Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Behouder des levens

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Behouder des levens

Gedicht

3 minuten leestijd

Zeven jaar deed God de Heere
't Goudgeel koren, 't kost'lijk graan
In het schoon' Egypte groeien
Aan de halmen rijk belaan.

Schuur na schuur kon Jozef vullen,
Al maar groter werd die schat,
Tot men niet meer wist te tellen
Hoeveel koren men wel had.

Na de zeven vette jaren,
Naar het woord uit Jozefs mond,
Kwamen jaren, schraal en mager
In Egypt' en ver in 't rond

In het ganse land was honger,
't Volk verkeerde in grote nood,
Daarom ging het naar den koning
En vroeg smekend hem om brood.

Zou de Farao het weig'ren?
Zond hij toornig 't volk weer heen?
Neen, in gunstrijk welbehagen
Hoorde hij naar het geween.

,,Ga tot Jozef", was het antwoord.
,,Doe, wat hij u zeggen zal."
En toen opend' onderkoning
Voorraadschuren, zonder tal.

Al het geld uit gans Egypte
Bracht men voor het goudgeel graan,
Maar toen 't zilver was verdwenen,
Kwam men als te voor' te staan.

,Geef ons brood, want o, wij sterven,
En ons geld, ach zie, 't verdween!"
Sprak het arme volk tot Jozef
En... hij hoorde hun gebeên.

Voor het vee gaf hij hun koren,
't Volk was weer een jaar voldaan
. Jozef stilde hunne honger
t zijn schuren, rijk belaan.

aar was spoedig weer ten einde,
En nóg was er hongersnood.
Smekend kwam het volk bij Jozef
Want hun dreigde reeds de dood.

Daar het geld en ook de beesten
Reeds verdwenen voor het graan
Boden zij, geheel verslagen,
Nu hun land en lichaam aan.

Alles hadden zij verloren,
Niets behoorde hun thans meer.
Al de onderdanen waren
't Eigendom van hunnen heer.

Maar die heer wou voor hen zorgen,
Ziet, hij gaf hun 't daag'lijks brood.
Jozef redde hun het leven,
ij gedacht hun in hun nood.


Zondaars, die in hun ellende
Smekend voor den Heere staan,
Horen van Gods heil'ge lippen:
„Wil tot Koning Jezus gaan."

En dan bieden zij hun zuchten
ver hunne zonden groot,
Ook hun tranen, hun begeren
Om te doen wat God gebood.

Voor een tijd geeft dan de Koning
Wat Zijn kind van node heeft,
Maar al ras keert weer de honger...
En de arme zondaar beeft.

Eind'lijk ziet hij, dat geen werken,
Ook geen zuchten en geen traan,
Schenken kunnen 't eeuw'ge leven,
Al het zijne moet er aan.

Als de zondaar, gans verloren,
Weg zal zinken in de dood,
Valt hij in des Heilands armen,
Die Hij liefderijk ontsloot.

Dan is hij naar ziel en lichaam
't Eigendom van zijnen Heer',
ie hem kocht door 't bloedig lijden
Aan het vloekhout. Hem zij d' eer.

e Behouder van het leven
Spijst en laaft hem nu voortaan
Alle dagen van zijn leven.
Wil Zijn liefde gadeslaan.

Toon, o vrijgemaakte zondaar,
Door uw werken, God gewijd,
Dat gij niet voor eigen reek'ning,
Maar aan Jezus' zijde strijdt.

Laat uw lof ten hemel stijgen,
God alleen ontvange d' eer,
Die in Jezus, den Behouder,
In ontferming zag ter neer.

H. Sch. St.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 augustus 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Behouder des levens

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 augustus 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken