Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De houding jegens de overheid V (Slot)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De houding jegens de overheid V (Slot)

14 minuten leestijd

Nog enkele slotopmerkingen willen wij maken over de bepaling van onze houding jegens de overheid en haar van God besteld gezag en onze levenshouding in het algemeen.
Van de hand wijzen wij de opvattingen van Karl Barth en zijn school. Deze meent toch, dat van een positieve waardeering der overheid geen sprake kan zijn. Hij geeft aan de pericoop van Romeinen 13 dan ook het veelzeggende opschrift: De groote negatieve mogelijkheid (Karl Barth: Der Romer-Brief. Vierter Abdruck der neuen Bearbeitung 1926, S. 459—475). Al aanstonds valt het ons op, dat hij hoofdstuk 13 vers 1—7 wil verklaren in het licht van het laatste vers van hoofdstuk 12: Overwin het kwade door het goede. Barth vertaalt zeker minder juist: laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin in het goede het kwade. Wat is in dit geval dan het kwade? Het kan naar de opvatting van Barth alleen zijn de over de menschen heerschende overheidsmacht. Men moet zich daaraan onderwerpen als aan een onvermijdelijk kwaad. Het wil alleen zeggen: een terugwijken, niet in opstand komen, niet omverwerpen der bestaande overheden. De bestaande orde is een kwaad, een noodzakelijk kwaad, in deze bedeeling, zoodat eigenlijk de christen ook in de overheid zijn vijand moet zien. Aldus Barth.
De overheid is echter niet ongoddelijk, zooals wij gezien hebben. Maar zij is een genadige beschikking Gods, die geen anarchie wil maar orde; de overheid is Gods dienaresse. Zij moet de rechtsorde handhaven en tevens instrument zijn voor Gods Koninkrijk in het geheel der dingen, wil zij hare taak God-verheerlijkend volbrengen. Feitelijk komt de opvatting van Barth dicht bij die van de Wederdoopers uit den reformatie-tijd en is revolutionair van aard.
De aard van dit Blad laat niet toe dit alles nader toe te lichten en met citaten uit Barth's Römer-Brief te bewijzen. Ook anderen schreven in dezen geest. Zooals K. L. Schmidt en Dehn. (In N. Th. St. van Sept. kan men hierover een artikel vinden van Prof. Brouwer).
De Kerk staat niet zonder meer tegenover den staat of de overheid; integendeel, zij erkent deze als goddelijke instellingen. Maar de staat noch de overheid mogen zichzelf als einddoel stellen en als allesbeheerschende macht, want God heeft het menschelijke leven geordend en deelt gezag uit b.v. aan ouders, waar de overheid niet aan mag raken, wil zij zich niet vergrijpen aan de ordinantiën Gods en hare bevoegdheid te buiten gaan. Reeds hebben wij erop gewezen, dat Romeinen 13 ons den algemeenen regel stelt van gehoorzaamheid aan de overheden als Gods dienaresse. Bijzondere gevallen worden daar niet behandeld, zooals bij omwentelingen; regeering en tegenregeering, enz.
De grens der gehoorzaamheid ligt in Hand. 5 : 29.
Wanneer aan personen onrecht geschiedt moge geleefd worden naar den Schriftuurlijken regel: wreekt uzelven niet, beminden, mij komt de wrake toe, Ik zal het vergelden. Zoo bindt de Schrift zoowel overheden als onderdanen aan de wet Gods en zoowel overheid als volk zullen er wel bij varen, indien zij zich door God laten gezeggen.
De waag, waar rechten en plichten in afgewogen worden, het geschiedgebeuren in de schaal wordt gelegd, zal alleen een juist gewicht aangeven, wanneer de weegsteenen des Heiligdoms worden gebruikt bij het bepalen van waarde en gewicht. Alles behoort te worden gewogen in de weegschaal des Woords. Wat niet naar het Woord is, zal geen dageraad hebben en draagt de kiem der ontbinding in zich. Daarom moeten wij er wel op bedacht zijn niet verstrikt te geraken in de theorieën der wereldwijsheid om niet meegezogen te worden in den draaikolk van het historisch evolutionisme. Het blijve: tot de wet en tot de getuigenis, ook bij politieke en sociologische beschouwingen over hetgeen zich bezig is te voltrekken in onzen geweldigen tijd met zijn machtige omwentelingen op allerlei gebied.

Romeinen 12 vers 2: en wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij.
Ook over dit vers uit den Brief aan de Romeinen willen wij nog enkele opmerkingen maken, zonder er een meditatie over te gaan schrijven. Het punt, dat wij thans in het bijzonder onder de aandacht van onze lezers willen brengen zou ik aldus kunnen omschrijven:
Het zóó-gebeuren is geen grond voor het zóó-behooren.
Wat wij bedoelen met deze onderstreepte zinsnede? Het volgende. De Heilige Schrift geeft bepaalde richtlijnen, beginselen, die den wil en de ordinantiën des Heeren voor het menschenleven kenbaar maken, in staat, maatschappij, gezin, Kerk, kortom beginselen, die het leven geheel omspannen. Naar die beginselen moeten wij het gebeuren beoordeelen op elk terrein des levens. Het Woord is de weegschaal en de weegsteenen zijn nu die beginselen van Gods Woord; zijn wil des bevels, daarnaar moeten wij ons leven richten en ons oordeel bepalen ook voor hetgeen zich in de historie voltrekt.
Wij moeten dus onderscheiden tusschen hetgeen geschiedt en hetgeen behoorde te zijn. Ik kan het ook zóó zeggen: de wil des besluits, waarnaar alle dingen geschieden, is geen grond voor den regel: het is, daarom moeten wij het aanvaarden als goed en Gode aangenaam. De zonde is er naar Gods raad en toch is zij tegen Gods wil. (Mag ik den lezer verwijzen naar onze artikelenreeks over den Wil Gods, waarin wij deze kwestie uitvoerig hebben behandeld?)
Niet: het is goed, omdat het gebeurd is. Wij mogen toch Gods raad niet maken tot een maatstaf van goed en kwaad. Staatsvormen kunnen wisselen, maatschappijvormen eveneens, maar zoowel de eene als de andere vorm blijft onderworpen aan den maatstaf van Gods wet, Zijn geopenbaarde wil.
Gij kunt berusten in een zaak, haar aanvaarden als een oordeel en haar toch afkeuren op grond van Gods wet en wil. Denk maar aan hetgeen Gods profeten steeds deden. Zij zien de geschiedenis opkomen uit Gods onveranderlijken raad en welbehagen, maar laten niet na de zonde der menschen te teekenen; den ondergang van staten te profeteeren, die toch naar Gods bestel hun taak volbrachten in het wereldleven.
Het historisch gewordene wordt volstrekt niet zonder meer aanvaard als de uitdrukking van Gods geopenbaarden wil. Het gebeurde is daarom nog volstrekt niet door God gesanctioneerd. Een feit, een aaneenschakeling van gebeurtenissen, die uit elkander volgen of een geworden instituut mag niet daarom voor normatief worden verklaard. Dit geldt van ons partijwezen, onze staatsinstellingen, maar waarlijk niet alleen voor de onze, evengoed voor de nieuwe vormen, die zich baan breken.
Het is blijkbaar noodzakelijk op deze onomstootelijke waarheid den vollen nadruk te leggen. Schrift en historie, niet als gelijkwaardig naast elkander, maar de historie, die ontstaat mede door toedoen der zondige menschen, die aan den maatstaf des Woords zijn onderworpen, moet dus ook aan dat Woord gemeten worden naar den geopenbaarden wille Gods in zijn gansche wet.
Wie dit verzuimt maakt zich schuldig aan miskenning des Woords en is niet meer bij machte de geschiedenis juist te waardeeren in eeuwigheidslicht. Men gaat goed keuren wat God afkeurt, al geschiedt het naar zijn raad, en loopt gevaar af te keuren wat God goedkeurt, namelijk te leven naar zijne inzettingen.
Met opzet zeg ik deze dingen, opdat wij allen zullen blijven bij Gods Woord, want doen wij dit niet, zoo zullen wij niet weten uit te gaan noch in te gaan. Dan stichten wij verwarring in plaats van leiding te geven, ieder naar de mate der gaven, die de Heere schonk. Én wie vele talenten heeft ontvangen, van dien zal veel geëischt worden.
Niet in de geschiedenis zelf ligt de maatstaf harer beoordeeling, maar in de Schrift.
Bij het licht des Woords moet de werkelijkheid worden gezien, niet alleen als realiseering van Gods Raad, maar evenzeer worden beoordeeld naar de maatstaven van goed en kwaad naar den wil des gebods. Die wil is ook regel van ons leven in deze wereld. En zoo kom ik tot Romeinen 12 vers 2. Een beknopte verklaring slechts willen wij in dit verband hier geven.
En wordt dezer wereld niet gelijkvormig.
Prof. van Leeuwen vertaalt: En maakt u niet gelijkvormig aan de tegenwoordige bedeeling, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw inzicht, opdat gij moogt beproeven, wat de wil Gods is, wat goed en (Gode) welbehagelijk en volmaakt is.
De apostel leert ons hier de tegenstelling kennen, waarin de geloovigen staan met de wereld. Het gaat hier over de levenshouding van den christen in het midden der wereld, waarin hij leeft. Gij zijt niet van de wereld, gelijkerwijs Ik niet van de wereld ben. Het gaat dus om het geestelijk karakter van Gods gemeente. De wereld, deze eeuw, die voorbijgaat met al hare begeerlijkheden, heeft een bepaalde houding, manier van denken en doen. Hun levenshouding mag niet worden aangepast aan die der wereld, die leeft uit eigen verdorven bestaan. Zich in levenshouding voegen, aansluiten bij de wereld, doen en laten, waardeeren, spreken en handelen, zooals zij, mag niet.
Het woord, hier door wereld vertaald, beduidt eigenlijk eeuw, wat door den tijd wordt beheerscht, de wereld. De tegenstelling is het Koninkrijk Gods, waarvan Jezus zei: mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. De wereld spreekt en denkt op zondige, met God en zijn Woord niet rekenende, tegen hem ingaande en onteerende wijze (1 : 18, Gal. 1 : 14, Eph. 2 : 1, 5 : 15, enz.).
Daarin mag de geloovige niet met haar mee doen, zich niet naar haar richten. In levenshouding, leefwijze, manier van denken, beoordeelen, handelen, moet hij zich anders betoonen, vragende naar Gods wil, zich regelende naar Gods Woord.
Daarom volgt er: maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds.
Het één moet hij nalaten, tot het ander komen en op dien weg voortgaan. Hij moet eene gedaanteverwisseling ondergaan.
Hier is dus het proces der heiligmaking wortelend in de wederbaring door den Heiligen Geest, het gelijkvormig worden aan den Heere Christus. Hun innerlijke leven moet aan Gods wet aanpassen.
Deze innerlijke omzetting is niet in één dag voltooid, want de verst gevorderde heeft nog maar een klein beginsel der volmaakte gehoorzaamheid, ook al begeert hij niet alleen naar sommige, maar naar al Gods geboden te leven. De innerlijke omzetting moet ook naar buiten openbaar worden. Wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds. Het nieuwe naar aard en bestaan. Dit nu geschiedt als zij door den Geest wandelen, den ouden mensch dooden met zijne begeerlijkheden om in een nieuw godzalig leven te wandelen. Het gemoed is dan niet slechts het verstand, doch het gansche innerlijke leven des geestes, het bewustzijn in vollen omvang.
Opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehaaglijke en volmaakte wil Gods zij.
Dus die innerlijke verandering is noodzakelijk aldóór om den wil Gods te kennen en te verstaan. T e beproeven, wat de wil Gods is.
Beproeven (dokimazein) het grondwoord wil zeggen: op zijn gehalte toetsen. Onderzoeken, keuren om de deugdelijkheid en echtheid van iets te weten te komen en aan het licht te brengen. Dan verder goedkeuren. Hier wordt bedoeld: een nagaan, onderzoeken om te weten te komen wat Gods wil is, om dien daarna als levensregel te volgen. De geloovigen moeten daartoe ieder voor zich en gezamenlijk werkzaam zijn in biddend opzien tot hem, die gezegd heeft: indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere, die mildelijk geeft. Beproeven, uitvorschen van den goddelijken wil, om daarnaar te oordeelen, te spreken, te handelen.
Men zou kunnen denken: dat is toch gemakkelijk genoeg om te weten wat Gods wil is. Zeker: wij weten dat wij niet mogen stelen, doch de vraag kan zich toch onder bepaalde omstandigheden wel degelijk voordoen: is dit of dat nu diefstal? Hoe moet ik den wil Gods verstaan in het gebeuren van onzen tijd? Hoe moet ik oordeelen over allerlei verschijnselen, die zich voordoen? Het gaat dus niet om de vraag of alles wat is verwezenlijking is van Gods raad en welbehagen, maar het gaat hier over den wil des bevels, over het gebod Gods, waarnaar geoordeeld en gehandeld moet worden. Het gebod verbijzondert zich naar de verschillende gevallen. Die wil Gods moet de geloovige beproeven, staande in het midden eener afvallige en Gode vijandige wereld. Het rechte levensgedrag moet vervulling van den wil Gods zijn. Ook over Gods raad en de geschiedenis mogen wij niet naar eigen goeddunken denken, maar zijn gebonden aan Gods geopenbaarden wil.
De toevoeging van goed, welbehaaglijk, en volmaakt bij den wil Gods wijzen ons op de heerlijkheid van dien wil; het heilige en allervolmaaktste. Zoo wordt des te sterker aangedrongen om dien heerlijken wil des bevels te kennen en daarnaar te denken en te handelen. Goed is zoowel het zedelijk goede als het heilzame. Welbehagelijk wil zeggen, dat die wil Gods aller welbehagen moet trekken.

De wereld onderzoekt niet Gods wil maar is (wanneer zij nog God in haar zaak betrekt) brutaal genoeg, te zeggen dat haar wil Gods wil is of die der voorzienigheid. Denk maar aan de vele voorbeelden die de Schrift stelt.
Zoo wil men God tot zijn knecht maken, die zijn sanctie mag hechten aan het doen der menschen. De huidige wereld kent niet Gods wil als uitdrukking en norm van wat recht is, leeft naar eigen ideaal. „De wereld (zoo merkt Calvijn op) maakt zichzelve wijs, dat de werken, die zij gedaan heeft, goed zijn; Paulus roept daarentegen uit, dat naar Gods geboden geoordeeld moet worden, wat goed en recht is. De wereld huldigt zichzelf in haar eigen verzinsels en leeft vroolijk; Paulus echter bevestigt, dat Gode niets anders behaagt dan wat Hij bevolen heeft. De wereld vervalt, om de volmaaktheid te vinden, van het Woord Gods tot nieuwe vondsten: Paulus, die in den wil Gods de volmaaktheid stelt, toont aan, dat wanneer men deze grens overschrijdt, men door een valsche inbeelding bedrogen wordt."
„Alleen (zoo merkt Prof. van Leeuwen terecht op) een verlicht en vernieuwd hart valt Gods wil en wet bij als norm voor het goede en volmaakte. Buiten het licht des Heiligen Geestes en het geloof denkt of schept men zich buiten Gods wil om een norm, en zoekt het volmaakte buiten zijn gebod, vgl. Eph. 5 : 1 0 , 17)."
Opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wille Gods zij, zoo vermaant Paulus. En van dien wil Gods, in elke bepaalde situatie, kan men alleen op de hoogte komen door de vernieuwing des gemoeds, bij de verlichting des Geestes. De Kerk Gods kent dus niet alleen een verborgen leven, maar moet haar oogen laten gaan over het wijde menschenleven, niet alleen om den raad Gods in hare uitwerking te zien, doch niet minder om te beproeven of het doen der menschen, overheden, enz. beantwoordt aan Gods geopenbaarden wil, zich regelt naar Gods geboden.
Gods Kerk moet leven uit, wandelen in, maar ook getuigen van Gods waarheid.
In dat licht moet zij ook de historische feiten bezien, opdat God waarachtig zij, alle mensch leugenachtig. En wat is nu het geval? Door de gescheurdheid van Gods Kerk is van dat gemeenschappelijk worstelen om ook in onzen tijd Gods wil te kennen, de werkelijkheid te zien in Gods licht, zoo weinig sprake. Het is er ver vandaan, dat Gods gemeente als uit één mond een antwoord geeft op de vraag: wat wilt Gij, dat wij doen zullen? Een antwoord ontworsteld aan Gods wil, als gebod.
Er zijn profeten, tenminste zoo dienen zij zich aan, maar zij spreken niet uit Gods raad, omdat zij daarin niet hebben gestaan. Tot de wet en de getuigenis! Daar zal ons licht moeten opgaan over den wille Gods.
Wanneer de Kerk Gods mannen heeft, die als het ware voor haar denken en spreken, dan komt dit denken en spreken op uit den levensgrond der Kerk zelve. Anders vindt de sprake der geleerdsten geen weerklank en is het woord van Jezus van toepassing: eenen vreemde zullen zij geenszins volgen overmits zij zijne stem niet kennen. Alleen in den weg van worstelend gebed, verootmoediging onder Gods hand zullen wij een antwoord vinden op de vragen, die onze tijd in het bijzonder stelt. Wat ons te doen en te laten staat, te denken en te spreken.
Om te beproeven welke de goede en volmaakte wille Gods zij.
Daarom herhalen wij hetgeen wij reeds zoo dikwijls opmerkten: het oordeel begint bij Gods Huis, daar moet ook de wederkeer beginnen, zal de Kerk niet zijn als een nachthut in den komkommerhof, doch als eene stad boven op een berg, die in het duister der wereld schijnsel geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 oktober 1940

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De houding jegens de overheid V (Slot)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 oktober 1940

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken