Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De tijd VAN DEN DOOP

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De tijd VAN DEN DOOP

10 minuten leestijd

(Slot)

wij zagen, dat de aigemeene overtuiging in de Reformatie was, dat het kind zoo spoedig mogelijk moest worden gedoopt na de geboorte, uit gehoorzaamheid aan den eisch en hoogschatting voor de weldaad des verbonds.

Toch moesten de kerken in den nareformatorischen tijd herhaaldelijk waarschuwen tegen onverantwoord uitstel van den doop. Zoo waren de doopmalen en kinderbieren in Gelderland, Overijssel en Groningen mede oorzaak, dat de kerken vermanend en bestraffend moesten optreden. Vooral in Gelderland werd geklaagd, dat vele ouders hunne kinderen „niet alleen eenige weken en maanden, maar ook jaren tot werkelijke verachting van den doop, ongedoopt lieten liggen". Omdat de doopmalen kostbaar waren, liet men wel eens enkele kinderen tegelijk doopen, om met één doopmaal te kunnen volstaan. Zoo blijkt uit de oude classicale acta. De synoden van Overijssel drongen herhaaldelijk aan bij de Overheid, om dit kwaad bij placcaat tegen te gaan. In de provincie Groningen ging het „op doopmalen en kinderbieren" soms zóó overdadig toe, dat de gasten niet zelden dronken thuis kwamen.

De deputaten der Groninger Synode klaagden in 1630 (in den bloeitijd dus!) over de brasserijen bij den stadhouder en de gedeputeerden, met verzoek om dergelijke zonden tegen te gaa.n In Holland werden ook door de burgerlijke regeering maatregelen genomen om de weelderige doopmalen af te schaffen.

De Dordtsche Synode (1618—'19) had dus voorgeschreven, dat in de kerken van ons Vaderland de doop zou worden toegediend zoo haast men dien hebben kon, zonder een bepaalden tijd vast te stellen. Maar de bedoeling was algemeen bekend, zoo spoedig mogelijk.

Vele ouders, de kleine burgers en geringe lieden, eerbiedigden over het algemeen de kerkelijke besluiten beter dan de grooten der aarde. Bij de deftige burgers kwam het in gebruik het kind eerst te laten doopen na de begankenis, d.w.z. na het herstel der moeder, en haar eersten kerkgang.

De doop had plaats in de kerk vóór of na de predikatie, meestal in den namiddagdienst, doch nooit zonder preek. De namiddagdienst was daarvoor bijzonder in eere. Dan kwamen niet alleen de burgerij, maar ook de adel en de patriciërs.

Door de deftige burgerij werd veelal vijf a zes weken met den doop gewacht na de geboorte. Het gebeurde natuurlijk ook, dat de doop moest worden uitgesteld door ongesteldheid van het kind en niet te vergeten de slechte wegen op het platteland.

Vooral op Zondag werd de doop bediend. Doch ook wel in de week. Reeds in de kerkenordening van de Paltz (1553) was hieromtrent gezegd: „Daarom zullen de kinderen op iederen geschikten tijd, als het behoorlijk van hunnentwege begeerd is en zij in de kerken voor de Dienaars des Woords gebracht zijn, door de predikanten gedoopt worden en zulks zal inzonderheid geschieden op Zondag, feestdag, of anders in de week, wanneer de gemeente Gods bijeen is, opdat ieder zijn eigen doop wete te herdenken en opdat de christelijke gemeente eenpariglijk den naam Gods over het kind aanroepe."

Zoo. werden ook in ons land hiervoor regels gesteld. Er waren veel vacante gemeenten en dit zou ten gevolge hebben, dat vele kinderen langen tijd ongedoopt bleven, daarom werd in plaatsen, waar zelden predicatiën geschieden en nochtans kinderen te doopen zijn, een tijd bepaald, dat men de kinderen in de kerk brengt. En men zal een teeken met de klok geven, om het volk samen te roepen en een korte vermaning voor den doop te doen (Synode van Dordt 1574, art. 59).

De kerken waren er dus op uit te zorgen, dat de doop zoo spoedig mogelijk na de geboorte kon worden bediend. Soms werd van de bereidwilligheid der kerk misbruik gemaakt door bijgeloovige oogmerken. Zoo besloot de Utrechtsche synode van 1621, dat men alle tijden van den dag den doop mocht vragen, doch niet in donkeren avond, des nachts of op andere ontijden.

Soms liet men ook toe, dat de kinderen in een andere gemeente werden ten doop gehouden als het in eigen gemeente niet mogelijk was een predikant te krijgen voor een doopdienst. Uit het doopboek van Oldebroek blijkt, dat men den predikant, die in een andere gemeente een vacaturedienst verrichtte, nareisde, omdat de doop geen uitstel kon lijden. Werd een predikant plotseling ongesteld, dan liet men hem den doop voor zijn bed, in tegenwoordigheid van den kerkeraad, bedienen, of men ging in een naburige kerk ten doop.

Volgens het doopboek van Kampen, dateerend van 1803 (dus begin 19e eeuw) werden de kinderen in hoofdzaak tusschen den eersten en den achtsten dag na de geboorte gedoopt. Evenzoo blijkt uit de doopregisters van de Kerk te Amsterdam, dat aldaar, slechts bij uitzondering een

kind later dan op den achtsten dag den dooD ontving. Paaruit volgt natuurlijk dat in den regel de moeder bij den doop niet aanwezig was; de stipulaties-bij den doop werden dus aangegaan met den vader, als hoofd van het gezin.

In deze doopspractijk heeft de synode onzer Kerk in 1817 verandering gebracht. De toonaangevende richting dier dagen gevoelde niet veel meer voor de geestelijke beteekenis der sacramenten en nu boog men af naar het gevoel en zoo zocht men eigenlijk te maskeeren, dat men in wezen de sacramenten naar de instelling van Christus niet achtte. Het Avondmaal moest gehouden worden op Goeden Vrijdag, liefst in schemerdonker of bij kaarslicht. De doopgelegenheden moesten worden verminderd; de moeder moest tegenwoordig zijn, opdat de plechtigheid zou worden verhoogd en meer indruk zou maken. De doop moest niet in een weekbeurt worden bediend. Men zocht zijn kracht in bewegelijke woorden en vermaningen, voor een christendom boven geloofsverdeeldheid. Het kan zijn nut hebben er de aandacht op te vestigen, dat een toespraak tot de doopouders totaal niet bij de bediening van het sacrament als zoodanig behoort. In vroeger eeuw was er dan ook geen sprake van. In den verwaterden tijd kwam dit toespraken houden op bij doop en avondmaal. Zooals ieder kan lezen in het Formulier voor het Avondmaal b.v. werd aan de tafels gelezen uit Gods Woord óf gemeenschappelijk gezongen.

De dominé preekt altijd en de gemeente verwacht dat hij ook dan en daar zal spreken en wellicht zegen zal verspreiden door zijn toespraak.

Toch moeten wij wel bedenken, dat er groote gevaren, vooral aan de toespraken bij het Avondmaal zijn verbonden. Als de preek gehouden is, laat dan het formulier en de teekenen van brood en wijn spreken. Wij zijn dezen sleurgang zóó gewoon, dat de menschen vreemd opzien en argwaan koesteren als afgeweken wordt van de traditie... van 1817, de tijd van het loslaten van het wezen van het sacrament. Zoo is het eigenlijk ook met het zingen gegaan, dat in den reformatietijd en nog honderd jaar lang daarna, altijd op heele en halve noten geschiedde. Thans wordt dit zingen — uit onkunde — voor een gevaarlijke nieuwigheid gehouden. Daar vertel ik mogelijk nog wel iets van, hoe wij aan onze psalmberijming zijn gekomen en onze zangwijzen der Psalmen.

Nu alleen over den tijd van den doop. Thans luidt het artikel over den doop aldus: „dat de doopsbediening, niet elke week, indien de talrijkheid der gemeente het althans niet gebiedend vordert, maar, behalve in de gevallen sub c vermeld, ook niet anders dan bij de openlijke bijeenkomsten, bij voorkeur op den Zondag, in tegenwoordigheid zoo maar immer mogelijk, van beide ouders, op de meest indrukwekkende wijze plaats hebbe." g d l v k a h

De laatste zinsnede schijnt mede te zien op het gebruik van de doopsformule uit Matth. 28. Overigens is het niet duidelijk, hoe men het bedienen van den doop zoo indrukwekkend mogelijk moet maken. In ieder geval heeft de bepaling van i m u m 1817 tot op heden de oude doopspraktijk , vedrongen en heerscht willekeur in de Hervormde Kerk over den tijd van den doop. Men neemt het over het algemeen niet te nauw en doopt als het eens uitkomt. En dat niet alleen bii die richtingen, die krachtens hun geloof geen of weinig waarde hechten aan de sacramenten, verstaan naar de instelling van Christus en de belijdenis onzer Kerk, maar niet minder onder de Geref. richting.

Bij de kerken der scheiding van 1834 en later van de doleantie (1886) onder regiem van Dr. A. Kuyper, werd de vroeg' doop nog in eere gehouden, gelijk in sommige families in onze Kerk.

Het is niet in te zien, dat bij normaal verloop van het herstel der moeder, de doop niet zou kunnen wachten, zeg drie of vier weken, zoodat de moeder mee kan opgaan en antwoorden op de vragen, daar zij mede verantwoordelijk is voor de opvoeding van het kind.

Dr. Kuyper heeft met zijn theorie van de veronderstelde wedergeboorte ook den vroegdoop op de spits gedreven, en dat wekte juist reactie.

Het wachten op het herstel der moeder, opdat zij tegenwoordig kan zijn bij den doop van het kind, dat zij onder het hart droeg, kan kwalijk als geringschatting van het sacrament worden opgevat. Dit is geen noodeloos en zondig uitstel.

Wel is het noodzakelijk noodeloos uitstel van den doop tegen te gaan. Wanneer b.v. de moeder maanden ongesteld blijft, mag de doop zeker niet wachten op haar herstel. Wij hebben brood-noodig onderwezen te worden in het wezen en de waarde van het sacrament van den doop. Het is niet genoeg de opvattingen, die onschriftuurlijk zijn af te wijzen, maar positief naar voren te brengen v, rat de beteekenis van den kinderdoop wel is, naar den aard van het verbond der genade.

Het is merkwaardig, dat een - zeker doopsmagisme bezig is zich te verbreiden in onze Kerk, onder leiding van mannen als Dr. Berkhof e.a. Maar dit laat ik rusten. Ik geef thans een exposé over den tijd van den doop, geen uiteenzetting van het wezen van den kinderdoop.

Gods gebod geeft geen bepaalden tijd voor de bediening van den doop, maar zeker is toch wel, dat de bepaling van het synodale reglement funest heeft gewerkt, geboren zijn uit geringschatting van de sacramenten en vervorming van hun beteekenis, hebben zij een doopspraktijk in de hand gewerkt, die zeker niet schriftuurlijk kan worden geacht.

Zoo is het kwaad van twee kanten inedrongen ook in onze gemeenten. Van e zijde der synode, èn door schromeijk tekort in onderwijzing en waardeering an het verbond der genade in eigen ring.

De kerk behoort dan ook geregeld, óf ls er kinderen te doopen zijn, de gelegeneid open te stellen om hem toe te dienen. De tegenwoordigheid der moeder moge n normale gevallen worden afgewacht, aar dan ook verder geen week langer itstel met den doop.

Wanneer de vader geen belijdend lidaat der gemeente is en de moeder wel, is het wachten op het herstel der moeder nog meer aangewezen.

v Ook als de moeder niet kan tegenwoordig zijn, wil dit niet zeggen, dat met haar niet zou worden gerekend. De Schrift eert de moeder zeer hoog en zij is in den geest tegenwoordig en overlegt in haar hart de beteekenis van den doop van haar kind, gelijk zij ook de vragen haar te binnen brengt, die haar verplichten in de opvoeding.

Bijzondere gevallen bespreken wij nu niet en besluiten met de opwekking om den Heere te eeren in Zijne genadige verbondszegeningen, die Hij ons en onzen kinderen schenkt en in den doop laat beteekenen en verzegelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 januari 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De tijd VAN DEN DOOP

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 januari 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken