Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het gebed voor de overheid III

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het gebed voor de overheid III

10 minuten leestijd

De Kerk is zendingskerk altijd door. Immers de Heere Christus vergadert zijne gemeente van het begin der wereld tot het einde. En dit niet alleen, de Kerk is de mond der menschheid. De wereld roept hem niet in waarheid aan, noch geeft hem lof voor zijne daden. De plaats der Kerk is zeer centraal in Gods wereldregiment.
Welnu, daarom moet haar gebed opgaan voor alle menschen, zoo vermaant Paulus zijn zoon Timotheus, die in Ephese vertoefde en dus kennis maakte met het wereldlijk gezag van de heidensche overheid. Bij dit alle menschen behoeft nu niet te worden gedacht aan alle menschen hoofd voor hoofd. In den grondtext blijkt, dat bedoeld wordt allerlei soort van menschen. Ook in vers 4 komt het woord alle voor: God wil, dat alle menschen zalig worden. In het Grieksch is er onderscheid tusschen alle met en zonder lidwoord (allen en de allen). Met het lidwoord beteekent het allen hoofd voor hoofd, zonder lidwoord is de zin meer allerlei soorten.
Gebeden moeten opgezonden worden niet slechts voor de gemeenteleden, voor hun zieken en die in nooden verkeeren, maar voor alle menschen van allerlei slag, rang en stand in het leven. Geen groep mogen zij in hun openbaar gebed — natuurlijk ook in hun huiselijke en particuliere gebeden — uitsluiten.
De Overheid wordt dan afzonderlijk genoemd. Waarom? Zij was vaak de christelijke gemeente vijandig, oorzaak van vervolging en veel leed. Zou de gemeente wel voor haar bidden? Jawel, zegt Paulus, vergeet de overheid juist niet. Gelijk zij niet alleen den goeden maar ook den kwaden onderworpen moesten zijn, zoo behoorden zij ook hen in hunne gebeden te gedenken, die daaraan geen behoefte hadden, zoo niet mee spotten, dan wel alleen uit tyrannie er op meenden te mogen rekenen. Onder alle menschen behooren ook de overheidspersonen, ja, zij nemen er een vooraanstaande plaats onder in vanwege het gezag, waarvan zij dragers zijn door Gods bestel. Dit moet om den goddelijken oorsprong der overheid als wel om de belangen van het Koninkrijk Gods. Want de overheid heeft een taak ten opzichte van het geestelijk leven des volks. Wat de gemeente moet bidden voor de overheid staat niet met zooveel woorden in den text, maar is duidelijk genoeg. Zij zal bidden om door die overheid te worden geregeerd zóó, dat de Kerk levensruimte heeft om God te dienen naar Zijn Woord. Om orde en tucht, bewaring en bescherming van persoon en eigendom, zoodat de onderdanen een stil en gerust leven mogen leiden. Stil en gerust, niet beroerd door oorlogen, opstanden, roof en moord; dat de zeden niet worden ondermijnd, het gezag ondergraven. Zeker zal in dat gebed niet ontbreken de verzuchting om bekeering der overheidspersonen en harer organen. In dat gebed zal opgenomen zijn de bede om eene regeering naar zijn Woord. Zoo moge Gods gemeente leven in alle godzaligheid en eerbaarheid.
Godzaligheid is het leven in de vreeze Gods, het stellen van het geheele leven in den dienst des Heeren. Religie en zedelijkheid samen worden in het ééne woord omvat, de betrekking tot de eerste en tweede tafel der wet.
Zoo leert men zich stellen onder Gods souverein bestel. Het is merkwaardig, dat Paulus het hier gebruikte woord alléén bezigt in de Pastoraalbrieven (1 en 2 Tim. en Titus) en nergens in zijn andere brieven. De vreeze Gods moet richtsnoer zijn van het geheele leven. Eerbaarheid wijst op dezelfde zaak als Godsvrucht, doch naar een andere zijde en op andere manier. De levenshouding naar buiten gekeerd, waarvan de Godsvrucht de binnenzijde is.
Laat ik nu de breede aanteekening van Calvijn op het tweede vers hier afschrijven:
„Hij meldt met name de koningen en andere overheden, omdat die boven andere menschen hadden kunnen gehaat zijn van de christenen.
Want zoovele overheden als er te dien tijde waren, zoovelen waren gezworen vijanden van Christus. Zoo hadden zij dan mogen denken, dat men niet voor hen moest bidden, die al hun kracht en macht gebruikten om het Rijk van Christus te bestrijden, welks verbreiding het meest wenschelijke was.
Maar Paulus komt hen hierin tegen en gebiedt openlijk voor hen te bidden. En voorwaar, de boosheid der menschen zal niet maken, dat de inzetting Gods niet zou te beminnen zijn. Dewijl dan God de overheden en vorsten tot bewaring des menschelijken geslachts geschapen heeft, zoo moeten wij nochtans daarom niet aflaten wat Godes is lief te hebben en begeeren dat het wel vare. Dit is de oorzaak waarom de geloovigen in wat land zij wonen, niet alleen den wetten en den geboden der overheden moeten gehoorzaam zijn, maar ook in hunne gebeden derzelver zaligheid Gode bevelen. Jeremia zeide tot de Israëlieten: Bidt voor den vrede van Babel, want in hun vrede is uw vrede gelegen. Dit is eene algemeene leer, dat wij zullen begeeren, dat de machten van God verordend, gezond en gerust blijven.
Hij stelt de nuttigheid voor oogen om ons temeer op te wekken. Want hij telt de vruchten op, die wij uit de welgeschikte overheid verkrijgen.
De eerste is een gerust leven, want de overheden zijn met het zwaard bewapend om ons in vrede te behouden. Want ware het, dat zij der ongeschikte menschen stoutheid niet bedwongen, zoo ware het alom vol rooverij en moorderij. Zoo is dan dit het middel om vrede te behouden en te beschermen, als een iegelijk gegeven wordt, wat hem toekomt, en dat geweld der machtigen niet ongestraft blijft. De andere vrucht is de bewaring der godzaligheid, te weten als de overheden arbeiden om de religie te onderhouden, om den dienst Gods te beschermen, en om eerbied tot de heilige dingen te bevorderen. De derde vrucht is de bezorging der openbare eerbaarheid. Want dit geschiedt ook door de weldaad der overheden, dat de menschen zich niet begeven tot de beestelijke onreinheden of tot onbehoorlijke dartelheden. Maar dat veel meer zedigheid en matigheid hun plaats hebben. Zoo deze drie dingen weggenomen worden, hoedanig zal dan de stand des menschelijken levens zijn? Zoo dan, zoo wij eenige zorg hebben voor de algemeene rust, of godzaligheid, of eerbaarheid, zoo moeten wij gedenken ook voor hen te zorgen door welker dienst wij zulk uitnemend goed genieten. Waaruit wij verstaan, dat die razende menschen alle menschelijkheid afgeled hebben en niet anders dan beestachtige ongeschiktheid bewijzen, die begeeren, dat de overheden weggenomen worden.
Want welk groot onderscheid is tusschen deze twee dingen, te weten, dat men moet bidden voor koningen, opdat recht en eerbaarheid groeie, en de religie bloeie, en te zeggen, dat niet alleen de naam des koninklijks, maar ook de gansche regeering in strijd is met den waren godsdienst. (Calvijn keert zich hier tegen de Wederdoopers, die van het ambt der overheid niet wilden weten.)
Nu, de auteur der eerste waarheid is de Geest Gods; zoo moet dan de ander uit den duivel zijn. Zoo iemand vraagt of men ook voor die koningen moet bidden (overheidspersonen) van welke wij zulks niet verkrijgen, zoo antwoord ik, dat onze gebeden daartoe strekken, dat zij door den Geest Gods mogen geregeerd worden, en alzoo toedienaars van zulk goed worden, waarvan zij ons tevoren beroofden.
Zoo moeten wij dan nu niet alleen voor hen bidden, die het nu waardig zijn; maar wij moeten God bidden, dat Hij degenen, die boos zijn, goed make. Want wij moeten altijd dezen grondregel behouden: Dat de overheden van God verordend zijn, om de religie in algemeene gerustigheid en eerbaarheid te bewaren, niet anders dan gelijk de aarde verordend is om voedsel voort te brengen. Zoo dan, gelijk wij voor het dagelijksch brood biddende, God bidden, dat Hij de aarde door zijnen zegen vruchtbaar make, alzoo moeten wij in die weldaden, waarvan boven gesproken is, het gewone middel aanzien, hetwelk God door zijne voorzienigheid verordend heeft.
Hiertoe dient ook dit: Zoo wij deze weldaden, welker toediening Paulus aan de overheid toeschrijft, niet genieten, zoo komt het door onze schuld, want de toorn Gods maakt ons de overheden onnut, gelijk zij de aarde onvruchtbaar maakt. Daarom betaamt het ons zulke straffen af te bidden, waarmede onze zonden worden gestraft. Bovendien worden alle overheidspersonen vermaand van hun ambt. Want het is niet genoeg, dat zij een iegelijk recht doende, alle onrecht verhinderen, en den vrede onderhouden, tenzij zij ook arbeiden om de religie te bevorderen en door eerlijke discipline de zeden te schikken. Want het is niet zonder oorzaak, dat David hen vermaant den Zoon te kussen (Ps. 2 : 13) en dat Jezaia zegt, dat zij voedsterheeren der gemeente zullen wezen.
aarom hebben zij zichzelven niet te vleien zoo zij vergeten te helpen den dienst Gods te beschermen."
ot zoover Calvijn. Het is duidelijk en leerzaam ook voor onzen tijd, wat hij opmerkt.
Het is ons dus gebleken, dat de apostel, geleid door dén Heiligen Geest, beveelt aan Timotheus den gemeenten in te scherpen het gebed voor hunne respectievelijke overheden, keizers en koningen, magistraten van gewest en stad, politie die in den naam der overheid orde en rust handhaaft.
Gelijk aan de Kerk het heil der ongeloovigen ter harte gaat, zullen zij ook in het bijzonder gedenken den nood der Overheid, naar de omstandigheden van het leven van volk en wereld in een bepaalden tijd. De apostel leert ons het algemeen beginsel kennen, waarnaar alle eeuwen gehandeld moet worden,zoowel wat het gezag der overheid betreft als het gebed voor haar.
Nu leven wij niet onder een heidensche overheid, maar evenmin kan worden gezegd, dat de regeering en de vele overheidspersonen staan op den grondslag van het christendom. Wij weten toch maar al te goed, dat ons land niet alleen een gemengde bevolking heeft wat den godsdienst aangaat, maar dat honderdduizenden met het christendom hebben gebroken, die zich in hun overheids- of politioneele of rechterlijke taak wel gebonden weten aan de grondwet en de wetten des lands, maar zich om den waren dienst Gods naar de Schrift niet bekommeren of er zeer bepaald vijandig tegenover staan. Een niet gering deel van ons volk leeft ten eenenrnale vervreemd van den dienst Gods. Het ligt voor de hand, dat zij wellicht voor godsdienstvrijheid gevoelen, zoolang zij niet de macht in handen hebben, maar den eigenlijken godsdienst overbodig achten. Daarom zou men er zeker niet voor terugdeinzen maatregelen te treffen, die de christen niet kan aanvaarden krachtens den eisch van Gods Woord. Want het is, om met Luther te spreken, niet geraden iets tegen de conscientie te doen, die staat onder het gezag des Woords.
Velen zijn in den ban van het historisch-materialisme gevangen, huldigen een levens- en wereldbeschouwing, die zich niet verdraagt met het christendom, zelfs niet in algemeenen zin verstaan.
Hieruit blijkt hoever ons land en volk is weggezonken van den God onzer vaderen. Geen wonder, dat diens oordeelen ons troffen en nog zullen treffen.
Toch blijft de regel, dat voor de overheid het gebed zal opgaan; dat God hen inbinde, bekeere, opdat het leven der Kerk niet in boeien worde geklonken, maar zich kunne ontplooien. En ons staatsbestel, al heeft het, Gode zij dank, nog christelijke elementen bewaard, is toch in wezen gebaseerd op de beginselen der Fransche revolutie, die de volkssouvereiniteit baarde en van regeeren bij de gratie Gods niet weet noch weten wil. Over het communisme spreken wij dan nog niet eens, dat in zijn diepsten levensgrond niet slechts a-theïstisch, doch anti-goddelijk is, blijkens leer en practijk.
De overheid heeft de roeping de religie te beschermen en haar den vrijen loop te laten. En de Kerk heeft de roeping voor hare overheden het gebed op te zenden tot God in den naam van Jezus Christus. Hij is de Koning der eeuwen. De Overheid heeft zich te kennen en te erkennen als Gods dienaresse en dus daarvan te doen blijken.
Moge dan het gebed opgaan tot den God des hemels en der aarde om overheden, die naar God vragen en dat de overheden, die er zijn, zijner erkennen.
Hij moge in zijn aanbiddelijke genade nog ruimte laten een stil en gerust leven te leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid. In ieder geval zal Hij zijn Kerk bewaren voor zijn hemelsch Koninkrijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 juni 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het gebed voor de overheid III

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 juni 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken