Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De houding jegens de overheid III

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De houding jegens de overheid III

Romeinen 13 vers 1—7.

12 minuten leestijd

Paulus had de waarde van een krachtige regeering leeren op prijs stellen, zooals die in zijne dagen door het Romeinsch gezag werd geoefend, ook al heeft hij ervaren, dat zelfs in dat strenge regiem met zijn orde en alle levensvormen omvattende wetgeving óók corruptie niet ontbrak en het recht werd verkracht om de gunst. Eveneens heeft hij moeten ervaren in die heidensche rechtsorde, dat hij werd vervolgd en ten slotte den martelaarsdood stierf, omdat hij Gode meer gehoorzaamde dan den menschen.
Toch blijft zelfs in zulke tijden van vervolging de overheid hare beteekenis houden, voor algemeene orde en wetgeving, bescherming van goed en leven der onderdanen, temidden van die vervolgingen.
Juist merkt wijlen Prof. van Leeuwen op: „als hij handelt over dengene, die den antichrist weerhoudt, dat de Romeinsche rechtsorde hieronder begrepen is: Zoo is hetgeen weerhoudt en die weerhoudt datgene en diegene, die naar Gods bestel in tijden van benauwenis voor zijne Kerk, de hand over haar uitstrekt, en haar althans nog eenige ruimte maakt.
In het algemeen is het, zouden wij kunnen zeggen, die macht in het leven der wereld, en zijn het de representanten van die macht, waardoor een geordende staat van zaken nog mogelijk is en in stand blijft.
Wij mogen dus denken aan de werking der algemeene genade Gods, waardoor Hij eene overheid, en geordende regeering, een geregelde staat van zaken doet in stand blijven. De anarchie en de chaos, daarop stuurt de geest uit den afgrond het aan." (v. Leeuwen, Paulus' Zendbrieven aan Efeze enz. bl. 432).
Wij kunnen hieraan toevoegen, dat natuurlijk óók de antichrist een straffe orde zal handhaven onder de volkeren, teneinde den chaos in te luiden, waar de wanorde de orde is. Daarin zal ook systeem zijn. De wettelooze voor zichzelf is tyran voor allen.
De apostel Paulus wijst er ons dus op, dat de instelling der overheid mede dient tot heil van wie goed doen. Zij is eene goddelijke beschikking ten gunste en ter bescherming van wie naar 's Heeren wil handelen. Dan is zij eene goede overheid en zal zij ter verantwoording geroepen door den God van hemel en aarde, niet beschaamd staan.
In vers 4 legt Paulus nadruk op haar verantwoordelijke taak jegens God. den oppersten Souverein:
„want zij is Gods dienaresse, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees: want zij draagt het zwaard niet te vergeefs, want zij is Gods dienaresse, eene wreekster tot straf dengene, die kwaad doet."
De overheid is dienaresse Gods en niet van het creatuur.
Daarom is die democratie, welke rust in de beginselen der revolutie en de stelling huldigt, dat de overheid uitvoerster is van den volkswil, waarbij de helft plus één beslist, als onschriftuurlijk te verwerpen. Dit geldt echter alleen van de democratie, die wortelt in de Fransche revolutie, want er is ook eene democratie, die niet bedoelt het gezag der overheid te laten rusten in het volk, doch zoowel volk als overheid bindt aan de ordinantiën Gods; ieder voor zich naar eigen orde en in hun wederkeerige verhouding. Dr. Kuyper gaf hierover waardevolle opmerkingen, waar ik den lezer in dit verband opmerkzaam op wil maken. Want ook voor onze beschouwingen voor heden en toekomst hebben zij beteekenis.
In een polemiek met de Gids van April 1871 wijst hij hierop. Enkele passage s nemen wij hieruit over ter orienteering, tevens ter verklaring van dit vers uit Romeinen 13. In een tweetal artikelen onder het opschrift: Tweeërlei Democratie gaat de schrijver in op het Gidsartikel. (Te vinden o.a. in: Ons Program, bl. 1114—1116).
Het gaat over gezag en vrijheid voor overheid en volk. Hij schrijft: „Onze richting gelooft, dat het gezag van Boven komt, en dat de overheid daarom door ons moet worden geeerbiedigd, wijl zij niet willekeurig, door zich zelve of door de wufte stem der menigte, tot regeeren geroepen werd, maar door God zelf, in zijnen naam met die taak is belast.
Doch onmiddellijk naast het geloof aan den goddelijken oorsprong van het gezag stelt zij deze onomstootelijke waarheid, dat de overheid zelve op hare beurt eerbiedig buigen moet voor het hoogste gezag, voor het gezag van God zelf, gelijk dat in zijn Woord zich uitspreekt, en dat zij dus ruimte laten moet voor het geweten, om de uitspraken van dat Woord te hooren niet slechts, maar er zich naar te gedragen in het leven. Onderwerping aan het gezag der overheid om Gods wil, maar ook eerbiediging door de overheid van het gezag Gods, gelijk zich dat aan het geweten van den onderdaan openbaart, zijn de beide lijnen, waarlangs zij zich beweegt. Daarom erkent zij het recht van den onderdaan om de regeeringsdaden te controleeren en met gepasten eerbied, maar met fierheid en beslistheid tevens, zijn rechtmatige wenschen aan de overheid te doen kennen...
Dan wijst hij op Groen, die tegen het liberalisme de waarheid staande hield, dat alle macht uit God is en zijn plaatsvervangster op aarde. Tegen de regeering daarentegen van Willem I bijvoorbeeld bepleitte hij het recht des gewetens om inzake den godsdienst geen menschengezag boven zich te dulden en alleen rekenschap van zijn doen te geven aan God. (Groen).
Groen van Prinsterer keerde zich tegen de revolutionaire democratie (volksregeering), maar voor elke staatsorde is de grondslag verwerpelijk, dat het gezag niet rust op Gods gezag, doch op het volk, den staat, den koning, of welke andere staatsvormen er nog meer mogen zijn. Groen zegt: Het staatsrecht, gelijk het vroeger altijd bestond, sluit geen soort van gouvernement uit, gelijk de revolutieleer zich evenmin óf aan monarchale óf aan republikeinsche vormen verbindt. Het onderscheid ligt in het al dan niet erkennen van wezenlijk gezag en daarom is het Christendom, schoon het alle staatsvormen duldt, onvereenigbaar met eene theorie, die elke plichtmatige ondergeschiktheid en daarmede inderdaad Gods ordening verwerpt." Ook Groen onderscheidt tweeërlei democratie en merkt op: Volksinvloed begeer ik. Volksregeering niet. Gezag van de Kroon, invloed van het Volk.
Zoo moet dus de overheid gelijk de volkswil gebonden worden aan Gods Woord. De Gids gaf een lofspraak op de democratie dier dagen en schreef: dat Gods wereldorde reeds duidelijk wees op de toekomstige volledige zegepraal der democratische beginselen. Is dat wel waar? vraagt Dr. Kuyper.
Nu, na zeventig jaren, zien wij hare ineenstorting, omdat zij lag onder den ban van Gods oordeel, wijl gegrond in het recht van den mensch in de Fransche revolutie verheerlijkt en tot stelsel verheven.
Maar er is tweeërlei democratie. Daarom wordt de vraag gedaan: Welke democratie bedoelt gij? die van het hedendaagsche frankrijk óf van Amerika?
Van Tocqueville of Mirabeau? Van 1889 of van onze kloeke vaderen? Want dat er een diepgaand verschil is in wezen tusschen beide, zal niemand ontkennen.
De Fransche democratie is in wezen door en door ongodsdienstig, verzet tegen alle macht en gezag, dat aan niets anders zijn recht wil ontleenen dan aan den wil der meerderheid, den wil van het souvereine volk."
Door de leuze: vrijheid, gelijkheid, broederschap, bleek dat men de ordeningen Gods verwierp in de staatsorde.
Onze Vaderen echter leerden een democratie op voorgang van Calvijn, welke in Gods wereldorde wortelde. Elke staatsvorm zal dus getoetst moeten worden aan Gods Woord, hetzij zij democratisch heet of een anderen naam draagt. En wat niet naar dat Woord is, draagt de kiem der ontbinding in zich. De moderne democratie voerde tot versplintering op het gebied der partijen, terwijl ook het vrije-Kerkendom aansluit bij het individualisme dier revolutionaire democratie.*)
Paulus legt er nadruk op, dat de overheid Gods dienaresse is. Dus hem moet dienen naar zijn ordinantiën. Dit geldt voor eiken regeeringsvorm. En die ordinantiën leggen beslag op volk en overheid beide. De idealen, die worden nagestreefd, moeten dan ook in schriftuurlijk licht worden gezien om ze op hun gehalte te toetsen. Laten degenen, die daartoe de bekwaamheid hebben, zich aan deze taak niet onttrekken. Dit is Gods gebod! God heeft er recht op, het volk vraagt erom.
Op de gedachte: zij is Gods dienaresse komt het zoozeer aan, dat het in dit vierde vers tweemaal wordt gezegd, om het den christenen te Rome en alle christenen in te scherpen en voor alle eeuwen vast te leggen. Zij is Gods dienares (diakoon), niet omdat zij Gode diensten bewijst en Hij haar noodig heeft, maar omdat zij van hem hare taak ontving, door hem werd aangesteld, werkzaam is in zijn dienst.
AI is het, dat de Overheidspersonen het niet willen erkennen, toch is het zoo: zij is Gods dienaresse. Het feit is niet anders.
God bedient zich van haar ten behoeve der menschen. Gelukkig de overheidspersoon, die zóó zijn taak ziet en vervult: ik ben dienaar Gods, ben hem verantwoording schuldig. Die zal wijsheid van God begeeren, veelvuldig zijn knieën buigen en vragen: wat wilt Gij, dat wij doen zullen?
De lezer zal nu begrijpen hoe de taak der overheid moet worden verstaan naar Gods Woord. Wie God verlaat heeft smart op smart te vreezen, dat geldt voor volk en overheid.
„Al handelen (zoo merkt Greydanus op) overheidspersonen ook menigmaal verkeerd en onrechtvaardig en benauwen en vervolgen zij zelfs dikwerf wie in den Heere Christus gelooven en leven willen naar Gods Woord, gelijk de apostel daar ook zelf door eigen ondervinding kennis van had, zoo neemt dit niet weg, dat de overheid tot roeping heeft, wat hier genoemd wordt, en dat zij als zoodanig en door velen van wie met hare macht bekleed zijn, ook metterdaad zoo werkt, gelijk het in deze verzen voorgesteld wordt."
Wie dan ook het zedelijk ongeoorloofde doet, heeft reden tot vreezen voor de overheid. Dan zal u straf treffen, althans hebt gij die verdiend.
De apostel denkt hier bij het kwade aan misdrijven, want hoe kon hij er anders op laten volgen: want zij draagt het zwaard niet te vergeefs, want zij is Gods dienaresse, eene wreekster tot straf dengene die kwaad doet.
Niet voor niets draagt zij het zwaard. In Gods dienst is de overheid een wreekster om toorn, strafoefening te brengen over den kwaaddoener.
Het woord dragen (van het zwaard) wijst op het bestendige; het dragen als een kleed. De overheid is met het zwaard, dat is met de bevoegdheid en macht om te straffen, desnoods met den dood, bekleed.
Het zwaard is dan zinnebeeld van het beschikkingsrecht over leven en dood. Natuurlijk zal de overheid het leven van den mensch niet licht achten, noch hem slechts beteekenis toekennen als moment in het geheel, doch zijn persoonlijkheid hoog achten, omdat de menschen er niet zijn terwille van den staat, maar de staat terwille van de menschen en, beide onderworpen aan den levenden God, die beschikt over staten, volken en personen, naar zijn welbehagen. De Rechter der aarde doet recht!
De overheid heeft dus het recht over leven en dood der onderdanen in gebondenheid aan het recht. Het meerdere sluit het mindere natuurlijk in, zoodat ook lichtere vergrijpen gestraft moeten worden. Tot straf dergenen die kwaad doen. Aan hem, aan ieder die kwaad doet, die er op uit zijn om kwaad te doen, met boos opzet.
In dit vers wordt het recht en het wezen der straf duidelijk naar voren gebracht. De grond van het gezag der overheid wordt gelegd in God. Ook de grond van het strafrecht. De toorn Gods over de zonde moet op haar terrein door de overheid worden gestraft. In de straf is dus wel degelijk het element der vergelding voor het geschonden recht. Daarom zal de overheid hare verordeningen steeds moeten toetsen aan de eischen, die God haar heeft gesteld, wil zij niet tot willekeur komen en haar gezag stellen boven Gods gezag over de menschen.
De straf is niet eene beveiliging der maatschappij, maar vergelding voor het geschonden recht. Alleen als de overheid zich als dienaresse Gods kent, heeft haar gezag een hechten grondslag. Anders wankelt op den duur elke bewindsvorm en stort te zijner tijd ineen.
Grond en maatstaf (zoo zegt Prof. v. Leeuwen terecht) voor de straf is dus niet het belang of de veiligheid der maatschappij, wat natuurlijk leiden moet tot de opvatting van een klasse-belang, maar de positie en roeping der overheid als dienaresse Gods. Dat met een richtige handhaving van het recht, bij een recht verstaan van de roeping der overheid de orde en veiligheid en het belang der maatschappij het best gediend zijn, ligt in het wezen der zaak.
Doch dit wettigt nog niet, dit belang der maatschappij tot den rechtsgrond voor de straf, het strafrecht en de strafwetten te maken.
Maar ook 't volgende moet opgemerkt worden.
Evenmin laat het zich met Gods Woord overeenbrengen wanneer niet de maatschappij, maar de staat het hoogste wordt en gestempeld wordt tot eene macht, die zich boven God stelt en autonoom zich stelt boven Gods wet. Dan is verordening recht, omdat het bevolen is door den staat. Het nut van den staat is dan norm der wetgeving, ook al blijft de vraag, wat het nut van den staat dan is. Maar genoeg in dit verband.
Paulus handelt hier dus mede over de doodstraf, waarvan Calvijn opmerkt: „Dit is eene belangrijke plaats om het zwaardrecht te bewijzen; want, indien de Heere door de overheid met het zwaard te wapenen, haar ook het gebruik daarvan heeft bevolen, gehoorzaamt zij aan zijne geboden door de wraak des Heeren uit te voeren, zoo vaak zij schuldigen met den dood straft. Derhalve strijden zij tegen God, die meenen, dat het niet geoorloofd is het bloed van misdadige menschen te vergieten."


*) In dit verband konden wij slechts schriftuurlijke lijnen uitstippelen en behoeven niet nader stil te staan bij de verschillende staatsvormen. Calvijn spreekt in zijn werken dikwijls over deze vragen, evenals vele andere oude theologen. Een zeer lezenswaardige verhandeling over verschillende staatsvormen (monarchie, aristocratie, democratie en gemengde vormen) gaf ook dc boezemvriend van Calvijn, Pierre Viret, als inleiding op zijn verklaring van de 10 geboden. Hij laat daarin zien voor- en nadeelen van deze staatsvormen (P. Viret: Les diverses formes de gouvernements. Instruction chrestienne. 1564; 1. p. 249 et suivantes). Omdat wij in crisistijd leven, omwentelingen op groote schaal meemaken, is het dubbel noodzakelijk zich op dit terrein grondig te scholen in de schriftuurlijke beginselen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 september 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De houding jegens de overheid III

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 september 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken