Bekijk het origineel

DEZE ontvangt de zondaars en eet met hen!

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DEZE ontvangt de zondaars en eet met hen!

20 minuten leestijd

Lukas 15 : 11 — 19: n Hij zeide: en zeker mensch had twee zonen. En de jongste van hen zeide tot den vader: ader! geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En hij deelde hem het goed.

En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een vergelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk.

En als hij het alles verteerd had, werd er een groote hongersnood dat land, en hij begon gebrek te lijden. in

En hij ging heen, en voegde zich bij een van de burgers deszelven lands, en die zond hem op zijn land, om de zwijnen te weiden.

En hij begeerde zijnen buik te vullen met den draf, dien de de zwijnen aten; en niemand gaf hem dien.

En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoevele huurlingen mijns Vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!

Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u; Vader!

E.i ik oen niet meer vaardig uw*zoon genaamd te worden; maak mij als een van uwe huurlingen.

1

De Heere Jezus ging het land door goeddoende en predikende het Evangelie des Koninkrijks Gods, bestaande in gerechtigheid, genade en vrede, en daarin Zich openbarende als de Weg, de Waarheid en het Leven voor het zwakke, het kranke, het gebrokene, het weggedrevene en het verlorene (Ezech. 34 : 4). In deze Zijne profetische-ho'ogepriesterlijkekoninklijke arbeid was Hij den arme en ellendige des volks aangenaam. Zij ontmoetten in Hem als een in het diensthuis neergebogen en gedrukt volk den beloofden Messias. Doch den hoogopgerichten, den Farzieën en Schriftgeleerden waren Hij, Zijn werk en Zijn houding jegens de verachten des volks een ergernis. Deze ontvangt de zondaars en eet met hen, zoo was hun smalende opmerking, als de tollenaars en zondaars naderden om Hem te hooren.

Hier hebben we het ergerniswekkende van het Evangelie door alle eeuwen heen voor al wat zichzelf, hoe dan ook, denkt te kunnen rechtvaardigen. Immer verzet zich al wat vleesch is tegen Jezus, Zijn wijze van doen en Zijn Woord. Doch de groote Prediker der gerechtigheid vervolgt ongestoord Zijnen weg: als de hoogste Profeet en Leeraar, Die den eenigen Weg ten leven leert, als de eenige Hoogepriester, Die Zich voor het verlorene, Hem van den Vader gegeven, overgeeft, en als de eeuwige Koning, Die niet leert als de Schriftgeleerde, doch als Machthebbende. Zoo wendde Hij Zich éénmaal tot de geërgerde en murmureerende Farizeën en Schriftgeleerden met de gelijkenissen van het verlorene, niet om de ergernis weg te redeneeren, maar om hen in hun «ergernis juist te treffen, opdat zij zich dood zouden ergeren aan Zijn eeuwige zondaarsliefde, en alzoo ook als een verloren zondaar bij Hem behoudenis zouden leeren zoeken, en de rijke inhoud zouden leeren verstaan van het: Zalig, die aan Mij niet geërgerd zal worden.

Moge zoo, lezers, ook heden het mes des^ Woords aan twee zijden snijden, eenerzijds tot genezing van gebrokenen van harte, anderzijds tot doodelijke doorwonding en verbreking van de ergernis der vleeschelijke vroomheid en eigengerechtigheid, als we met elkaar de gelijkenis van den verloren zoon overdenken. Voorloopig staan we stil bij het eerste gedeelte. We ordenen onze gedachten onder een vitrtal punten:

I. Vaders huis verlaten. II. Vaders huis vergeten. III. Aan vaders huis herinnerd. IV. Naar vaders huis getrokken.

I. Vaders huis verlaten.

De stof onzer overdenking voert ons in den geest naar huis en erf van een welgesteld en onafhankelijk man, die naar de zeden van het oosten in eenvoudigheid leeft en met zijn beide zonen zijn goederen beheert. Hij heeft land onder de ploeg (vs. 25), vee in de weide (vs. 23) en daarbij vele onderhoorigen. Hij wordt ons voorgesteld als iemand, die weet, wat hij ook tegenover zijn personeel verschuldigd is. Allen hebben het goed bij hem, tot zelfs de huurlingen toe, die overvloed van brood hebben. Maar als rechtgeaard vader gaan hem zijn twee zonen het meest aan het hart. Voor hen is al zijn werken en zorgen.

Welk een voorrecht is het zulk een liefhebbenden en zorgzamen vader te hebben en in zulk een milieu als kind thuis te hooren! Maar ach, we weten wel, hoe onrustig het jeugdig hart kan zijn, en ook het genot van onbezorgde overvloed en omringende vaderliefde gewoonte worden en ten slotte niet meer geteld en gewaardeerd. Den jongsten zoon blijkt het leven op het vaderlijk erf tg eentoniq te worden. De drang riaar het onoekende maakt hem onrustig en doet hem dagen lang met plannen rondloopen. Hij wil de wereld zien, er op uittrekken en zoo komt het op een goeden dag tot zijn vraag: vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt.

Nu was op zichzelf genomen deze vraag heel wel geoorloofd volgens Israëls zede. Ons moge het vreemd in de ooren klinken en nog vreemder toeschijnen, dat de vader zoomaar voetstoots gevolg geeft aan het verzoek van zijn jongste, en we meten het misschien af aan onze rechtsgedachte en veronderstellen, dat de moeder overleden was, toch moeten we deze onze voorstelling geheel loslaten en bedenken, dat hier op zichzelf iets heel gewoons plaats grijpt en dat het met een soort onverschillige hardheid van een kind tegenover zijn gestorven moeder en nog in leven zijnden vader niets heeft te maken. Volgens de Wet toch had de eerstgeborene het recht om opvolger fijns vaders te worden en kwam hem een dubbel erfdeel toe (Deut. 21 : 17), dus, waar twee zonen waren, het tweederde deel, en het .één derde was voor den jongste. Als de jongste zich zelfstandig wilde vestigen, nog bij vaders leven, kon hij dit zijn deel van de bezittingen volgens de stand van

dat oogenblik opvragen, zonder dat daarin op zichzelf iets kwetsends tegenover zijn vader lag opgesloten. Dit was het voorrecht van den jongste en deze vraag kon hij stellen, terwijl daarentegen de oudste moest wachten op den dood zijns vaders, maar vanaf het oogenblik, dat zijn broeder zijn deel had ontvangen, dan ook de eenige erfgenaam was. — Niet dus het opvragen van zijn erfdeel is op zichzelf in den jongsten zoon te laken, maar de plannen, die hij ermee voor heeft. Daarom lezen we dan ook, dat de vader zonder meer het goed hem deelde, ook al zal deze dit wel gedaan hebben onder vermaan en met een bezwaard gemoed, wel kennende de lichtzinnigheid van zijn jongste.

Nu heeft de laatste zijn handen vrij.

Nog enkele dagen vertoeft hij onder het ouderlijk dak, waarschijnlijk om zijn goederen ten gelde te maken, en dan zien we hem wegtrekken den vreemde in, een vader met een bezorgd hart achterlatende, zonder liefderijke vermaning ter harte te nemen en alle raad in den wind slaande. De wereld lokt hem. Hij blijft niet bij huis om zich daar met zijn erfdeel een bestaan te veroveren, maar... de wereld in als gelukzoeker en om van het leven te genieten wat ervan te genieten valt. *

Ziedaar het begin van de gelijkenis van den verloren zoon kort geteekend in het licht van Israëls zede. We kennen ze vanaf onze prilste jeugd en ze spreekt tot ons, waar ze gegrepen is uit de werkelijkheid van het zware kruis van zoo menig gezin. Maar we moeten afsteken naar de diepe zin van dit getuigenis, uit de mond der Waarheid, naardat Hij heeft bedoeld. En als men dat wil doen, denkt men meestal terstond aan den diepen val onzer eerste voorouders Adam en Eva: hoe zij God, hun Schepper, den rug hebben toegekeerd, in moed-en vrijwillige ongehoorzaamheid van Hem afgevallen zijnde; en hoe nu de mensch, zijn vaderlijk huis verlaten hebbend, van nature rondzwerft buiten God en daarmede een prooi is van den hongerdood. Onder het zijn in het vaderlijk huis wordt dan zonder meer verstaan: de staat der rechtheid.

Toch hebben we dan niet rechtstreeks de zin van deze gelijkenis, ja, zoo wordt er juist bij alle goede bedoeling en zware woorden de scherpte, de angel uit weggenomen. Op wien, zoo vragen we, zou dan de oudste zoon, die thuis blijft, zien? Het is toch duidelijk, dat de Heere Jezus ook met den oudsten zoon iemand op het oog heeft. En we mogen toch de voorstelling, als zou de oudste zoon op Christus zelf heenduiden, wel als smakelooze vergeestelijking, Gods Woord onwaardig, qualificeeren. Helaas is het wel een teeken des tijds, dat er zooveel gedaan wordt aan ongeestelijke vergeestelijking van het Woord, terwijl de geestelijke diepten des Woords geheel gesloten blijven en dat zulke vergeestelijking op de scharen nog grooten indruk maakt. Het wijst heen naar weinig waarachtig Schriftuurlijk bevindelijke kennis der waarheid Gods, zoodat men de wonderlijkste fantasieën houdt voor bewijzen van diep ingeleid zijn in de kennis der Waarheid Gods. Ook heden komen ons ten opzichte hiervan soms de wonderlijkste dingen ter oore, ook van hen, van wie we anders mochten verwachten. — Maar neen, Gods Woord is geestelijk en we hebben noodig verlicht door den H. Geest in de geestelijke mijnen des Woords door onderzoek en studie af te dalen, om zoo de geestelijke schatten tot onderwijzing, vermaning en vertroosting naar boven te mogen brengen.

De sleutel tot het rechte verstaan van deze gelijkenis in al haar liefelijkheid, maar ook haar pijnlijke scherpte voor alle vrome hoovaardij, vinden we in het in het begin van deze meditatie besproken vers één van Lukas 15. Daar hooren we immers van de tollenaren en zondaren, die tot Jezus komen om Hem te hooren, en van de Farizeën en Schriftgeleerden, die zich hieraan ergerden. Welnu, de Heere Jezus spreekt deze gelijkenis tot de schriftgeleerden, ten gunste van de boetvaardige tollenaren en zondaren en tot laking van het gedrag der Farizeën en Schriftgeleerden. En dat in het oog vattend, gaat de gelijkenis Teven voor ons: die jongste zoon is het beeld van de tollenaren en zondaren, de oudste zoon, die voorbeeldig zijn plicht doet thuis, daarentegen het beeld van de Farizeën en Schriftgeleerden. Beiden, de tollenaar en de Schriftgeleerde, hoezeer ze ook verder van elkaar mogen verschillen, stemmen toch hierin evenals die beide zonen overeen, dat ze uit hetzelfde huis zijn: het zijn Israëls zonen, stammende van hetzelfde erf, het erf des Verbonds en der bijzondere openbaring Gods, in de besnijdenis hetzelfde kenmerk van kinderen des Koninkrijks in hun vleesch dragende, zijnde opgegroeid onder dezefde zegeningen des Verbonds. — Maar de tollenaar heeft alles openlijk vaarwel gezegd en de werelddienst gekozen. De deur van het vaderlijk huis viel achter hem dicht. En de Schriftgeleerde? Hij bleef bij huis, levende plichtsgetrouw, en toch, en toch... hij wordt straks buiten gevonden.

Maar we hopen bij hem later nog te mogen stilstaan, nu vestigen we onze aandacht op den jongste, beeld van den van God wegzwervenden bondeling.

In dien heentrekkenden jongsten zoon herkennen we dus den onbekeerden mensch, die geboren en getogen werd op het erf des Verbonds onder de bijzondere openbaring van Gods heerlijk Woord en het aanbod der genade in Christus, waarvan hem reeds verzekering werd gedaan in zijn prilste jeugd in het teeken en zegel des Verbonds, n.1. het sacrament van den H. Doop. En neen, we moeten niet maar alleen denken aan dien mensch, die, van christelijken huize zijnde en een kerkelijke opvoeding ontvangen hebbend, openlijk gebroken heeft met God en Zijn dienst en nu nergens meer naar omziet (misschien leest nochtans ook zoo één wel deze meditatie), doch ook die mensch wordt ermee aangeduid, die, hoewel hij uitwendig nog wel de vorm in acht neemt (meer of minder), nochtans in zijn innerlijke Godsvervreemding en onbekeerlijkheid volhardt, en inwendig alzoo dag aan dag steeds verder afzwerft van God, Zijn Woord en dienst en leeft naar de begeerten zijns vleesches, als was er geen God en als had hij geen ziel te verliezen.

Mijn lezer, oudere of jongere, die onbekeerd voortleeft op het erf des Verbonds onder alle weldaden en zegeningen, zonder te denken aan het heil van uw arme ziel, gij keert een goeddoenden God den rug toe en steeds grooter wordt de afstand tusschen God en uw ziel. Innerlijk raakt ge steeds verder van huis. In de kinderjaren waren er soms nog wel eens indrukken, maar ze zijn weggevaagd door de verlokking van de wereld en den zondedienst en de vele zorgvuldigheden des levens, en ge wordt nauwelijks nog wel eens geroerd. En de godsdienst is vaak niet meer dan een voetenmat: even voeten vegen en er niet meer naar omzien, of als het Zondagsche pak: hoogstens één dag aan en dan zes dagen in de kast. De banden van den dienst des Heeren zijn te nauw en te strak voor het weelderig vleesch en men wil vrij zijn en zichzelf uitleven. De jonkheid moet toch ook zijn plezier hebben. Zoo „fijn leven', dat kan later nog wel. En ge beseft niet, dat de deur van het vaderlijk huis, die ge zelf achter u in het dagslot geworpen hebt, wel eens op het nachtslot kan gedaan worden, in de ure, waarin gij het allerminst verwacht. — En dan...? Verschijnen voor een heilig en rechtvaardig God, dien gij gehoond en verworpen hebt, Wiens zegeningen ge wel voor u hebt opgeëischt gelijk de jongste zoon zijn erfdeel (en ge hebt er krachtens 's Heeren genadeverbondsbedeeling in zekeren zin recht op, gelijk de jongste zoon op zijn deel), maar Wiens zegeningen (en het zijn er wat!: denk in uw leven eens alles weg, wat ge voor uw leven, vorming, plaats in de maatschappij enz. van uit het erf van den christelijken godsdienst hebt ontvangen en meegenomen, ge zult niet veel overhouden) gij niet hebt besteed in Zijn dienst, doch louter en alleen hebt gebruikt en nog gebruikt om uw eigen leven te leven zonder en vervreemd van dien God, op Wiens bijzonder genade-erf uw wieg stond. — Indien zoo, dan zult ge een vreeselijk Rechter ontmoeten, Dien ge niet meer om genade zult kunnen smeeken, een verterend vuur, waarbij ge niet wonen kunt.

Vaders huis verlaten — dat deed eens de jongste zoon, om met de gaven, die hij had meegekregen, in een vergelegen land liederlijk en overdadig te leven en ze te verkwisten. — En zoo doet de onbekeerde zondaar, die maar voortleeft. Ook gij?

Toe, wees eens eerlijk voor God! Welk een goeddoend God keert ge dan steeds maar den rug toe. Zelfs een heiden is niet te verontschuldigen, naar Paulus getuigt, hoeveel minder een kind des Verbonds, dat omringd is door zooveel meerdere zegeningen van den Verbonds-God. Wat legt God al niet aan ons ten koste. Dagelijks daalt Hij af met Zijn weldaden voor lichaam en ziel: het heden der genade rekt Hij door te spijzen, te kleeden, enz. en dan voorts loopt Hij u na met de verkondiging, wat er voor een verloren zondaar

is weggelegd in de offerande van Zijn lieven Zoon, laat Hij onderwijzen in den weg der zaligheid, roept Hij tot bekeering en lokt Hij: waarom zoudt ge sterven, zoekt Mij en leeft. En... al de gaven van hoofd en hart en zooveel meer, worden doorgebracht, levende overdadig, in den dienst der wereld en der zonde, tot genoegen van eigen vleesch. En ondertusschen roept een lankmoedig God: Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart.

Ach, wat zal die vader zijn zoon nagezien hebben, toen deze henentrok, en later vaak hebben geweend. Maar de zoon zag niet om, hij liet zijn vader treuren. Zoo is de toestand van u, lezer, indien ge maar doorleeft: een naziende God, een waarschuwende, noodigende God, Wien het naar Zijn eigen Woord niet lust om den zondaar te dooden, maar wel om al de overvloed der genade in Zijn Christus weg te schenken, — en een mensch, een kind des Verbonds, dat niet eens omziet, maar gewillig hellewaarts afglijdt, zonder het te beseffen.

O, wat zal dat zijn, als men, na alle roepstemmen veracht te hebben en op zulk een zaligheid geen acht te hebben geslagen, en na zichzelf in de wereld te hebben uitgeleefd, alzoo, na Vaders huis verlaten te hebben, voor eeuwig het „buitengesloten zijn door eigen toedoen" zal inleven in het oordeel van het eeuwig verderf!

II. Vaders huis vergeten.

Op den weg der zonde is een voortgaan van kwaad tot erger en zij brengt met zich een nasleep van bittere ellende. Dat leert ons het vervolg.

Eerst is dien jongsten zoon het leven zoet, en de zonde smaakt goed. Maar spoedig is zijn vermogen opgeteerd, en een bittere nasmaak gaat zijn mond samentrekken. Weldra heeft de rijke jongeling niet meer dan wat lompen aan zijn leden en een uitgeteerd en door de zonden verwoest lichaam. En hongersnood in het land en volledig gebrek aan middelen brengen hem aan de rand van het graf.

Waarom niet gedacht aan vaders huis en teruggekeerd? O neen, dat nooit, hij wil er niet aan denken. Voor wederkeer zit hem het hart te hoog. Hij zal het uithouden, al moest hij erbij neervallen. Moeten we het zoo niet verstaan, als we lezen dat hij een heenkomen zoekt bij een burger van dat land. Hij zelf is geen burger, hoort in deze landstreek niet thuis, maar zijn plaats is op het erf zijns vaders, doch... duizendmaal liever zich verhuren bij een burger van dit land, dan aan wederkeer naar huis te denken. Al was er niets verachtelijker denkbaar voor den Jood, dan het hoeden van onreine zwijnen, toch liever zich hiertoe verlaagd, dan voor vader te vallen. Zoo sleept hij zich van nu af afgetobd en ziek voort achter de kudde, en als hij 's avonds met hen in de kooi komt, mag hij uitgeput toezien, hoe andere knechten het afgepaste voeder (bestaande niet in draf, maar in peulvruchten, afkomstig van den Johannesbroodboom, en afgemeten vanwege den hongersnood des lands) in de trog strooien en hoe de zwijnen zich eraan te goed doen. Met jaloerschheid slaat hij de zwijnen gade en begeert zijn buik te vullen met dat eten. Maar... de barmhartigheden der goddeloozen zijn wreed: niemand geeft hem dat. Hij wordt minder dan de zwijnen geacht.

In welke schrille, doch ware kleuren wordt het voortgaan op den weg der zonde hier geteekend. Hier is het beeld van den zondaar op zijn weg. den zondaar, die zich doodloopt. Gelukkig als dit laatste aan deze zijde van het graf geschiedt, we bedoelen: als zulk een zondaar het tegen een achtervolgenden God moet opgeven, eer dat de ure van verscheiden uit dit leven komt. Daarheen worden we door deze tekststof gewezen. Laat ons zien.

Ons wordt hier dus voorgehouden hoe schrikkelijk de gevolgen van het afzwerven van God zijn. Wie God verlaat heeft smart op smart te vreezen. De zonde laat na: een verknoeid lichaam, een gefolterd geweten, de grootste teleurstelling, een eeuwige schuld, een in helsche banden gekluisterde ziel. Het zoete brood der zondeen werelddienst bleek een verderfelijk vergif in zich te dragen. Wanhoop, zelfverwijt en een geopende hel houdt de zondaar tenslotte over.

Ook wordt ons hier onderwezen, dat de wereld nimmer het menschenhart kan verzadigen. Het afzwerven van God zal een hol „ledig" met zich brengen. Er blijft een steeds sterker wordende honger, want het heimwee naar het verloren paradijs blijft knagen. Het kan tenslotte wel zoo worden, dat alles is afgestompt, zoodat men de zonden inzwelgt, gelijk de dronkaard zijn drank, maar ik hoop, dat er nog velen onder de lezers mogen zijn, die die honger nog gevoelen, dat schrijnende heimwee in hun ziel. — Begint ook gij gebrek te lijden met dezen jongeling? Het is misschien nog een onbestemd gevoel, maar ge kunt uw geluk niet meer vinden, waar ge het vroeger hadt. — Wilt ge de reden weten? Gij hebt God verlaten, wat vrede zult gij dan nog hebben! — Augustinus zeide terecht: ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U.

Zie, ge moet met God verzoend worden. En daartoe is noodig... wederkeer, wederkeer uit den vreemde naar het vaderlijk huis. De wereld, de zonde-en vleeschesdienst zijn uw vaderland niet. Ja, de mensch mag er zich van nature volkomen thuis gevoelen, doch krachtens uw geboorte op het erf des Verbonds is het toch uw vaderland niet, zijt ge geen burger van dat land, maar hebt ge u verhuurd bij de burgers en nu zijt ge liever zwijnenhoeder daar dan hoveling aan het hof des Konings op het erf van het vaderlijk huis.

Verstaat ge dit? Dat doet niets af van het getuigenis Gods tegenover Jeruzalem: LIw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische. Dat geldt ten opzichte van onze natuurstaat. Doch ook het voorgaande is evenzeer waar krachtens de bediening van het genadeverbond Gods. En we doen wel daarop acht te geven. Klemt het reeds: geen burger te zijn in dat land en u toch zoo goed daar thuis te gevoelen, zoo ingeburgerd te zijn? — O, wederkeer is noodig! Maar hoe zal een mensch daartoe komen? Ja, dan moeten we gebroken worden. Doch dat is gelukkig Gods zaak. Hij zal u weten te breken en het hooge hart ter neer te slaan.

Want hoogmoed en vijandschap spannen samen tegen de roepstem: Keer weder, o menschenkind! — Was het zoo niet bij dien jongeling? Hij wil niet buigen, maar zoekt liever bij hen, die zijn ziel en lichaam verkoopen aan het verderf, heil. De kerkvader Augustinus kon voor zijn bekeering tenslotte zijn zielehonger niet meer stillen met de zonde en heidensche leer, maar inplaats van het eenige Brood des levens te zoeken in den christelijken godsdienst, verhuurt hij zich in hoogmoed des harten nu bij dezen burger, dan bij dien burger van het land, zwerft hij van het eene min of meer wijsgeerige stelsel naar het andere, totdat hij nergens meer voedsel vindt en als een gebroken man neerzinkt voor den troon der genade van den levenden God en Zijnen Christus.

Dat is ook ons beeld, lezer. Werd het u al eens persoonlijk duidelijk: volhouden, liever bedelend in de wereld langs de deur gaan, liever zwijnen hoeden, dan voor God vallen en in het stof zinken. We willen niet vallen van nature, dat is onze heele onmacht. En ondertusschen klinkt in het geweten Gods stem: Wil toch niet stug, gelijk een paard weerstreven. Maar ook deze roepstem in het geweten zou te vergeefs zijn, zoo God niet met almachtige genadekracht er aan te pas kwam. Hij is machtig om uw hoogmoed te verbrijzelen en u neer te slaan. Hij weet Zijn middelen uit te buiten: Hij brengt de hongersnood, slaat in de banden, maakt dat de wereld de zwijnendraf zelfs weigert en weet Zich zoo zelfs te bedienen van de wreede barmhartigheden der goddeloozen om zielen naar Hem te doen vragen. Ge komt in de diepste vernedering, zoodat ge de zwijnen gelukkig gaat prijzen en niets meer vindt, waarmede ge uw ziel kunt voeden, en schreeuwt: ik verga van honger. — En dan? O, dan ziet dezulke in zijn benauwdheid al eens om naar het erf van het vaderlijk huis: daar is spijze, daar is leven... zou er ook nog genade zijn voor zoo één? Zou Sions Koning letten op zoo'n vertreder van Zijn dierbaar Bloed? — , ; Vergeten gaat niet langer!

O, buig u dan neder en zing eens met den dichter, die ook zoo geknakt in het stof lag:

Gena, o God, gena, hoor mijn gebed; Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden; Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden; Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet. Ai, wasch mij wel van ongerechtigheid; Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden; Zie mijn berouw, hoor hoe een boet'ling pleit, En reinig mij van al mijn vuile zonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 augustus 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DEZE ontvangt de zondaars en eet met hen!

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 augustus 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken