens een prediker zei, — omdat het nu eenmaal in de Schrift staat uit zekere noodzaak — doch gewillig en met ons gansche hart.
Omdat wij een en andermaal Paulus aanhaalden moge hij ook hierin ten voorbeeld zijn .Niemand leefde zeker dieper uit de verkiezende genade dan hij. Niemand ook heeft de souvereine majesteit Gods scherper belicht dan hij. En is dat nu een beletsel voor hem om den eisch der bekeering te stellen en aan te dringen? Integendeel. Hij roept op tot bekeering alsof hij niet wist, dat er eene verkiezing is.
Zoo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen. (2 Cor. 5 : 2 0 ).
Dit woord spreekt van een officieele opdracht van den gezant van Christus. Laat het met u, gelijk met allen aan wie wij prediken, tot de ééne afgesloten daad der verzoening met God komen.
Deze roepstem richt zich tot het bewustzijn van de menschen, die de prediking hooren. Al is het God die bekeert, zoo luidt toch de prediking: bekeert u. Al kan niemand zichzelf bekeeren wij moeten ons toch bekeeren. God heeft er recht op.
De Schrift leert ons altijd weer de gewilligheid des Heeren om te redden, stelt ons ten volle verantwoordelijk voor onze verwerping van de zaligheid.
Hoe aangrijpend teekent de Schrift de verdoemelijkheid der zonde; het recht Gods en den rijkdom der genade. De zonde is een aanval op Gods troon, ja, op zijn leven. Laten wij echter bedenken in het bestraffen der zonde wat Calvijn ergens opmerkt: Er zijn er, die fulmineeren tegen de zonde en die zeiven zorgeloos zijn, die luid schreeuwen om hun borst te oefenen. Maar een godzalig herder moet eerst bij zichzelven schreien eer hij anderen tot tranen verwekt, moet bij zichzelven droefheid hebben zal hij ze anderen bijbrengen (Calv. op 2 Cor. 2 : 4).
Den vollen raad Gods verkondigen.
Laat ik nog voor een gevaar, dat ons bedreigt waarschuwen.
Deze en gene zet het bevel des Heeren tot bekeering en geloof om in een wensch.
Men doet dit om den schijn te vermijden als zou de mensch die dood is door de zonde en de misdaden, bij machte zijn zich te bekeeren en te gelooven.
Nu is het waar, dat bij den eisch het gebed moet worden gevoegd in vurige smeekingen aan den troon der genade. Daarmee is de zaak echter niet klaar, noch minder is het geoorloofd in de prediking den eisch te veranderen in een wensch: mocht de Heere u nog eens bekeeren. Zoo wordt men o n t r o uw a a n den e i s c h Gods. W i j moeten de vrijmacht G o d s e r k e n n e n en in g e h o o r z a a m h e i d zijn b o o d s c h a p als get u i g e u i t d r a g e n , w e t e n d e dat er z o o v e l e n zullen g e l o o v e n als er v e r o r d i n e e r d zijn ten e e u w i g e n leven.
A l s de prediker a l l e e n den w e n s c h uit: mocht de Heere u b e k e e r e n , met z a l i g m a k e n d geloof b e g i f t i g e n is hij ontrouw.
Z o o doet de S c h r i f t het óók niet. Z o o deed de H e e r e Jezus het niet, noch de p r o f e t e n en a p o s t e l e n . De gemeente gaat dan heen met de g e d a c h t e aan den m e d e l i j d e n d e i : prediker d i e het hun toch zoo gunnen zou! O o k dat moet hij zeker d o e n en d a a r om u i t l o k k e n d prediken, maar het o n t s l a a t hem n i e t den eisch der bekeering te prediken in vollen ernst.
D o c h van zijn zender keeren zij zich o n g e h o o r z a am af en v e r b e r g e n zich a c h t e r hun o n m a c h t terwijl j u i s t de v i j a n d s c h ap o p w a a k t als de e i s c h met klem wordt gepredikt of w e l . . . het h a r t wordt g e b o g e n onder G o d door de vrije genade.
Z o o Ik lust heb a a n den dood des g o d d e l o o z e n , spreekt de H e e r e . Is het niet als hij zich b e k e e r t van zijne wegen, dat hij leve? W a n t Ik heb geen lust a a n den dood des s t e r v e n - den, spreekt de H e e r e Heere, daarom bekeert u en leeft. ( E z . 18 : 2 3 , 3 2 ).
D e H e e r e spreekt dus uit, dat wij d e g e n e n die den dood t e g e n g i n g e n zullen t e r u g g e r o e p e n tot den weg des levens. D a a r o m nu moet het E v a n g e l i e worden gepredikt, w a a r i n de H e e r e v r i e n d e l i j k noodigt tot v e r g e v i n g . Dit is toch de ware k e n n i s des h e i l s die b a r m h a r t i g h e i d te omhelzen, die in C h r i s - tus ons wordt a a n g e b o d e n . M a a r dan wil G o d den dood des z o n d a a r s ook niet! Hij is niet alleen bereid te ontvangen, maar noodigt ook met luider stem v e r l o r e n e n.
o c h d a a r t o e is noodig berouw, b e k e e r i n g van zijnen boozen weg. D e G e e s t o v e r t u i g t daarbij van zonde, g e r e c h t i g h e id en oordeel. G o d o p e n b a a r t hoe ellendig de menschen zijn o p d a t zij tot hem vluchten.
e profeet echter spreekt hier niet van Gods verborgen wil, maar van den g e o p e n b a a r d e n . God wil wel altijd het z e l f d e doch op o n d e r s c h e i d e n wijze, hoewel wij dat niet kunnen v e r s t a a n . W a a r o m zegt de H e e r e nu, dat Hij niet b e g e e rt den dood der g o d d e l o o z e n ? W a t zullen wij d a a r o p antwoorden? H e t v o l g e n d e .

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 december 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van den wil Gods XIV

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 december 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken