Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het einde en zijne voorteekenen XXIV (3e serie)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het einde en zijne voorteekenen XXIV (3e serie)

16 minuten leestijd

2 Thessalonicensen 2 : 5—7. Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijnen eigenen tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt aireede gewrocht: alleenlijk, die hem nu wederhoudt (die zal hem wederhouden), totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.

De apostel Paulus heeft de Thessalonicensen eene beschouwing gegeven over het historisch proces, dat de menschheid zal doorloopen, totdat de dag van Christus' wederkomst zal daar zijn. En in den loop dezer geschiedenis wijst hij bepaalde kenteekenende verschijnselen aan, die getuigen van het groote en laatste conflict, waarmede de oplossing van het werelddrama zal worden ingeluid. En hij legt daarop grooten nadruk, opdat de gemeente niet in verwarring zal worden gebracht door allerlei phantastische, apocalyptische predikers, die het deden voorkomen als ware de dag van Christus' wederkomst spoedig te verwachten. Om deze valsche, onrust brengende beschouwingen te bestrijden, geeft hij de verschijnselen aan, waarin de teekenen kunnen worden onderscheiden, die met zekerheid wijzen op de „parousia" des Heeren, doch dan ook alleen begrijpelijk zijn, wanneer gedacht wordt aan eene procesmatige, historische ontwikkeling, die zich over een langdurig, hoewel voor ons menschen onbepaalbaar tijdsbestek uitbreiden. Dit houdt de apostel aan de gemeente van Thessalonica voor, waarin zeker apocalyptische phantasieën grooten en nadeeligen invloed oefenen.
Wij wijzen daarop, omdat wij ook in onze dagen een apocalyptisch streven kunnen waarnemen, dat eveneens gepaard gaat met leeringen, die niet altijd met den Woorde Gods overeenstemmen, al schijnen zij sterke werking te hebben op het gevoelsleven. De gevolgen van deze apocalyptiek zijn ook daarom niet zonder gevaar, omdat zij, als alle apocalyptiek, ook in onze dagen zich gaan vasthechten aan de groote historische gebeurtenissen, die zich voltrekken voor ons aller oog. Wij hebben dit ook onder ons kunnen waarnemen, hoe apocalyptische verklaringen en grillige beschouwingen onder de massa werden verspreid, die noodzakelijk gepaard moesten gaan met gevoelens van weerzin tegen bewegingen, die uit dezen tijd geboren werden. Dat wij daarin staan voor verschijnselen van willekeur, die onder de schaduw van Jezus' wederkomst worden uitgedragen, kan reeds daaruit blijken, dat zelfs de groote Pers van zulke apocalyptische bewegingen met een zekeren ophef melding maakte, omdat deze haar in het gevlei kwamen bij de in dezelfde richting gaande, zoo genaamde op vrijheid zich beroepende partijen. Dit apocalyptisch drijven is niet nieuw, deed zich reeds gelden in de gemeente van Thessalonica, die door Paulus gewaarschuwd werd, maar komt in de geschiedenis telkens op den voorgrond, wanneer eene angstwekkende crisis de massa ontroert. De waarschuwing van den apostel Paulus aan de gemeente van Thessalonica is dus in het geheel niet uit den tijd, is ook thans nog, ook in ons vaderland, van actueel belang.
Het is juist de procesmatige gang der geschiedenis, die hem aanleiding gaf de gemeente te wijzen op de groote geestelijke bewegingen, die openbaar waren en in den komenden tijd nog meer openbaar zouden worden, opdat zij ook in de toekomst gewaarschuwd zijn zou, want de groote geestelijke stroomingen zouden ook voor het leven der gemeente beteekenis hebben. Er mogen te allen tijde, ook in onze dagen, menschen gevonden worden, zelfs onder hen, die tot Gods volk behooren, die meenen, dat zij uit de wereld uitgeleid, nu met de wereld ook verder niet meer van doen hebben en er dus niet meer over willen hooren, zich van elke beschouwing over de dingen, die geschieden, met weerzin terugtrekken. Maar naar Gods Woord is dit niet, want de apostel leert met nadruk, dat wij in het oog moeten vatten wat er gebeurt om steeds bereid te zijn op den dag der toekomst des Heeren. Die dag is ook een groot bestanddeel in het leven der Kerk, moest dit althans zijn, omdat het levende geloof een mystieken levensband legt tusschen Gods kinderen en hun Heiland, wiens tegenwoordigheid zij in hun gemeenschapsoefening niet kunnen derven en die daarom als immer daar zijnde en als altijd komende wordt gekend in het geloof.
Welnu, de apostel stelt daarom in het licht de geweldige, alles beheerschende antithese, die van het begin der schepping als de worsteling tusschen het slangenzaad en het vrouwenzaad de historische ontwikkeling kenmerkt en karakteriseert als een tusschen God en zijne schepping zich voltrekkend conflict, dat in zijn einde de heerlijkheid Gods zal openbaren in volkomenheid. Geestelijke stroomingen gaan er door het menschheidsleven van alle eeuwen. En nu wijst de apostel er op, dat aan de eindcatastrophe geweldige ontladingen van de machten der duisternis zullen voorafgaan, die zich openbaren in afval onder de volken, wien Christus gepredikt werd, waaronder dus Gods Kerk geplant was. Daarenboven zal de mensch der zonde, de zoon des verderfs. openbaar worden in eene zichzelve vergodende menschheid. En die geest zal niet slechts in de wereld zich doen gelden, maar ook in de Kerk van Christus zelve doordringen om, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen nog te verleiden.
En wij hebben gewezen op de geschiedenis, waarin Paulus' profetische beschouwingen bevestigd zijn geworden. De Kerk, die niet tevreden is met de grenzen, die Christus getrokken heeft tusschen het Koninkrijk Gods en dat der wereld, zoodat zij zich met een aardschen Stedehouder Christi als een wereldsch tegenrijk opwerpt tegenover en boven den Caesar. Aldus werd er een Kerk geboren, die als heerscheres over de koninkrijken der aarde zich opwerpt en een vervolger wordt der ware gemeente des Heeren, die zij in bloed tracht te smoren. En daarbenevens wees ik er op, hoe ook de Reformatorische Kerken, onder den geest der eeuw zich verslavend, dienaressen vaak geworden van den Antichrist en in stede van Christus te prediken, de zichzelve vergoddelijkende menschheid verkondigen met allerlei valsche leer, die de eere van God en van zijnen Christus aantast en bezoedelt. De geschiedenis van alle eeuwen is daar om de juistheid en waarheid van Paulus' prediking te bevestigen.
Deze dingen heeft de apostel geschreven, maar hij heeft ze ook gepredikt tijdens zijn optreden te Thessalonica, gelijk als ook elders. Het blijkt, dat hij aan die leering over dit onderwerp groote waarde heeft toegekend, want hij schrijft later: „Gedenkt gij niet, dat ik nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb?" Hij doet een beroep op de herinnering der Thessalonicensen, opdat zij zich zullen bezinnen. De apostel heeft ongetwijfeld in den breede gehandeld over dit leerstuk, toen hij zelve te Thessalonica was, want de toestand der gemeente, de geestelijke bewegingen dier tijden, drongen hem er toe, opdat de gemeente niet in verwarring en onrust zou worden gebracht door allerlei valsche leeringen en valsche leeraars. Daaruit wordt het ook voor ons duidelijk, dat wij maar niet achteloos aan de teekenen der tijden zullen voorbijgaan. En dat blijkt hier: tot die teekenen der tijden behoort ook het apocaplyptisch geroep, dat er uitgaat en ook in onzen tijd uitgaat. Het is een merkwaardig verschijnsel, dat het luider wordt, naar mate de tijden donkerder worden. Des te meer betaamt ons naar het woord des apostels voorzichtigheid te betrachten en ons niet te laten in de war brengen door allerhande grillige prediking, die in haren diepsten grond zelve, ondanks al hare Christelijke vormen, gedragen wordt door angstgevoelens en niet door het waarachtige leven des geloofs. Ook daarin werken vaak geesten van den antichrist zeiven, die in de gemeente doordringen onder valschen schijn soms, zooals in Thessalonica het geval was. Daar toch verschenen zelfs valsche zendbrieven, die onder Paulus' naam werden geschreven en gezonden en in de gemeente ingebracht om voorgelezen te worden. Zoo werkt de vorst der duisternis met alle middelen, vrome en goddelooze middelen, om het doel te bereiken, dat hij zich heeft voorgesteld, maar dat hij toch niet bereiken zal, omdat de Heere Jezus Christus Overwinnaar is.
En nu geeft de apostel ook de gronden aan, waarop zijne prediking rust. Die apocalyptische drijvers beweerden, dat de dag van Christus aanstaande was. Zelfs hebben zij somtijds den dag en het uur van Jezus' wederkomst er bij genoemd, al staat er duidelijk geschreven: „van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan mijn Vader alleen." Ook die uitspraak, hoe beslissend ook, heeft valsche leeraars niet verhinderd eene leer te prediken, als wisten zij dien dag en die ure wel. Daarom geeft nu de apostel de gronden aan, waarom die „parousia" niet op die wijze verwacht kon worden, als ware zij zoo tijdelijk aanstaande als valsche leeraars wilden doen gelooven. En daarom herinnert hij er de Thessalonicensen aan, dat hij hun geleerd heeft, dat er in de geschiedenis zelve gronden zijn aan te wijzen, die zulk eene „parousia", als de valsche leeraren prediken, volstrekt verhinderen.
Er zijn in de geschiedenis verschijnselen op te merken, die zulk een wederkomst, alsof deze tijdelijk bepaald kon worden, afsnijden. En daarom herinnert hij er aan, hoe hij persoonlijk hun heeft geleerd, dat er in den loop der historie zelve een grond is, waarom die dag, zooals de valsche leeraars dit predikten, niet kon komen. Daarop wijst hij in deze woorden: „En nu, wat hem wederhoudt, weet gij." Letterlijk staat er:
„En nu het wederhoudende weet gij." Met deze woorden wijst hij terug naar vroeger persoonlijk gegeven beschouwingen, waarin hij zijne toenmalige hoorders had gewezen op eene in de geschiedenis werkende kracht, die den mensch der zonde weerhield om tot openbaring te komen, door te dringen en in het leven der menschheid tot volle ontplooiing te komen. En het ligt voor de hand, dat exegeten zich veel moeite hebben getroost om te ontdekken, wat deze „wederhoudende" macht toch wel zijn mocht. Zelfs is er veel inkt vergoten over het woordje „nu", zelfs is daarvan wel een bezwaar gemaakt, alsof het het Woord Gods niet met volkomen duidelijkheid zou spreken, omdat de een het bij het „weet gij" betrekken wil, zooals ook professor van Leeuwen in zijn Commentaar op Thessalonicensen (blz. 429), een ander weer niet. Het komt mij voor geheel ten onrechte.
De apostel legt aan zijne lezers in Thessalonica uit, hoe er valsche leer wordt uitgedragen in de gemeente over de „parousia", die wordt voorgesteld als onmiddellijk aanstaande. Daartegen neemt de apostel positie door er op te wijzen, dat er aan de „parousia" zekere verschijnselen als teekenen des tijds moeten voorafgaan. Daartoe behoort de openbaring van den mensch der zonde, den zoon des verderfs. En diens werking wordt openbaar in een zich stellen tegen en verheffen boven God, een als God geëerd worden, een zitten in den tempel, een zich als God vertoonen. Dat zal komen, maar was nog niet zoo zichtbaar, als het voor de „parousia" zichtbaar wezen zal. Dat alles heeft hij in Thessalonica aan de gemeente gepredikt, geleerd en verklaard. Het was komende, maar nog niet gekomen. Waarom was het nog niet gekomen? Omdat er nu nog is, dat hem wederhoudt. Nu, in de periode, die verloopen moet tot het oogenblik, waarop hij geopenbaard zal worden te zijnen eigenen tijd. Het ligt dus voor de hand, dat dit „nu" daarom zulk een grooten nadruk heeft, omdat het in tegenstelling is met de valsche leer van hen, die Christus' komst als onmiddellijk aanstaande predikten en daardoor de gemeente verontrustten. In tegenstelling daarmede wijst er de apostel op, dat juist in stede van die oogenblikkelijke wederkomst in te wachten, gelet moet worden op de teekenen der tijden, waarop ook de Heere Jezus nadruk heeft gelegd, namelijk, dat er een catastrophale tijd aan vooraf zou gaan, waarin als eene uitbarsting van ongerechtigheid kon worden verwacht.
Die vreeselijke tijd moest nog komen, was nu komende, maar nog niet gekomen. Die komst werd tegengehouden en vertraagd. Er was wat de komst van den mensch der zonde wederhield en dus nog niet mogelijk maakte „nu", hoewel de valsche leeraars het voorstelden, als was, afgezien van eenig aan de „parousia" voorafgaand teeken, Jezus' wederkomst terstond te wachten. En nu heeft de apostel in zijne mondelinge prediking dit aan de gemeente wel toegelicht en er haar zeker menigmaal op gewezen, dat die openbaring van den mensch der zonde nog niet kon plaats grijpen, omdat de voorwaarden daarvoor nog niet vervuld waren. Daarom zegt hij „wat hem wederhoudt, weet gij". Hij had het haar verklaard, hoe de mensch der zonde en de zoon des verderfs wel den drang kende om door te breken en zich te openbaren, maar dat hij toch dien drang nog niet kon volgen, omdat hij weerhouden werd. Er blijkt uit, dat de geschiedbeschouwing van den apostel Paulus haar procesmatig karakter recht laat wedervaren. De dingen gingen niet, zooals de valsche leer het voorstelde, naar de willekeur der menschen, maar volgens de door God bepaalde orde der opeenvolging. En in die orde lag opgesloten, dat elk verschijnsel op zijn tijd intreden moest.
En dat gold nu ook de vreeselijke gruwel der ongerechtigheid, die de mensch der zonde, als hij verscheen, met zich mee brengen zou. Hij zou komen op zijn eigen tijd, op het voor hem ook bepaalde tijdstip, op den tijd, die voor deze verschijning geëigend was. Doch zoo lang dat oogenblik er niet was, werkte ook de hem wederhoudende macht, die hem het nog niet toeliet, die het hem dus, in tegenstelling met wat de valsche leeraars beweerden, nu nog niet toeliet. Het zou hem eerst toegelaten zijn op zijn eigen tijd, op den voor hem beschikten tijd. Dan eerst zou hij zich kunnen en ook moeten openbaren, maar dat moment was er nog niet. Zoo had de apostel het hun geleerd. En daarom kon hij zeggen: Wat nu het wederhoudende, het tegenhoudende is, weet gij. Aldus kwam zijne leer der waarheid in de meest krasse tegenstelling uit tegen de valsche leer, die de gemeente in verwarring bracht.
Zooals ik reeds opmerkte, gaat de apostel Paulus daarbij uit van de alleen juiste beschouwing der geschiedenis, die zich als in eene procesmatig zich ontwikkelende opeenvolging der oorzakelijk samenhangende verschijnselen afwikkelt op eene wijze, waarbij hetgeen in den verborgen ondergrond van het leven der menschheid werkzaam is, zich telkens openbaart in de elkander als in eene reeks opeenvolgende feiten. Daarom legthij nu nog eens uit, dat ook al gaat alles zoo langzaam, naar de meening der menschen, zij daarom toch niet behoeven te denken, dat er niet wat gebeurt. Zoo denken de menschen het wel dikwijls, dat in sommige tijden er eigenlijk niets gebeurt, terwijl toch in den geestelijken ondergrond alle krachten werkzaam zijn, die op verborgen wijze de openbaarwording der feiten toe- en voorbereiden.
Daarom legt hij hun uit, dat al werkt nu eene weerhoudende macht, zoodat die openbaarwording niet nu, maar eerst later zal geschieden, dit toch niet beteekent, dat er niets geschiedt. Ook die mensch der zonde moet komen en zal komen, zal openbaar worden op zijn eigen tijd, maar die tijd is er nu nog niet, nu wordt hij weerhouden. Doch al merken zij van die openbaring nog niet, toch wordt de verborgenheid der ongerechtigheid aireede gewrocht. Zij is opkomende, werkende in het verborgen. Het gistingsproces der ongerechtigheid werkt, maar nu nog aan aller oog onttrokken, dus als eene verborgene macht. Ook de ongerechtigheid werkt als een mysterie, met mysterieuse krachten. Maar die voor ons schijnbare vertraging in het gebeuren, doet niet af aan de zekerheid van den uitslag. De dag komt, dat de wederhoudende krachten aflaten en de ongerechtigheid tot ontlading wordt gebracht op zulk eene wijze, dat Hij, die deze krachten bezigt, den mensch der zonde uit het midden zal wegdoen.
Zoo laat dus de apostel zien, dat in den ondergrond van het leven der menschheid verderfelijke geestelijke krachten werken, die voorbereiden de naar buitentreding en de openbaring van het verderf, dat zij in de verborgenheid wrochten. En hij opent daardoor hun oog er voor, dat de valsche leer daarom ook geene waarheid zal blijken, omdat zij niet door de feiten wordt bevestigd. De valsche leeraars gingen rond, brachten met hun phantastisch apocalyptisch streven wel de gemeente in onrust door het te doen voorkomen, als ware de jongste dag weldra in aantocht, als zou de ure nabij zijn, waarvan de Heere Jezus geprofeteerd had, dat hemel en aarde zullen voorbijgaan, doch de apostel wijst hen aan als de profeten van de valsche Christussen, die zelfs teekenen en wonderen zouden doen om de uitverkorenen te verleiden. Dus leert hij de verschijning dier valsche leeraars zeiven als een teeken kennen, dat wijst op de verborgene werking der ongerechtigheid, die vooraf moet gaan aan de openbaring van den zoon des verderfs. Voordat dit alles geschied was, kon er uit den aard der zaak van Christus' dag nog niet gesproken worden, als ware deze aanstaande. Zoo snijdt hij voor de gemeente eene leer af, die de eeuwige dingen Gods betrekt in onze menschelijke tijdrekening, hoewel de Heere Jezus zelve met nadruk heeft gezegd, dat tijdelijk dan, in onzen zin gesproken, van dien dag en ure niemand weet dan de Vader alleen. Tegenover al deze valsche leering nu dringt hij er bij de gemeente op aan, dat zij in stede van naar deze dwaze phantasieën te hooren, veeleer zal kennen de behoefte aan verdieping des levens, opdat zij in blijvend uitzien des geloofs naar de komst des Heeren smaken zal de liefde van onzen Heere Jezus Christus zelf en onzen God en Vader, die ons heeft lief gehad en om te genieten van die eeuwige vertroosting en die goede hope in genade, waarin een eeuwig licht over de zielen Zijner kinderen opgaat.
Daarom mogen zij zich niet laten verleiden door allerlei valsche speculaties en apocalyptische droombeelden, doch zullen leven uit het geloof, dat de Heere Jezus Christus te zijner tijd zal komen om al de zijnen tot Zich te nemen in Zijne heerlijkheid. T e Zijner tijd zal Hij komen. Daarom, zoo Hij vertoeft, zullen zij Hem verbeiden en Hem verbeidend, hebben zij geen ooren en oogen voor de valsche speculaties van profeten, die den schijn aannemen, als weten zij meer dan de Heere ons heeft geopenbaard. Daaruit volgt, dat leven uit en naar het Woord des Heeren alleen de ware rust en ook de ware zekerheid ons bereiden kan, waarin wij daarom nooit kunnen worden overvallen door den dag Zijner toekomst, omdat Hij zelve altijd ons nabij is met Zijne liefde en genade. Onder het levendige bewustzijn dier zalige en troostvolle nabijheid is er een uitzien, waarbij de belofte Gods het eeuwigheidslicht laat opgaan midden in den tijd. In dat licht worden Gods kinderen zich in den tijd bewust van hunne opname in de hoogere orde, waartoe zij door den Geest des Heeren worden bereid, doordat Hij hen verandert naar Jezus' eigen beeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 augustus 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het einde en zijne voorteekenen XXIV (3e serie)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 augustus 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken