Bekijk het origineel

DEZE ontvangt de zondaars en eet met hen!

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DEZE ontvangt de zondaars en eet met hen!

18 minuten leestijd

Lukas 15 : 11 —19: n Hij zeide: en zeker mensch had twee zonen.

En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader! geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En hij deelde hem het goed.

En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een vergelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk.

En als hij het alles verteerd had, werd er een groote hongersnood dat land, en hij begon gebrek te lijden. in

En hij ging heen, en voegde zich bij een van de burgers deszelven lands, en die zond hem op zijn land, om de zwijnen te weiden.

En hij begeerde zijnen buik te vullen met den draf, dien de aten; en niemand gaf hem dien. zwijnen

En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoevele huurlingen Vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! mijns

Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u; Vader!

En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uwe huurlingen.

2

III. Aam vaders huis herinnerd.

Als de jongste zoon tenslotte voor den hongerdood staat, de voortgang op den ingeslagen weg voor hem geheel is afgesneden en zijn naargeestig bestaan hem voor oogen wordt gesteld, dan, ja dan kan hij zich niet meer op de been houden, maar zinkt hij neer in zijn verlorenheid onder een loodzware schuldenlast. Zijn ellendestaat ziet hij scherp afgeteekend tegen de heerlijkheid van het vaderlijk tehuis: hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!

En tot zichzelf gekomen zijnde... De verloren zoon, die verloren was, wordt nu bij zijn verlorenheid gebracht en gaat die inleven. Te weten, in te leven en van harte toe te geven geheel verloren te liggen, dat is wat anders dan met groote woorden de verlorenheid des menschen vast te stellen. Daartoe moeten we tot onszelf gebracht worden door een almachtige Godsdaad, die inhoudt toestopping van al onze levensbronnen. Om toch tot zichzelf te komen moesten voor dezen jongeling al zijn levensstroomen opdrogen.

Zoo is het ook met den zondaar. Zoolang we nog een stroohalm hebben om ons aan vast te houden, grijpen we hem aan en trachten ons op de 'been te houden. De zonden worden vergoelijkt of anderszins. Niemand komt zoo tot zichzelf, dat hij in een droefheid naar God aan terugkeer toekomt, of er moet voor hem geen leven meer mogelijk zijn buiten vaders huis, d.i. buiten God en Zijn dierbaren Christus. Voordien wordt altijd verontschuldiging aangevoerd met wat gemompel over onmacht enz., of pleistert men zich met looze kalk. — En waarom? Wel, bij terugkeer moet onze zonde, onze verlorenheid, onze goddeloosheid en vijandschap, onze schuld voor den dag komen.

Dan moet er ons hoofd af en we moeten de minste worden, gelijk die verloren zoon, dan moeten we van onszelf walgen en God gelijk geven en buigen met het: „ik, ik heb gezondigd" op de lippen, en bovenal in het hart. Dan moeten we sterven en wordt ons eigen „ik" van den troon gestooten en Gods eer er op geplaatst. Met een doodsnik moet erkend worden, dat we tegen een goeddoenden en liefderijken God hebben gezondigd.

Hoevelen zijn er helaas, die het buiten het vaderlijk huis nog best kunnen stellen, terwijl ze toch meenen al aardig over het hongeren te kunnen meespreken, ja heimelijk denken, dat ze met den verloren zoon al half op weg naar huis zijn. En intusschen hebben ze nog nooit ingeleefd: ik verga van honger, ik kom om, zink weg in het verderf... En toch... eerst dan wordt ons de verloren zoon geteekend als naar huis zich begevend. Maar daarom blijven ook zoovelen altijd maar rond de schaapskooi zwerven, meenende nu hier, dan daar een goed plaatsje gevonden te hebben, soms zelfs heel niet in 't gezicht van de Deur der schapen.

Dat is echter zeer bedenkelijk, want de Heere werkt op Zichzelf aan, niet op ons aan buiten de verheerlijking Zijner deugden in Christus om. Daarom worde toch, lezer, indien ge aan deze uwe pleisterplaatsen genoeg hebt, dit alles op de aschhoop geworpen, opdat ge met die draf u niet meer voeden kunt en het ook worde voor uw hart: ik verga van honger. —

Ach, het is toch beter om hier onze verlorenheid in te leven in een waarachtige droefheid naar God, dan eenmaal voor eeuwig in het verderf, na ons te hebben getroost met hetgeen niet van Christus is. — Dat zal toch ieder erkennen, die tot zichzelf gebracht is! En na tot Christus te zijn uitgeleid, wordt dan ook door den Sioniet uitgeroepen: O Heere God, wat heeft U bewogen om mij zoo tegen te komen. Want ach, ik had toch zeker maar doorgeloopen, ik was zeker mij blijven voeden met de zonden, met mijn eigengerechtigheden en werken, met mijn vrome gestalten en belevenissen als Gij niet al deze spijzen stinkende had gemaakt voor mij, zoodat ik z% niet meer eten kon, en zoo aan U ben gaan denken in mijn doodelijke honger en verlorenheid, en zoo een onverzadigbaar verlangen heb gekregen naar verzoening met U, van Wien ik nïet alles maar afzwierf, en daarom naar den gezegenden Borg, tot heil van mijn arme ziel.

Lezer, valt uw hart hier bij? Of staat ge er huiverig tegenover? We zeggen het niet om u hard te vallen, maar om u onder 's Heeren zegen oog en hart te geven voor de dierbaarheid van Christus, en de boosheid van al onze dierbaarheden.

En tot zichzelf gekomen zijnde... Voordien ging de verloren zoon aan zichzelf en zijn verlorenheid voorbij. Hij dacht zichzelf er wel doorheen te slaan en te behouden, en was er al eens een stem in zijn binnenste, dan legde hij 'hem haastig het zwijgen op. Maar nu moet hij, tot zichzelf gebracht, de werkelijkheid onder de

oogen zien. Daar rijzen de hoogten van schuld tegenover zijn vader op: welk een ontaarde zoon heeft hij zich betoond, en hoe heeft hij zich vrij-en moedwillig in het verderf gestort.

O, als we zoo tot onszelf komen, dan ontwaren we een verlorenheid, zoo ontzettend, dat geen voortgaan meer mogelijk is. — Leef toch niet voort over alles heen, maar zoek toch om de waarheid van uw bestaan te zien. —

Vol bevinge staan we daar als zondaar, en de afgronden gaan zich voor ons bewustzijn openen. De geheele levensweg van begin tot einde wordt ons voor den geest gevoerd: ik heb gezondigd, d.i. moedwillig God en Zijn rechten den rug toegekeerd, ja met Zijn eeuwige zondaarsliefde in de gifte Zijns Zoons gespot. Ja, inzonderheid, als we tot voor het kruis getrokken worden, en in vlammend schrift onze zonde van verachting van het bloed van Christus ons daar wordt voorgehouden in het licht der eeuwige liefde Gods, zoo krimpt het hart ineen. De lankmoedigheid Gods en Zijn weldaden werden veracht en vertreden. Hoe rijst de schuld tegenover God hemelhoog op, en de schrikkelijke ondankbaarheid, die nu ontdekt wordt, pijnigt het geweten. — Daaroverheen verschijnt voor het bewustzijn de nasleep der zonde, n.1. treurige ellende hier en straks in den afgrond.

* O, wat is er overgebleven van den koningszoon? Een wrak in lompen: verdorven in-en uitwendig. En bij de herinnering aan huis roept de zoon uit: hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood...

Zoo wordt ook de aan zijn verlorenheid ontdekte zondaar bij huis bepaald bij het leven in gemeenschap met God, het direct leven uit Zijn hand, want voor de rijkdom en zegen daarvan worden nu zijn oogen geopend. s

O, wat ligt daarin een geluk, wat is dat volk goed af, dat waarlijk op het vaderlijk erf in geest en waarheid verkeeren mag.

De verloren zoon ging de huurlingen zelfs gelukkig prijzen. Zij verrichten handen spandiensten voor het vaderlijk huis en allen, die er toe behooren, zij zijn in dienst van zijn vader ter wille van het vaderlijk huis en de huisgenooten. En zelfs zij zijn zeer te benijden. Met jaloerschheid ziet de zoon op hen.

We hebben geen behoefte om te vergeestelijken en te zeggen: onder de huurlingen moeten we die of die verstaan. Het is slechts een bijkomende trek in de gelijkenis. Maar we worden toch als vanzelf op de gedachte gebracht, dat de zondaar bij herinnering aèn het vaderlijk erf en bij bepaling bij het geluk, dat gezien wordt in het uit Gods zegenende hand te leven, terwijl juist in zijn hart het misnoegen Gods brandt, allen en ieder, in wie hij voorwerpen van betooning van Gods genade en lankmoedigheid meent te ontdekken, gelukkig prijst, tot zelfs de dieren des velds toe. Alle schepsel Gods ziet hij gelukkig, behalve zichzelf. „Het vee mag grazen in de weide, het vogeltje zich zingend in de lucht verheffen, maar ik verga van honger, en geen lied kan uit mijn hart opzwellen. Ach, wanneer mijn ziel aan God gedacht, zoo loosd' ik niet dan klacht op klacht", is dat niet het inleven van zulk één, die voor den afgrond geplaatst wordt, die hij zelf groef. — O, wie zal zulk een ziel opheffen. Geen woorden, geen troostredenen baten. Maar daar is er Eén gezalfd. Die de tong der geleerden heeft ontvangen om met de moeden een woord te rechter tijd te spreken en den arme op te richten uit het slijk. — En dat is juist genoeg, want wat zulk één mist, dat kan de Heere Christus door Zijn Geest alleen maar schenken, en dat geschiedt dan ook.

Hij zal den arme en nooddruftige verschoonen, en de zielen der nooddruftigen zal Hij verlossen. *

Waarmede kan nu zulk een honger van zoon terneergeslagen en - gebogen ziel alleen maar gestild worden? Alleen met het brood uit het vaderlijk huis, het manna, dat uit den hemel is nedergedaald in Christus. Eén brood smaakt naar meer, n.1. Jezus en Zijn verzoenend werk. Om Hem is in de ziel één groote verlegenheid. Ook in uw ziel, lezer? O, wat wordt Hij dan ons algenoegzaam, dierbaar en noodzakelijk, en hoe rampzalig zien we ons dan toch buiten Hem: ik verga van honger. Zoo komen er in alle ongeluk sterke geloofswerkzaamheden op Christus, in een hongeren en dorsten naar Hem, want Hij is de Weg tot verzoende betrekking tot God. Niets in ons en om ons, noch in den hemel, noch op aarde, kan ons met God vereenigen, kan die klove, die er gaapt tusschen God en onze ziel, dempen of overbruggen. En juist het „van God gescheiden zijn", het „afgesneden zijn van onzen levenswortel ', de gemeenschap met God, is oorzaak van de ondragelijke honger en dorst. Vaak kan de ziel nog lang wat groenen en bloeien gelijk een afgesneden bloem, die in het water is gezet, buiten de directe vereeniging met God in Christus om. Maar gelukkig als de kracht er uit weggenomen wordt en niets meer kan voeden en drenken dan de wateren des Levens, die uit Christus opborrelen; als ingeplant te worden in de gemeenschap met God in Christus een dadelijke noodzaak wordt, en zoo gedorst wordt: Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God.

Dorstende en hongerende ziel, roep, totdat de hemel scheurt: ik verga van honger! Mag ik u ter bemoediging er op wijzen, dat Hij, Die hier in deze gelijkenis den verloren zondaar teekent, van Zichzelf getuigt: Ik ben het levende Brood, dat uit den hemel is nedergedaald; die tot Mij komt zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren is. Zoo iemand dorste, die kome tot Mij en drinke.

Die Zijn vleesch eet en Zijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven. Wie vereenigd wordt met den vloekdragenden Borg zal de zoete gemeenschap Gods smaken en den eeuwigen dood, die hij naar recht moest ondergaan, toch niet beleven.

„O ja, Hij is het Manna, Hij is het water des levens", zegt Sion. Buiten Hem kan geen van Sions kinderen leven. Ze kunnen wel helaas korter of langer tijd buiten Hem omzwerven en telkens weer van Hem afzwerven, maar léven buiten Hem is niet mogelijk. Dit Manna verzadigt alleen, want door Zijnen dood heeft Hij de oorzaak van onze eeuwige honger en kommer, n.1. de zonde, weggenomen en ons den levendmakenden Geest verworven.

IV. Naar vaders huis getrokken.

Waar uitgeroepen wordt: ik verga van honger, daar kan men niet rustig blijven neerzitten, maar daar moet noodzakelijk op volgen het overleg des harten: ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden: maak mij als eenen van uw huurlingen. En dat voornemen zal ook gevolgd worden door de daad.

Ja, waar het leven ons ontnomen wordt, daar wordt het nochtans: ik zal opstaan..., daar breekt de ziel door de Filistijnsche slagorden heen om water te verkrijgen uit Bethlehems bornput, daar gaat de ziel uit in schreiend hongeren en dorsten tot Gods troon. Hoe ze er komt, dat weet ze zelf niet, evenmin als de moordenaar wist en kon verklaren, hoe zijn arm om de kruispaal geslagen kwam onder de uitroep: gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. O, wat komt hier het eenvoudige, klare zondaarsgeloof aan het licht. Niet waar, hoewel de ziel in deze omstandigheden er niet over reflecteeren kan (gelukkig maar, want dat zichzelf nog kunnen beoordeelen in deze gesteldheid getuigt toch van te weinig in nood verkeeren; doch anders is het reflecteeren in een in het geloof wederkeeren vanuit Christus tot zichzelf en zoo zijn staat van genade tot voorwerp des geloofs verkrijgend daarin tot zalige troost bevestigd worden, voor welk reflecteeren hier natuurlijk nog geen plaats is) hoewel de ziel in deze omstandigheden er niet over reflecteeren kan, wat schittert in dit hongerend en dorstend worstelen voor den troon het goud der genade Gods! Of is het niet een wonder, dat de ziel, die zich leerde kennen als verloren en dat naar recht tegenover den heiligen God, toch niet af kan laten hand en oog op te heffen naar omhoog, dat de ziel, hoewel zij het uitgetogen zwaard van Gods gerechtigheid tegenover zich ziet, toch aan den , hemel hangt met het: wees mij zondaar genadig? Daarin wordt toch klaar bewezen, dat hier dat geloof werkt, dat ziet wat het lichamelijk oog niet opmerkt, dat in zich heeft in den grond een vertrouwen op de barmhartigheden Gods in Christus, juist het tegenovergestelde van de Kaïnsgestalte dus: mijn misdaad is te groot, dan dat zij vergeven worde, waarin niet het geloof, maar het ongeloof spreekt. — Daarom kan een bevestigd kind des Heeren soms met jaloerschheid op zulk een worstelaar zien: wat ligt het

daar teer! en met schaamte"tot zichzelf inkeeren.

Hoe is het in dezen met u, lezer? Kent ge ook het overleg: ik zal opstaan en zeggen: ik heb gezondigd... en om genade worstelen bij mijn Rechter. En kent ge ook den nood, die brengt tot de daad? O, naar Hem toe te kruipen en de zoom van Zijn kleed aan te raken, dat moge uw hart verstaan!

Ik zal opstaan... Voor den letterknecht is dit een steen des aanstoots, want die gaat praten: hoe kan een mensch zelf opstaan en naar God gaan. En hij weet haarfijn te teekenen, hoe onmachtig een mensch wel is, en intusschen omhelst en kust hij wellicht de zonde, de wereld en zijn eigengerechtigd vleesch en behoudt de onmacht des menschen slechts voor onderwerp van gesprek.

Maar een hongerende ziel en, in het algemeen, Gods kinderen kunnen het bij hem niet uithouden. Neen, zij leeren het anders: niet op eigen beenen loopen en met een ingebeeld geloof toeëigenen, maar omkomen van honger, en dan... uitroepen: ik zal opstaan... en het komt ervan ook. En wat is de geloofservaring dan? Daarvan zingen zij daarna:

Zij zullen, uit de volheid van 't gemoed. Gedachtig aan den milden overvloed Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen En juichen van al Uw gerechtigheên. De Heer' is goed en vriend'lijk en weldadig, Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig; Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken; Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken.

En in verwondering prijzen ze vrije genade: door U, door U alleen. Hadt Gij niet naar mij omgezien, ik had nooit naar U gevraagd, ik was nooit een bedelaar aan den troon geworden. — Verstaat ge dit? De Heere geve het.

Wat komt nu die verloren zoon eerlijk voor den dag: ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ben niet meer waardig om uw zoon genaamd te worden. Daar wil hij vallen, buigen in het stof, zich niet meer verontschuldigen met zijn jeugdige onbesuisdheid enz., neen, in zijn gedachten buigt hij reeds in het stof.

O, het is goed voor God te vallen met Esthers woord: kom ik om, dan kome ik om, Gode vrijheid toe te kennen over ons, om met ons te doen naar Zijn welbehagen, Zijn recht te billijken, doch Zijn genade niet te kunnen loslaten.

O, buigt u dan in het stof, legt u neer voor de poort der genade, hongerende ziel, en spreekt daar uw gansche hart uit: ik heb gezondigd en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. Terwijl ge meent den klopper niet te kunnen vinden, zal toch zijn geklop tot in het hart des eeuwigen Gods klinken. Waar toch alle vermeende rechten vrijwillig worden prijsgegeven, daar zal alleen de schepter kunnen worden toegereikt.

O, wie voor God valt in de schuld en in levende honger naar wafe gerechtigheid, zoodat hij toch ook weer al is het . maar als de minste huurling begeert te zijft, »pdat hem nog maar een brokske mag toevallen, die zal wondere dingen ervaren.

Misschien merkt ge op: die jongeling wilde toch nog een huurling worden, en dus geeft hij zich toch nog niet onvoorwaardelijk over. Nu, als dat de bedoeling van deze trek in de gelijkenis zou zijn, dan zij gezegd, dat hij het onderweg verloren is, want straks herhaalt hij het niet. Maar we loopen nu niet vooruit. Ik beluister echter in dit: maak mij als eenen van uw huurlingen, meer de bede van den tollenaar: wees mij zondaar genadig, en merk hierin meer op de gestalte van de Kananeesche vrouw, die niet kon aflaten, ook al had ze alles tegen, tot zelfs de discipelen toe, ja schijnbaar zelfs Jezus, en die liever zich vernederde tot het in Israël zéér verachte, dan zonder genadebetoon jegens haar uit Jezus' mond verder te leven.

Want daar is een liefdebetrekking tot God geboren, welke brengt een droefheid naar Hem. Het is toch niet zoo, dat een zondaar, verootmoedigd onder Gods recht en daaronder buigende, even graag verloren gaat als dat hij behouden zou worden. Neen, daartoe heeft hij te goed den dood in al zijn ontzetting aanschouwd. — Wat wordt er helaas vaak maar gepraat te dien opzichte, wat kant noch wal raakt: groote woorden, maar geen zaken, wel zwaarheid, maar geen klaarheid. Ach, mocht het meer beseft worden, dat ook onze woorden gewogen worden op de weegschaal des heiligdoms. En laat ons toch beseffen, dat we, als we met woorden ons op de been moeten houden, eenmaal in de ure des gerichts met een stomme mond voor God zullen staan. — Neen, maar Gods recht leert de zondaar billijken, terwijl toch nochtans op de bodem zijner ziel blijft: gena, o God, gena!!, want Gods gemeenschap te moeten derven, dat is de hel. Daarom, o, een huurling dan maar, opdat ik nog een lichtstraaltje mag ontvangen van Uw vriendelijk aangezicht. —

En kan dat van de bodem der ziel niet meer door de keel. dan is ook meteen de eeuwige volle en rijke genade Gods in Christus daar, waarmede de verloren, wegzinkende boeteling wordt opgevangen.

Zoo is het dan een hangen aan den hemel en aan de barmhartigheden Gods in Christus, steeds onwaardiger wordend in zichzelf. O. laat u dan niet door allerlei waanwijsheid en influisteringen van den Vorst der duisternis van die plaats voor de poort der genade verdrijven, maar bedenk. dat tegen alle aanklacht en zelfverwijt en booze gedachten, ja tegen alles, wat daartegen opkwam in, de verloren zoon toch overlegde: ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden, maak mij als eenen van uw huurlingen. — En dit is naar het onderwijs van onzen hoogsten Profeet en Leeraar.

Lezer, zijt ge uw zoons-of dochtersrecht al eens verloren? O, dan loopt het laag voor ons af, zoo laag, dat we de zwijnen gelukkig achten, dat we vergaan van honger en onweerstaanbaar naar dat tehuis getrokken worden, dat we verlaten hebben. Nu dan geen praat, maar daad, opdat ge met allen, die in die banden ook gebonden zijn geweest, ervaren moogt, dat voor zulke afvalligen, vijanden en goddeloozen nu dat Brood des Levens in den Zoon van Gods eeuwige liefde is: voor zulke wegloopers en doorbrengers. O, om hen, die roepen: ik verga van honger, te kunnen spijzen, heeft Hij Zijn eigen, eenig-en eeuwiggeliefden Zoon niet gespaard, maar overgegeven om als broodkoren te worden verbrijzeld. Hij heeft Zijn lieven Zoon uitgezonden en tot hèt voorwerp Zijns toorns gesteld, opdat Hij den verloren zoon tot verheerlijking van al Zijn deugden om den hals zou kunnen vallen en kussen. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 augustus 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DEZE ontvangt de zondaars en eet met hen!

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 augustus 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken