Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Koning leve (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Koning leve (1)

19 minuten leestijd

Psalm 118 vs. 26 en 27. Gezegend zij hij, die daar komt in den naam des Heeren. Wij zegenen ulieden uit het Huis des Heeren. De Heere is God, die ons licht gegeven heeft. Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars.

De dichter van dezen Psalm is niet bekend. Mogelijk is het David geweest. In ieder geval is ook deze psalm vrucht van den Geest der profetie. Velen denken, dat wij hier een feestliturgie hebben, voor de schare die den tempelberg betreedt om den Heere groot te maken. We moeten aannemen, willen wij den psalm kunnen verklaren, dat beurtzangen de verschillende deelen zongen en men elkander beantwoordde.
Het is een lied der bevrijding, dat diep leeft in de harten der vromen. Israël is blijde door de daden des Heeren. Looft den Heere, want Hij is goed, want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. Volgens den Talmud werd vers 1 tot 19 in processie gezongen'bij het opgaan naar den tempel. De verzen 20 tot 27 werden aangeheven door het Levietenkoor, dat uit den tempel den optocht des volks tegemoet treedt. En dan werd weer geantwoord met de woorden van vers 28, terwijl tenslotte allen tezamen, gemeente, priesters en Levieten, vers 29 aanhieven: Looft den Heere, want Hij is goed, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. Zoo eindigt de psalm gelijk hij begon en vormt aldus een blijde cirkel van dankbare en blijde aanbidding. Bij het geklank van trompet en harp hebben Israël, het huis van Aaron en allen, die den Heere vreesden, terzijde stellend wat hen van elkander onderscheidde, zich vereenigd in een algemeenen lofzang, waarin zij getuigenis aflegden van hunne diepe dankbaarheid voor de goedheid des Heeren en voor de goedertierenheid, die tot in eeuwigheid is. Het is een echt koninklijk lied. De muziek zweeg; het'lied werd gestaakt, het groote Hallel was ten einde toe gezongen en het volk keerde terug, een iegelijk naar zijn woning, stil en met een blijmoedig hart, over de goedheid des Heeren, wiens goedertierenheid de eeuwigheid vervult.
Het was Luthers meest geliefkoosde psalm, zijn overschoon lied des vertrouwens, dat hem geholpen had in hetgeen noch keizer, noch koning, noch eenig ander mensch ter wereld hem had kunnen helpen. Met de verklaring van dit zijn kostelijkst juweel, zijne toevlucht en schat hield hij zich bezig in de eenzaamheid van zijn Patmos. En als gij dan Luther tegenwerpt: deze psalm is ook van mij, ja, van allen die den Heere vreezen, antwoordt hij: ,,Ja, maar Christus is ook het eigendom van allen e* toch is Christus de mijne. Ik ben niet ijverzuchtig op mijn bezit, ik zou het met de geheele wereld willen deelen. Gave God, dat alle menschen er aanspraak op maakten om dezen psalm hun eigendom te noemen. Het zou de aandoenlijkste twist zijn, een twist, die Gode zeer welbehagelijk is... een twist der eenheid en der volkomene liefde." Dezelfde heilige twist als over Paulus' uitspraak: Mij, den voornaamste der zondaren, is barmhartigheid geschied.
Het is niet twijfelachtig of onze textverzen moeten betrokken worden op den grooten Davidszoon, die zit op den troon zijns Vaders tot in eeuwigheid. De Held, bij wien de Heere hulpe heeft besteld. Sion is gered in en door Hem, die den sleutel Davids draagt, op wiens schouder de heerschappij is.
Laten wij de vier gedachten uit ónzen text aldus samenvatten:

1. Een Kerstuitroep (Gezegend zij Hij die daar komt in den naam des Heeren.)
2. Een Kerstgroetenis (Wij zegenen ulieden uit het Huis des Heeren.)
3. Een Kerstbelijdenis (De Heere is God, die ons licht gegeven heeft.)
4. Een Kerstofferande (Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars.)

1. Een Kerstuitroep
Gezegend zij Hij, die daar komt in den Tiaam des Heeren!
Hoe noodzakelijk is het te onderzoeken in welke betrekking wij staan tot den Zone Davids. Hij zit op den troon, is Koning over Salem. Hoe staan wij tegenover Bethlehem en de kribbe, waar het Kindeke lag, in doeken gewonden. Wij hooren hier de Kerk van den ouden dag Hem het welkom toeroepen, het Hosanna den Zone Davids.
Zijn wij adventskinderen, kinderen der verwachting en der hope? Wel niet zooals Simeon en Hanna, en toch ook weer wel. Het is noodzakelijk onze verlossing en zaligheid te vinden in Hem, van wien de Kerk hier zingt; wien zij een groet brengt in bezielden jubel. De harten zijn ontstoken door de goedertierenheid des Heeren, die in Hem het diepst openbaar wordt, want Hij heeft ons bezocht met de opgang uit de hoogte, met de innerlijke bewegingen Zijner barmhartigheid.
Hij, die rijk was, is arm geworden, opdat Hij armen rijk zou maken. Voorrecht in deze arme duistere wereld, licht en rijkdom in Hem te vinden en te bezitten.
Heeft Hij in uw hart gestalte verkregen door den Heiligen Geest? Of is Hij nog de onbekende, de vergetene, de gehate? Alles wat aan Hem is, is gansch begeerlijk! En daarom, wie den Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij eene vervloeking, Maranatha! En als Hij nabij de stad kwam, weende Hij over haar...!
Tot recht verstand van onze verzen herinneren wij aan Ezra 3 vers 10 en 11, waar wij lezen:
„Als nu de bouwlieden den grond van des Heeren Tempel leiden, zoo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen om den Heere te loven, naar de instelling van David, den koning van Israël. En zij zongen bij beurten, met den Heere te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijne weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israël. En al het volk juichte met groot gejuich als men den Heere loofde over de grondlegging van het huis des Heeren."
Ezra gebruikte de woorden van onzen psalm en zij zongen bij beurten, in beurtzang, elkander beantwoordend. Dit kan ons helpen dezen text te verstaan, anders blijft hij duister in de versdeelen.
David is voorzanger des volks voor en om Immanël zijn grooten Zoon, dien hij op zijn sterfbed schouwde, als licht, licht zonder wolken... Van wien hij voor Salomo zong in psalm 72: Den ganschen dag zal men Hem zegenen!
Herinner u, hoe David de ark opbracht naar den Sion en blijde huppelde voor de bondskist. Hij heeft zijn dag gezien en is verblijd geweest, zoo lezen wij van den vader der geloovigen. De heerlijkheid van David was schijnsel van Christus. Die zon, die in den Heere Jezus opgaan zou, schoot een straal uit en die straal was David. Maar ten volle geldt het van Jezus. Denk maar aan hetgeen Jezus gezegd heeft van-, den verworpen steen... heden is deze profetie in uwe ooren vervuld!
De scharen hebben Jezus verwelkomd met de woorden van onzen text, toen Hij optrok naar Jeruzalem op palmzondag, toen Hij zijn gang richtte naar Jeruzalem.
Gezegend zij Hij, die daar komt in den naam des Hèeren.
die daar komt...
Hij is gekomen in ons vleesch. De Geest bereidde Hem onze natuur in Maria's schoot. Dat heilige, dat uit u geboren zal worden...
Hoe menigmaal was de zuchtende Kerk van den ouden dag verkwikt door de profetie: Zie, Ik kom! Als zij moede werden van al die offers; als zij beseften hoe al dat bloed niet één zonde kon verzoenen, als zij met verlangen zuchtten om het ware offer. Dan klonk het als muziek: Zie, Ik kom! En Hij is gekomen! Ja, dan verwelkomden zij Hem in het geloof... de belofte omhelzend! Maar zij moesten wachten.
In onzen text hebt gij nu zulk een kerstgroet door den Geest, die Hem doet schitteren als Koning! Nu staan wij achter de vervulling. Hij is gekomen. Nu zien wij niet vooruit als Israël weleer, maar blikken terug naar Bethehem. En dat komen was niet om gediend te worden, maar om te dienen en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Kom, mijn lezer, hebt gij werk voor Jezus? Hebt gij een uitgeschudde, uitgeteerde ziel? Hier is Hij, om te dienen!
God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de 'wereld veroordeelen zou, maar opdat de wereld door Hém zou behouden worden.
Zie, Hij komt. Nog komt Hij Zijn verloren schaap zoeken, nog richt Hij op wie in het stof ligt neergebogen. Ik zie Hem; hoe schoon, te minnen Jezus, Godes Zoon!
Die daar komt... de hand is uitgestrekt, de vinger wijst Hem aan... die daar komt. Hij nadert, Hij schrijdt voort, Hij haast zich; Hij komt, Hij is er! Zie, hier ben Ik! Uw komst is het, ,die ons heil volmaakt.
Kom, staar niet naar den grond, noch in uw duistere hart... die daar komt!
Die lichtende gestalte, zie d.e liefde, de eeuwige liefde woont tusschen Zijn oogen.
Die daar komt...
Zijn tweede komst toeft nog. Hij zal komen met groote kracht en heerlijkheid. Wij wendden den blik naar Bethlehem, wij staren nu naar boven, daar ver boven de sterren, in de oneindige diepten des hemels; daar is Hij ontvangen tot den tijd der wederoprichting aller dingen. Hij komt, Hij komt! Zingen wij Hem een lied der •aanbidding. Kerstfeest doet ons vragen: Waar is de geboren Koning? In Bethlehem... nu in den hemel.
Daar zit Hij niet in dienstknechtsgestalte. Hij komt met groöte kracht en heerlijkheid, om te oordeelen de levenden en de dooden. Over Bethlehem straalt nu het licht Zijner tweede komst. Zoo zijn wij dan toch adventsgemeente, verwachtende en haastende naar den dag van de toekomst Gods. Hij zal wonderbaar worden in al zijne heiligen. Hooren wij het ruischen Zijner voetstappen? Zien wij in het geloof onzen David zich gereed maken. Ik zag den hemel geopend en de ark Gods werd gezien in den Tempel! En ik hoorde donderslagen en zag bliksemen...
Zeggen wij nu heden waarlijk: Gezegend zij Hij die daar komt... Van nu aan zult gij den Zoon des menschen zien zittende ter rechterhand Gods en komende op ae wolken des hemels. Hij is gekomen, Hij is komende en Hij zal komen.
Zullen wij die tweede komst begeeren, dan zal Zijn eerste komst vruchten gedragen hebben voor onze ziel. Hebben wij Zijne verschijning lief gehad? Komen door Zijn Woord en Geest. Zonder onze schuld voor God te kennen, den vloek der wet te verstaan, geen behoefte aan Hem!
Is het bij u: U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op II staren? Ach ja, zonder Hem is er geen leven, geen vrede, geen blijdschap, geen kracht om voort te gaan?
Bij Hem is raad, bij Hem alleen.
Luister nu verder wat Hem wordt toegeroepen: die daar komt in den naam des Heeren. Gezegend zij Hij...
Hij komt in den naam des Heeren. Dit was van groote beteekenis. Zie, Ik kom om Uwen wil te doen, o God, in de rol des Boeks is van Mij geschreven. Hij was geen schapendief, maar schapeneigenaar. Hij had een zending. De Vader zond Hem in de wereld. Hij is de gewillige Borg. In Zijn diepsten nood beriep Hij zich op Zijn zending en Hij kon zeggen: Er is Een, die Mijne eere zoekt!
Hoe dikwijls heeft Hij het herhaald bij Zijn omwandeling op aarde: De Vader, die Mij gezonden heeft. De Geest der profetie heeft die gedachte ingedragen in het bewustzijn van Israël, het volk der verkiezing, dat Hem ontvangen zou. Hij kwam met opdracht en volmacht om als de ark in het land der Filistijnen om te zwerven... en opgebracht te worden naar den Sion. Dagon brak den nek voor deze ark. De Filistijnen weten er geen raad mee. Deze gedachte moeten wij uitbuiten, uitbuiten tegen de wereld en den satan. Vasthouden tegenover God. Hoe zegt ge? Ja zeker, tegenover God. Hebt gij ooit gepleit: Het is toch Uw eigen gave; in mijn eigen naam durf ik niet voor U verschijnen, maar zie mij aan in Hem, in wien al Uw welbehagen is. Hebt gij dan niet ervaren, dat de Heere God de hand bood en uit uwe ziel verdween het ondraagbaar wee!
En zong Simeon niet, verlicht door den Geest: mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien, zich richtend tot God den Vader; Uwe zaligheid, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken; een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israël. O, mijn arm hart, wat zijt gij toch gelukkig, te weten dat de Vader het offer van den Zoon aanvaardt, omaat Hij Hem zelf heeft gezonden.
Die daar tot ons komt in den naam des Heeren.
Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar bet eeuwige leven hebbe.
Wie in Hem gelooft, heeft verzegeld dat God waarachtig is, maar wie Hem niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt.
Moet ook van u worden gezegd: Ik ben gekomen in den naam des Vaders en gij neemt Mij niet aan?
In Jezus hebben wij met God drie-eenig te dóén. Die daar komt in den naam des Heeren. Het is de God des verbonds, des eeds en des ontfermens. Ziehier de trouw en waarheid des Vaders.
Hier is het getuigenis tfan Gods rechtvaardigheid, dat de zondé, eer zij ongestraft kon blijven, Hij ze heeft gestraft in Zijnen Zoon, die tot zonde is gemaakt.
Onze Koning is van Isrels God gegeven. In deze woorden: in den naam des Heeren, hooren wij het getuigenis: want daar is ook onder den ganschen hemel geen andere naam door welken wij moeten zalig worden, gegeven, dan de naam van Jezus.
Gezegend zii Hij, die daar komt in den naam des Heeren.
In dien naam zal Hij ook wederkomen. Daarom dat God eenen dag gesteld heeft waarop Hij den aardbodem rechtvaardig zal oordeelen, door eenen man, dien Hij daartoe verordend heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hi; Hem uit de dooden heeft opgewekt.
Ook in de prediking komt Hij in den naam des Heeren, door Zijne gezanten, die getuigen zijn van Christus' wege, alsof God door ons bade. Gezegend zij Hij... Hij moet en zal glorie ontvangen!
In dien naam heeft Hij al zijne vijanden op de vlucht gedreven, ja verslagen. Hij besteeg den troon, en in dien naam treedt Hij nu den tempel binnen om Zijne geloften te betalen en het volk juicht: Gezegend zij Hij...
Dit: „gezegend zij Hij" wil zeggen: Hem zij hulde, eere, heerlijkheid, dankzegging! Hij moet erkend worden als de Gezondene des Vaders, vol van genade en waarheid. Zij hebben waarlijk bekend, dat Gij Mij gezonden hebt.
Alle leven en zegen zoeken wij alleen in U, moet alleen in U gezocht worden.
Gezegend zij Hij... wij doen afstand van alle werk, erkennen Hem voor den eenigen, algenoegzamen Zaligmaker. Hem achten wij alle eere en glorie waardig. De vijanden moeten Hem onderworpen worden. Hij moet regeeren en leven!
Hij moge heerschen door Zijn Woord en Geest tot aan de einden der aarde.
In Hem alleen mogen en kunnen wij tot God naderen. Dat alles en nog veel meer ligt in dezen kerstgroet: Gezegend zij Hij, die daar komt in den naam des Heeren.
Gezegend zij: welvaren, eere... zij Hem. Heere, wij danken U voor onzen Koning.
Gode zij dank voor Zijne onuitsprekelijke gave.

2. Een kerstgroetenis: Wij zegenen ulieden uit het huis des Heeren.
Wij zegenen ulieden... Wie zijn dat? Het zijn er meerderen en niet één. Dat leert ons dus, dat het geen woord is tot Christus, zooals in het eerste versdeel. E e r s t heeft de schare juichend gezongen: Gezegend zij Hij, die daar komt in den naam des Heeren. M a a r nu valt een ander koor in en zwijgt de gemeente, die daar nadert bij den tempel, zich groepeerend om het huis des Heeren.
Zie, daar komt de priesterschap en de Levieten heffen aan: Wij zegenen ulieden uit het huis des Heeren. T o e n de ark werd opgevoerd naar 'den Sion was de priesterschap gedeeltelijk op dén Sion om haar in ontvangst te nemen. Later, bij de groote. feesten, zooals ons bleek uit de aangehaalde Schriftuurplaats uit Ezra, om het feestende volk te ontvangen. Eerst hoorden wij de stem des volks juichende over den Koning. N u beluisteren wij het gezang der priesterschap, die het volk verwelkomen.
Denk aan het votum en den zegegroet bij den dienst des Woords. Daar ontvangt de dienaar des Woords Gods gemeente in 's Heeren naam, begroet haar, zegent haar in den naam des Heeren, gelijk hij, bij het einde van den dienst, den zegen op haar legt. Ook dit behoort tpt de weldaden van Vorst Immanuël over Z i j n e gemeente.
In het voorbijgaan mag ik wel vragen of gij zóó den zegen hoort uitspreken, u zóó hoort begroeten in des Heeren naam? Dan daalt inderdaad vrede in onze zielen en zijn onze uitgebreide handen gestrekt door die van Jezus, die opvoer ten hemel, terwijl Hij Zijne handen uitbreidde en de discipelen zegende.
Z ó ó nu moet gij u voorstellen wat onze text hier zegt.
De priesterschap zegent de gemeente Israëls, die daar staat rondom den tempel, die leeft van de goedertierenheid Gods. Zij zongen... verheerlijkten V o r s t Immanuël en nu worden zij gezegend door de priesters, als zangkoor des heiligdoms.
Z e waren al gezegend, doordat zij zongen: Gezegend zij H i j . . . Hij geeft genade voor genade, uit Zijne volheid. Dit versdeel is dus de priestergroet van uit het huis des Heeren. Dit was van ouds hun opdracht het volk te zegenen.
Lees Deuteronomium 21 vers 5: Dan zullen de priesters, de kinderen van Levi toetreden; want de Heere uw God heeft ze verkoren om u te dienen en om in des Heeren naam te zegenen. En ook denken wij aan Numeri 6: E n de Heere zeide tot Mozes, zeggende: Spreek tot Aaron en zijne zonen, zeggende: Alzoo zult gij de kinderen Israëls zegenen, zeggende tot hen: De Heere zegene u en behoede u, de Heere doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig, de Heere' verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede.
En nu wordt Israël hier in hun Koning David, in Jezus door God gezegend. Dit moest hun door de priesters worden bekend gemaakt. Wonderlijke, aangrijpende beurtzang. Een kerstgroetenis: Wij zegenen ulieden vanuit het huis des Heeren.
De zegen komt van Gods troon, komt uit Sion, in welks huis wij staan.
Troost, troost mijn volk, zal ulieder G g d zeggen, spreek naar het hart van Jeruzalem. Meen niet, dat de Heere Zijn volk niet bemint. Hij gaf het liefste wat Hij had, Zijn eigen Zoon. Maar, Hij stelt ook alles in het werk om Hem aan te bieden, Hem in Zijn zegeningen te doen kennen.
Gaf Jezus niet als hemelvaartsgeschenk herders en leeraars tot opbouw van het lichaam van Christus, tot volmaking der heiligen? En beloofde Hij niet den dienst te zullen handhaven tot het einde der wereld? In Israël onderwees de prieste'rschap het volk in de wet, beeldde den Messias uit in den dienst der -schaduwen, zegende de erve des Heeren vanuit het huis des Heeren.
Als E z a u weent voor het aangezicht van zijn vader Izaak over den zegen, dien hij aan Jacob had geschonken, zegt hij: Ik heb hem gezegend en ook zal hij gezegend zijn. E n tot den vader der geloovigen zeide de Heere: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen. Gij ziet hoe dierbaar Hem Zijn gunstgenooten zijn.
Wij zegenen ulieden uit het huis des Heeren.
Vanuit Gods altaren. Daar, waar de o f f e r s werden gebracht, waar de verzoening geschiedde. W a a r het reukwerk opsteeg. W a a r de Heere troonde boven het gouden verzoendeksel. Wij worden gezegend uit de verdiensten van"onzen Koning, de priester, die het offer van zijn leven bracht in den smadelijken dood des kruises; die den last der zonde doordroeg en eene eeuwige gerechtigheid heeft aangebracht.
Het stroomt van zegen, zegen voor tijd en eeuwigheid. In onze gemeenschap des geloofs met Jezus daalt Gods zegen op Zijne gunstgenooten. De Israëliet bad vaak met opgeheven open handen ten hemel gestrekt, zijn aangezicht omhoog gericht, om de zegeningen in ontvangst te nemen, want Hij doet Zijn zegen nederdalen. Nederdalen als een regen op het kruid; nederdalen als een stralenbundel vol warmte en leven. Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest en doet naderen, dat hij wone in Uwe voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goede van uw huis, met het heilige van uw paleis.
En, nu moet gij wel verstaan, dat bij den uitgesproken of toegezongen zegen der priesterschap, de Heere uit den hemel inderdaad ook dien zegen schonk aan allen, die daar waarachtig zongen in ontróerenden zang op de maat der muziek: Gezegend zij Hij, die daar komt in den naam des Heeren.
Zijt gij wel eens bedroefd gewórden bij het uitspreken van den zegegroet in Gods huis? Hebt gij wel "eens gedacht: nu zit ik in het huis des Heeren temidden Zijns volks? Zij worden gezegend en zullen eeuwig gezegend zijn... ik zit wel onder hen, draag den naam van de gemeente, ben in den naam des Drieëenigen gedoopt, heb belijdenis g e d a a n . . . maar de zegen gaat mij voorbij. Ik ben niet van Zijne schapen, daarom hoor ik Zijne stem niet. O, hoe bang kan het ons dan worden... zegen ook mij, niet met den E z a u ' s kreet, maar zegen ook mij, om Jezus' wille. Z e gt een ander: Heere, gedenk dat ik naar Uwen naam ben genoemd, neem mijne smaadheid van mij, doe mij uwe stemme hooren, ook den zegegroet als ik U w huis binnentreedt en doe mij den zegen ervaren waarmede Gij mij door den mond Uws dienaars naar huis laat gaan.
Voor eeuwig gezegend, in Hem. Ach, wij beleven deze dingen ook in den eeredienst veel te weinig, worden er wellicht ook te weinig op gewezen; de prediker ervaart het misschien ook zelf niet vaak. Zullen wij ook daarop acht geven?
Want anders ontwijden wij het heilige! Is er in de gemeente gebed om dien zegen, om beleving van dien zegen door den dienst des Woords? Wij weten hoe machtig deze zegen kan werken, hoe stil het dan wordt. Dan is het uitbreiden der handen en het uitspreken der woorden geen ijdele vorm, maar geest en leven, die eene werkelijkheid uitbeeldt, ja waarmee eene werkelijkheid is verbonden.
Wij zegenen ulieden uit het Huis des Heeren.
Zijn die zegeningen uit des Heeren huis, uit de bediening van Christus u niet zalig, begeerlijk, onmisbaar? De vergeving der zonden, want de priester ziet op het altaar, het offer en het bloed. De gerechtigheid en het leven wordt uit Hem verkregen. De aanneming door den Vader is door Hem verworven. De gave des Geestes werd door Hem verdiend; o, bron van ons leven, zaligheid van ons hart, inhoud van ons lied, verwachting onzer ziel.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1945

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De Koning leve (1)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1945

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken