Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Op den akker van Boaz I

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Op den akker van Boaz I

22 minuten leestijd

Ruth 2 vers 14—16. Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij en eet van het brood en doop uwe bete in den azijn. Zoo zat zij neder aan de zijde van de maaiers en hij langde haar geroost koren, en zij at en werd verzadigd en hield over. Als zij nu opstond om te lezen, zoo gebood Boaz zijne jongens, zeggende: Laat ze ook tusschen de garven oplezen, en beschaamt ze niet; ja, laat ook allengskens van de handvollen voor haar wat vallen en laat het liggen, dat zij het opleze, en bestraft ze niet.

De koning zelf wordt van het veld gediend, zoo schrijft de wijze Spreukendichter, de koning des vredes Salomo. Wij voeden ons met de vruchten, die de Heere onze God laat groeien. Wanneer de Heere zijn oude volk wilde straffen deed Hij dit mede door misgewas en schaarschte aan voedingsmiddelen. Meerdere malen lezen wij van hongersnood in het Woord. In de dagen van Jeremia zagen de menschen zwart van den honger. In andere tijden werden kinderen geslacht om den razenden honger te stillen, door menschen die zelfs de natuurlijke liefde vergaten. Honger is een scherp zwaard.
Ook gebeurde het meermalen, dat de oogst goed was, maar dat rooversbenden het land afstroopten om te stelen. Denk maar aan de dagen van Gideon, die tarwe dorste bij de wijnpers om het graan daar te verbergen, voor de rooversbenden der Midianieten.
Luister naar het dreigend woord des Heeren: Gij zult planten en bouwen, een ander zal de vrucht eten. Het Woord des Heeren is rijk aan leering voor alle tijden, indien wij slechts opmerken. Zoo is het toch ook in onzen tijd. Alleen wie Gods oordeelen ziet en aanvaardt en buigt en bukt voor hem, die alle dingen regeert, kan een plaats vinden aan den troon der genade om te pleiten op zijne goedertierenheden. Hij kan het maken in duren tijd en hongersnood. En dan wordt ook ervaren, dat de mensch bij brood alleen niet zal leven. Dit was toch de ervaring van de Kerk aller eeuwen.
Ja, die mag ook alle onrecht leggen voor het aangezicht Gods en hem naderen als rechtvaardig Rechter, die de zaak zijns volks zeker zal twisten.
De koning zelf wordt van het veld gediend. Wat baten handel en industrie als er niet te eten is? Schatten gelds zijn niet in staat den honger te stillen, als er niet te koopen is. In de laatste dagen zullen er hongersnooden zijn als gerichtsplagen des Allerhoogsten. Voedsel voor mensch en beest doet de Heere groeien op den akker. Maar wat baat het als er geen transportmiddelen beschikbaar zijn.
En wanneer er geen voedsel is voor het vee, vermindert de veestapel en wordt zoo de mensch getroffen, want ook het vee gaf Hij tot spijze voor den mensch.
Onze tijd leert dit alles wel op gevoelige wijze en dan staan wij toch nog pas aan het begin van de geweldige crisis die ons werelddeel doortrekt als een orkaan, weg stormend veel dat onvernietigbaar scheen.
De koning zelf wordt van het veld gediend.
De Schrift laat ons ook zaaiing en oogst zien in religieus licht, zoodat de Godvruchtigen ook op het veld de hand en de majesteit des Heeren opmerken. De hemel zal de aarde verhooren en die zal het koren en de most verhooren. De
De oogsttijd is weer ten einde in ons land, althans wat de granen betreft.
Nog enkele andere veldgewassen wachten op het inzamelen in schuur en kuil. Als de profeet spreekt van den oogst, dan neemt hij daaruit aanleiding om op te wekken tot de vreeze des Heeren: Evenwel zeggen zij niet in hun hart: laat ons nu den Heere onzen God vreezen, die de weken en de gezette tijden van den oogst bewaart. Om den mensch het verwijt te maken, dat hij van de beesten kan leeren en zich moet schamen over zijne zonde, zegt de Heere: de kraan en de zwaluw nemen den tijd hunner aankomst waar; maar... mijn volk verstaat niet!
Heden willen wij samen naar den akker gaan om een oogsttafereel gade te slaan, dat ons niet alleen onderwijst van de onderrichting des Heeren van den landman maar ook geestelijk onderwijs biedt in de wegen des Heeren.
Eenmaal ging Jezus door het gezaaide en zeide beteekenisvol tot Zijne discipelen: het zijn nog drie maanden tot de oogst; de velden zijn wit om te oogsten, doch de arbeiders zijn weinige, bidt den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in zijnen wijngaard uitstoote. De Koning der Kerk die leefde in de dingen zijns Vaders neemt in het natuurlijke aanleiding om te handelen over het geestelijke.
Zoo mogen wij ook doen in hetgeen onze text leert van het gebeuren op de velden van Boaz, rondom het oude Bethlehem.

Op den akker van Boaz.

Het was in den tijd der Richteren toen Boaz leefde, al weten wij niet in welken tijd van deze vierhonderd-jarige periode, waarin Israël het vaak zwaar had om zijne zonde.
Gij weet wel, dat Naomi terug keerde uit Moab in den tijd van den gerstenoogst naar Juda, haar vaderland en Ruth met haar meekwam. Dit alles laten wij thans rusten en veronderstellen de geschiedenis als bekend. Anders leest ge het Boek Ruth nog maar eens aandachtig na.
Daar rondom Bethlehem waren vele vruchtbare akkers van tarwe en gerst. Blijkbaar had het land rijk gedragen. De gerstenoogst was in vollen gang, terwijl enkele weken later ook de tarwe rijp was om te maaien en in in te zamelen in de schuren.
De velden waar wij ons heden heen begeven behooren aan een zekere Boaz. Een man, die Gods wet lief had en den God van Israël beminde, wat hij toonde door woord en daad.
De God van Israël heeft in ruime mate voorzien in de behoeften van zijn bondsvolk De Heere heeft ook ruimschoots voorzien in de behoeften van de arme Naomi, die vol heen toog naar de velden van Moab en als arme weduwe wederkeerde naar haar eigen land. Veel had zij verloren, haar man en beide zonen, terwijl ook hare schoondochter Orpa terugging na hare schoonmoeder tot de grenzen van haar land te hebben begeleid. Zij keerde weenende terug maar... ging toch niet mee om den God harer schoonmoeder te leeren kennen in de erve der vaderen.
Ruth zal geen berouw hebben van hare hartelijke keuze om met Naomi mee te trekken: uw God is mijn God, uw volk is mijn volk. Zeker, zij zal moeten leeren wat de inhoud harer woorden vereischt aan zelfverloochening en ontbeering maar zal ervaren, dat de God van Israël rijk wil zegenen óók de vreemde, die niet uit Israël was, maar wel kon worden ingelijfd om volkomen Israëlitische te worden.
Zij was de gelukkige, die van Jehova's goedheid ontving; Boaz de bevoorrechte uitvoerder van Gods genadige beschikking over Ruth en Naomi.
Boaz is hier de milde verzorger van het arme en ellendige.
Deze Boaz nu is type van den Heere Jezus, gelijk hij door zijn huwelijk met Ruth een voorvader is van den Heere Jezus, naar het vleesch.
Boaz, zijn naam beteekent: in hem is kracht. Een der beide pilaren in den tempel droeg ook dien naam. God zelf wordt een krachtige held geheeten en Jezus is de sterke held in wien voor Israël hulp is beschoren.
Deze Boaz zou de losser zijn van Ruth, toen de naastbestaande dien plicht niet op zich wenschte te nemen. Hij voerde het besluit uit van Isrels God. Zijn mildheid ging ver uit boven hetgeen de wet voorschreef.
In Jezus is kracht. Droeg Hij niet den centenaar-zwaren last van Gods toorn tegen de zonde? Hij droeg meer weg naar het kruis dan Simson, toen hij de poorten van Gaza wegtorste op zijn sterke schouders.
Hij legt het verloren schaap op zijn schouders en draagt vroolijk zijn last naar de kooi. In ons is geen kracht, maar in hem des te meer! Daarom was het een vertroostend woord voor Paulus toen Hij den Heere driemaal had gebeden: mijne kracht wordt in zwakheid volbracht. Ja, zijne is de sterkte. Hij is een held, die glorie won en zijnen liefhebbers doet beërven wat bestendig is.
Deze Boaz nu woonde in Bethlehem, het broodhuis. Zeker zoo genaamd omdat het veel broodgraan opleverde. Daar zou eenmaal in toekomende eeuwen neerliggen in de kribbe, Hij die het brood des levens is. Bethlehem, het stedeke waar Davids huis zou wonen, gesproten uit het huwelijk van Boaz met Ruth, de Moabietische.
Micha zou profeteeren: Gij Bethlehem Ephratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda; uit u zal mij vootkomen, die een heerscher zal zijn in Israël, wiens uitgangen zijn van ouds van de dagen der eeuwigheid.
Deze Boaz dan heeft uitgestrekte akkers rondom Bethlehem. Mijne is de wereld en hare volheid, kan Jezus zeggen ook al is Hij arm geworden. Het vee op duizend bergen is het zijne. Zoo mij hongerde zou Ik het u niet vragen.
Aan vader Izaak werd beloofd, dat het vette der tarwe zijn deel zou zijn en de dichter van Psalm 81 getuigt: Hij zoude het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja. Ik zoude u verzadigd hebben met honing uit de rotsteenen.
Jezus, de meerdere Boaz, kan niet alleen zeggen van voedsel en kleeding en deksel: uw hemelsche Vader weet, dat gij alle deze dingen behoeft, maar ook: Ik ben het brood des levens. Hij heeft rijke akkers, Evangelievelden met golvend koren. Daar staan schoven van kostelijke tarwe. En het land draagt bij handvollen. Zie eens naar de garf van vrije genade. Als deze aar wordt gegeten, worden wij gespijzigd tot verzadiging toe.
Daar is de halm der verkiezende liefde en verbondstrouw des Heeren. Elke aar is als een belofte van de schatten des verbonds. Terwijl wij naar een goed en ruim land reizen, overvloeiende van melk en honing, eten wij broodgraan van de velden van onzen hemelschen Boaz. Is er een handvol koren in het land op de hoogten der bergen, de vrucht daarvan zal ruischen als de Libanon en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde. Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid.
Daar is het plaatsbekleedend lijden en sterven van den Zaligmaker. Kom, voedt u hiermee, gij die hongert en dorst naar de gerechtigheid. De oogst is hier niet afhankelijk van het weer: De zon der gerechtigheid maakt het graan rijp en zoo wordt hijzelf het brood want wat Hij gestorven is, is Hij der zonde eenmaal gestorven en wat Hij leeft, leeft Hij Gode. Wie mij eet, zal in eeuwigheid leven.
Zijn Woord is het koren-veld waar wordt gemaaid en geoogst. Is het een mijn dan is Hij het goud van Ophir om ons rijk te maken. En dit goud wordt opgedolven uit den schat des Woords. Is Hij eene wel dan putten wij uit deze wateren om de schare drinken te geven. Is Hij de opperste herder der schapen, dan doet Hij grazen in de weiden zijns Woords. Wat is al niet in onzen Jezus te vinden.
Het gebed gaat op tot den Heere des oogstes om maaiers en arbeiders; binders en zaaiers, want het Woord is ook een zaad, dat levend en kiemkrachtig wordt bevonden.
Deze Boaz heeft maagden en maaiers die tot zijn huis behooren, en Hij onderhoudt hen van hetgeen waarin zij hem dienen. Van den akker en dorschvloer, van de wijnpers en de put der wateren.
Laten zij maar in het zweet huns aanschijns zaaien en maaien en opbinden terwijl de oogstliederen weerklinken langs Bethlehem's heuvelen.
Welk een voorraad is er toch op Boaz' akker! Soms lijkt het wel of de maaiers slechts enkele halmen plukken, en ze bekijken, maar geen schooven vallen onder hun sikkels.
Zoo was het op den akker van Boaz niet. De maaiers overzagen het wijde korenveld en spanden zich in om veel te maaien. Weest niet traag in het benaarstigen.
Zie daar den schoof van de volharding der heiligen. Elke aar is een belofte des verbonds. Maar ze moet afgesneden, de korrel verwerkt worden, zullen wij het als voedsel onzer ziel genieten en er van leven.
Ook groeit op den akkergrond van onzen Meester geen onkruid. Kom, wrijf die aar eens uit en eet de korrels op: Ik ben bij u. Uw hart worde niet ontroerd.
Laten toch Gods maaiers uitdeelers zijn van de menigerlei genade Gods.

De oogstmaaltijd op het veld.
Als het nu etenstijd was...
Gods maaiers en maagden hebben op tijd hunne maaltijden, ook als zij maaien en niet pas als de oogst binnen is. Zie, daar op den akker van Boaz komen de maaiers en maagden samen om te eten, opdat zij gesterkt worden tot den arbeid in het veld.
Zoo mogelijk onder een breed vertakten boom zitten zij neder om beschut te zijn tegen de brandende Oostersche zon. De dorschende os, zoo schreef de wet voor, zult gij niet muilbanden. Zorgt God ook voor de ossen, vraagt Paulus. Ja zeker en dan maakt hij de toepassing: wie het Evangelie bedient zal van het Evangelie leven.
Hij heeft dengenen, die hem vreezen, spijs gegeven; Hij gedenkt zijns verbonds in der eeuwigheid.
De Heere geeft niet alleen groot loon op het einde aan zijne dienaren, maar ook zegent Hij mildelijk tijdens hun arbeid. Hij is hun schild en hun loon. hun overvloedig goud en hun krachtig zilver. Hij verzadigt hen met het goede van zijn huis, het vette van zijn paleis. Het behaagt den Heere zijne knechten tweemaal te betalen en vele malen te onthalen.
De vredige maaltijd is in het Woord beeld van de heerlijke en zalige geneuchten, die in de gemeenschap Gods worden gesmaakt.
Zalig, als de Heere ons een gedurige maaltijd is geworden.
In de bediening des Woords is een rijke maaltijd geschonken aan zijne Kerk telkens weer. De discipelen ontvingen de brooden, gebroken door Jezus eigen hand en Hij beval: geef gij hun te eten. Zij mochten uitdeelen aan de schare. W i j kunnen geen enkele ziel voeden, maar als het den Heere belieft den voorraad zijns Huizes te zegenen, dan zal Hij hen verzaden reis op reis. Ik ben dat brood, dat uit den hemel nedergedaald is. Oogstarbeid op de velden van Boaz, en op tiid een goeden maaltijd.
In de stille overpeinzing van Gods Woords is een maaltijd des harten.
Eten wat op zijn akker groeit. Leven van het gemaaide. In zijn Woord is een Benjaminsgerecht als de Geest afdaalt.
en maaltijd in verzuchting des gebeds aan Gods troon. Daar maait menigeen een schoof en bindt hem op. Eten tot verzadiging toe.
Ik heb uwe inzettingen gekozen tot mijne eeuwige erve; ze zijn mijns harten vroolijkheid.
Ook aan zijne Tafel wil Hij ons spijzen en laven met het brood en het water des levens.
Hij voert mij in het wijnhuis en de liefde is de banier over mij. Ik moge zijn als Mephiboseth, kreupel en veracht, toch mag ik aanzitten aan den disch van Koning David.
Hij is gekomen, opdat zij leven en overvloed hebben. Op het veld van Boaz en met Bethlehem tot middelpunt zijn wij overal op Vaders grond.

Hij was het, die mijn ziel verheugde,
ij was mijn licht en kracht;
Hij was de kern van al mijn vreugde.
Ook in den donkeren nacht.

Gods maaiers en maagden mogen de hitte des daags verduren, aan verademing, schaft en rusttijden ontbreekt het hun toch niet. Soms gaan de maaltijden onze beproevingen vooraf, soms volgen zij erop. Dan weer genieten wij voor en na.
Wij dienen een goeden Heere, die mildelijk geeft en; niet verwijt.

O, voor al het goud der aarde,
W a t de wereld mij ook biedt,
Voor haar schat, hoe klein in waarde!
Ruil ik mijne schatten niet.

Ruth wordt genoodigd aan te zitten met de maagden en maaiers aan den landelijken disch. Door wien wordt zij genoodigd?
Boaz zeide: kom hier bij en eet van het brood en doop uwe bete in den azijn.
W i j vernemen dus. dat Boaz zelf aanwezig is op het veld tegen den maaltijd. In vers 4 lezen wij, dat Boaz zijne maaiers kwam bezoeken. En ziet, Boaz kwam van Bethlehem om naar zijne maaiers te zien. Zij hadden reeds van den vroegen morgen gearbeid.
Hij zeide tot de maaiers: De Heere zij met ulieden.
Hij begroet zijn werkvolk met een zegegroet. Deze groet houdt verband met den zegen die Aaron moest leggen op het volk, na het brengen der offers. Er blijkt een goede, hartelijke verstandhouding te zijn tusschen werkgever en arbeiders. Een verhouding, die gedragen wordt door den grondslag der religie. Heden is zooiets geen gewoonte. De naam des Heeren staat vrijwel buiten den arbeid en de levensverhoudingen. Hoe vreemd zou men heden opzien bij een dergelijke groet. Ons leven is steeds meer van den glans en de kracht der religie vervreemd.
In onze materialistische levensverhoudingen is voor den Heere geen plaats. En het moet met schaamte beleden ,dat ook onder de kerkmenschen, ja, zelfs christenen van de schriftuurlijke levensorde op dit gebied weinig valt te zien. Dat is een aanklacht. Bewijst, dat wij wegzinken in den poel van het materialisme. Daarom komen Gods oordeelen vroeg of laat over land en volk en zal allereerst de Kerk zich moeten bekeeren wil de weg vrij komen voor betere levensverhoudingen.
Een andere orde, die even godvergeten is in hare beginselen kan dit niet veranderen. Het is materialisme in anderen vorm. Arbeid, brood en levensvreugde. W i e er God nog bij kan gebruiken mag dit misschien doen, maar tegen dit alles heft God Zijn vinger dreigend omhoog. W i e God verlaat, heeft smart op smart te vreezen, maar wie op hem vertrouwt, op hem alléén, ziet zich omringd door zijn weldadigheden.
Wat niet is naar het Woord, zal geen dageraad hebben en draagt de kiemen der versterving in zich bij de geboorte; gaat te gronde als het heeft uitgediend in Gods raad. Velen zeggen: wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons, o Heere, het licht uws aanschijns. Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ten tijde als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.
Dan mogen wij ook ervaren: Ik zal in vrede tezamen nederliggen en slapen, want Gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen.
Hij zeide tot de maaiers: De Heere zij met ulieden. Hier spreekt het Godvruchtig gemoed. Boaz is zich bewust, dat de arbeid moet geschieden in de kracht Gods en hij heeft behoefte. dit openlijk uit te spreken. Hij w;et, dat de Heere zijn bondsgod alleen den oogst kan zegenen en zijn maagden en maaiers kan sterken tot den arbeid. Hij groet zijn maaiers en maagden met een bede waarin alle zegen wordt toegebeden, die zij noodig hebben.
Laten wij wel bedenken: indien zij niet spreken naar het Woord, zal het zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben. Tot de wet en tot de getuigenis!
De maaiers luieren niet wanneer zij den meester maar niet verwachten, doch arbeiden als ware het hun eigen akker. Zij leven mee met hun meester den landeigenaar en spannen zich voor hem in.
De arbeid toch is een zegen als is zij dooiden vloek getroffen om der zonde wil. In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten. De arbeid is een zegen, doch werd steeds meer als een vloek gezien. Weinig arbeiden, veel verdienen en dan... van het leven genieten door middel van het loon. De zegen in den arbeid werd veracht en daarom sloeg God de wereld met werkeloosheid en aan de andere zijde laat hij den mensch zich in zijn werk verteeren en door zijn werk vergaan. De oorlogen leeren het met ontstellende klaarheid.
De waarheid is veelzijdig. W i e eenzijdig is doet haar tekort, is niet schriftuurlijk. Boaz heeft het rechte inzicht in den arbeid en den oogst, in het leven omdat hij alles ziet in eeuwigheidslicht, in het licht der religie van den waren God, Jehova.
In dezen groet worden maaiers en maagden verkwikt. Het is hun als een maaltijd. In het aardsche leven wordt ingedragen de zegen der eeuwige dingen, die ons kracht en moed geven om voort te arbeiden.
Maar in dezen groet van Boaz beluisteren wij het geluid van Jezus, die de zijnen bezoekt, wiens komst ons heil volmaakt. In den arbeid en de moeite des levens. Mijn vrede geef Ik u, niet gelijkerwijs de wereld dien geeft. Bij hem is sterkte en kracht; zijn gunst sterkt meer dan uitgezochte spijzen. Zalig, wie arbeiden mag op de velden des Evangelies en gedurig den groet van Jezus mag vernemen in zijn hart. Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort. Hij versterkt den inwendigen mensch. Hij kan zegenen gelijk wij in hem gezegend zijn met alle geestelijke zegening van boven. Hoe antwoorden de maaiers?
De Heere zegene u!
Gezegend zij de groote Koning, die tot ons komt in 's Heeren naam. Als Hij op het veld komt weerklinken de oogstliederen. Dan is er vreugde in het hart, ook al drupt het zweet van 't gelaat. Dan kan worden gesproken van een goddelijkberoep zooals ons oude huwelijksformulier daarvan spreekt.
Het moet ons een beschamend genot zijn, dit landelijk tafereel in de velden van Bethlehem op den akker gade te slaan. Hier is de vreeze Gods.
Straks komt er nog een andere oogst, de oogst der wereld. Sla den sikkel aan; want de oogst der aarde is rijp geworden. Daar moeten wij in deze dagen wel bijzondere aandacht aan besteden. W i j hooren toch het ruischen van de voetstappen onzes Konings in de geweldige dingen die bezig zijn zich te voltrekken in het leven der volkeren. Dat wij mogen staande blijven, de lendenen omgord en de kaarsen brandende, als die op hunnen Heere wachten. Dan pas zien wij het wereldgebeuren in het rechte licht en worden niet bewogen door allerlei wind van leer en ijdele bespiegelingen, die niet opkomen uit de eeuwige waarheid van Gods Woord.
Hebben wij stil gestaan bij den akker van Boaz en het oogsten, laten wij nu onze aandacht bepalen bij den aangerichten maaltijd.

De maaltijd van Boaz.

En Boaz zeide tot haar: Kom hier bij en eet van het brood en doop uwe bete in den azijn. Zoo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren en zij at, en werd verzadigd, en hield over.

Boaz heeft gezorgd, dat op tijd de maaltijd is aangericht en noodigt aan te zitten. Geen wonder, dat maaiers en maagden hongerig zijn en zich de spijzen wel laten, smaken.
Daar zit Boaz met zijn maaiers en maagden als een groot huisgezin; lieden van Bethlehem. Ze eten brood en onder het eten mogen zij rusten van den arbeid.
De zure landwijn dient hun als drank ter verfrissching; tevens doopen zij hun brood erin. W i e werkt en niet eet wordt hongerig en dorstig. Zijn keel wordt droog zoodat hij het oogstlied niet kan zingen. De Schrift spreekt ons immers van het blijde zijn als in den oogst. Maaiers en maagden kennen dat aanzitten met Boaz wel. Het zijn de beste tijden van den dag. Zijn groet en zijne tafel zijn beide een verkwikking.
Huisgenooten zijn bij Boaz ook dischgenooten. Maar in veel rijker zin is dit alles waar bij onzen meerderen Boaz, Christus Jezus.
Hoe menigmaal heeft Hij zijn gunst betoond. Hij richt de tafel toe en maakt ons hoofd vet met olie. Hij zet het brood des levens op tafel. Ja, Hij is dit zelf. Daarom kon Hij zeggen: wie mij eet zal in eeuwigheid leven. Hij noemt zich het water des levens, en is dit ook.
Maaltijden met Jezus, zooals Hij vanuit de heerlijkheid aan Johannes op Patmos verklaarde; Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop, zoo iemand mijne stem zal hooren en opendoen: Ik zal tot hem inkomen en Avondmaal met hem houden en hij met mij.
Als het nu etenstijd was...
Hij bereidt een vetten maaltijd en de wijn zijner geneugten ontbreekt niet. Reine wijnen, die gezuiverd zijn zeven maal. Het broodgraan wordt schaarsch in onze dagen. En wie zal zeggen wat de toekomst brengen zal? Maar ook in duren tijd en hongersnood blijft de Disch van dezen Koning wel voorzien. Geen surrogaten komen op tafel, want er is een onuitputtelijke overvloed, die niet kan bederven noch worden vernield.
De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den Heere prijzen, die hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
Deze maaltijd, genoten op Boaz' veld, geeft moed en kracht om voort te arbeiden. Maar om dien maaltijd te bereiden moest Hij zelf hongeren en dorsten; zijne ziel uitstorten in den dood. Geen wonder, dat de aanzittende huisgenooten met ontroering eten en drinken, de spijze en drank ten eeuwigen leven. Want wij hadden verdiend van honger te vergaan en van dorst te versmachten.
Kent gij honger en dorst naar deze spijzen? Hebt gij gegeten en gedronken aan zijne tafel? Zie daar op het veld van Boaz maaiers en maagden bijeen aan den disch in het open veld! Zij mogen genieten van de milddadigheid van hun meester, die bij hen gaat zitten en mee eet van den eenvoudigen maaltijd. Zij stellen geen hooge eischen maar zijn tevreden met hetgeen gereed is gemaakt.
Gods mede-arbeiders mogen de hoogste eischen stellen aan den Disch ook al is het, dat zij alleen rechten der genade kennen. En... hunne stoutste verwachtingen worden overtroffen. De Heere is mijn deel, zegt mijne ziel. Hij deelt uit in overvloed.
Een vetten maaltijd op het veld zijner inzettingen verkwikt ons.
Kom hier bij en eet van het brood!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 september 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Op den akker van Boaz I

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 september 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken