Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Inspiratie der Heilige Schrift

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Inspiratie der Heilige Schrift

17 minuten leestijd

Het verschijnen van de ..Kleine Dogmatiek" van de hand van Dr. G. C. van Niftrik, welke onlangs benoemd is tot kerkelijk hoogleeraar te Amsterdam, is voor ons aanleiding om onze aandacht te schenken aan het uitermate belangrijke onderwerp van de Inspiratie der Heilige Schrift. Immers, in genoemd werk worden over de Heilige Schrift stellingen verdedigd, die wel zeer afwijken van hetgeen de Bijbel van zichzelf zegt en van hetgeen de Kerk omtrent haar belijdt.

Nu is de Hervormde Raad voor „Kerk en School' van plan voor de „Kleine Dogmatiek" een groote plaats in te ruimen in onze Kerk. Het is dus wel noodig dat wij voor dit boek op onze hoede zijn.

In het „Voorwoord" zegt de schrijver: „Ik schreef op aandrang van den Hervormden Raad voor „Kerk en School". Het bleek den Raad, dat de litteratuur, die voor de studie voor de Aanteekening „Geloofsleer" op de acte der christelijke onderwijzers beschikbaar is, verouderd moet heeten. Om in die leemte te voorzien werd dit boekje in de eerste plaats geschreven. Toen ik reeds met de uitvoering van mijn opdracht bezig was, werd in den Raad voor „Kerk en School" opgemerkt, dat er ook bijna geen geschikte leermiddelen zijn voor het godsdienstonderwijs op de middelbare school. Mij werd toen gevraagd ook hieraan te denken bij de bewerking van dit geschrift." Voorts hoopt de schrijver, dat ook deze of gene dominé er iets aan zal hebben en dat ook de studenten het kunnen gebruiken. In ieder geval is het zijn bedoeling geweest Kerk en School beide te dienen. Aldus de schrijver.

Het boek komt dus met kerkelijke pretenties. De Hervormde Kerk blijkt ook vertrouwen te hebben in den schrijver, want de Raad voor Kerk en School heeft hem opdracht gegeven om te schrijven. Wij willen nu nagaan of dit vertrouwen gerechtvaardigd is en of dit boek een zuivere vertolking ïs van Schrift en Belijdenis. Wij bepalen ons tot paragraaf 27, die handelt over „De Heilige Schrift". Indien werkelijk blijkt, dat de „Kleine Dogmatiek" de toets niet kan doorstaan, dan is de Generale Synode, „in gehoorzaamheid aan 4e Heilige Schrift en staande op de bodem der belijdenisgeschriften", verplicht aan dit geschrift geen approbatie te verleenen en het op de index te stellen.

Uit den aard der zaak moeten wij ons in deze lezing beperken tot enkele hoofdzaken Deze paragraaf 27 vraagt een uitvoerige studie.

Na eerst het moderne standpunt ten aanzien van den Bijbel en daarna de mechanische inspiratieleer te hebben afgewezen, gaat Dr. van Niftrik er toe over om zijn eigen zienswijze uiteen te zetten. De schrijver zegt:

„De Bijbel is een menschelijk boek... Geen orgaan van directe mededeeling Gods. De Bijbel is getuigenis. Menschelijk getuigenis. Maar... getuigenis van Jezus Christus."

„Dus ernst makende met het feit, dat de Bijbel een menschelijk boek is, kan men den Bijbel als menschelijk getuigenis aangaande Jezus Christus lezen en beoordeelen, zooals men dat alle menschenwoord pleegt te doen. Het wetenschappelijk onderzoek, de historische en de literaire critiek zijn ook met betrekking tot den Bijbel volkomen vrij. Men kan op dit menschelijke getuigenis immanente critiek oefenen, bijv. m^t betrekking tot de wereldbeschouwing, die in dit boek tot uitdrukking komt — of met betrekking tot zijn moreele en historische inhoud — ja zelfs met betrekking tot zijn religieuze en theologische inhoud. Omdat dit Boek zoo menschelijk is, is de ergernis hier altijd mogelijk, ja onvermijdelijk. De Bijbel is een boek, waaraan men zich om te beginnen altijd ergeren zal. Dat kan niet anders, want de Bijbel is (vergeten wij het niet!) een boek, dat van a tot z door Joden geschreven is. En tegenover den Jood staan wij met bevreemding."

Dr. van Niftrik ziet dan de bekende parallel tusschen de inspiratie en de incarnatie (vleeschwording), en vervolgt: „Zooals gij u voor de menschelijke gestalte van den Zone Gods niet schamen moogt, en steeds opnieuw uw ergernis aan het vleesch van Jezus van Nazareth overwinnen moet — zoo moet gij u ook niet schamen voor de volkomen menschelijke vorm, waarin het eeuwige Woord Gods tot u komt."

Dr. van Niftrik wijst dan op verschillende onvolkomenheden in den Bijbel:

le. het verkeerde wereldbeeld; 2e. het verwaarloozen van het onderscheid tusschen historie eenerzijds en legende anderzijds;

3e. de aanvechtbaarheid van verschillende religieuze en theologische uitspraken. Hij constateert „dat er vrij groote tegenstellingen bestaan tusschen Wet en Profeten, tusschen de synoptische Evangeliën en dat van Johannes, tusschen Paulus en Jacobus. Alvorens wij den Bijbel als Gods Woord geloof kunnen schenken, moet de ergernis over al deze onvolkomenheden van den Bijbel overwonnen worden."

Tot zoover Dr. van Niftrik. Deze zienswijze nu gaat lijnrecht in tegen verschillende uitspraken der Heilige Schrift zelf. Dr. van Niftrik betoont zich iin zijn Schriftopvatting een navolger van Barth en een aanhanger van de dialectische theologie.

De schrijver zegt dus, dat de schriftcritiek gerechtvaardigd is vanwege de ergernis, die de Bijbel noodzakelijk door zijn onvolkomenheid bij ons moet opwekken, evenals ook velen, volgens 1 Corinthe 1, zich ergerden aan de prediking van het kruis.

Hier nu worden m.i. twee groote fouten gemaakt:

le. de oorzaak van de ergernis wordt niet gelegd in den mensch, tot wien de Bijbel komt. maar in den Bijbel zelf. De mensch, tot wien de Bijbel komt, staat hier dus godsdienstig en zedelijk hooger, dan de schrijvers van den Bijbel, waarvan de Bijbel zelf zegt, dat het zijn: „heilige mannen, gedreven door den Heiligen Geest". Eenerzijds wordt dus de mensch autonoom verklaard, de verantwoordelijkheid voor zijn schuld wordt hem ontnomen, en anderzijds wordt de Heilige Geest schuldig verklaard aan verschillende feilen in de Heilige Schrift. Het is een groote fout om de ergernis los van onze persoon te objectiveeren in het geschreven Woord Gods. Het is ook ten eenenmale in strijd met de bedoeling van Paulus in 1 Corinthe 1. Hij zegt (vs. 23): „doch wij prediken Christus den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis en den Grieken een dwaasheid; maar hun die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods." En in vs. 18: „Want het Woord des Kruises is wel dengenen die verloren gaan, dwaasheid, maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods".

Hieruit zien we, dat alleen het ongeloof zich ergert aan Gods openbaring, maar dat het geloof in het kruis de hoogste wijsheid Gods ontdekt en daarom dat kruis met vreugde aangrijpt.

Wij mogen m.i. wel spreken van de dienstknechtgestalte der Heilige Schrift, mits we daarmee maar niet meer bedoelen dan dat de H. Geest menschelijke taal en begrippen in Zijn dienst heeft genomen om daardoor de goddelijke waarheid aan ons te openbaren. Deze openbaring nu is wel inadaequaat, d.w.z. God heeft niet alles van Zichzelf geopenbaard, alleen maar wat Hij noodig achtte in Zijn souvereiniteit, maar deze Openbaring — laten wij dat nooit vergeten! — is zuiver en onfeilbaar;

2e. volgt hieruit een andere fout van de dialectische schriftbeschouwing. Want gelijk het menschelijke in Chriistus, hoe zwak en nederig ook, toch van het zondige vrij bleef, zoo is ook de Schrift „sine labe concepta" (onfeilbaar). Maar de dialectici zijn hier inconsequent. Want zij belijden wel, dat de dienstknechtgestalte van Christus zonder zonde was, maar zij ontkennen dit van de dienstknechtgestalte der Heilige Schrift.

Wat nu de onvolkomenheden in de Heilige Schrift betreft, welke volgens Dr. van Niftrik onze ergernis oproepen, daarover willen wij het volgende opmerken:

le. de Bijbel zou een verkeerd wereldbeeld geven. Hierop antwoorden wij, dat de Bijbel in 't geheel geen wereldbeeld leert. In de Heilige Schrift wordt ons niet anders geopenbaard dan de gewone kijk. dien alle menschen hebben op het heelal, wanneer ze slechts schrijven, wat ze aanschouwden. Wij zeggen, b.v. ook: „De zon komt op, " terwijl dit wetenschappelijk

niet juist is uitgedrukt, maar wat aanschouwd wordt, dat wordt gezegd. Verder is alles, wat ons aangaande het heelal in den Bijbel wordt meegedeeld dichterlijke beeldspraak. Immers de meeste teksten in dit verband komen voor in poëtische gedeelten. Deze „gewone kijk", die toch niet verkeerd genoemd kan worden, en die dichterlijke beeldspraak worden nu door den Heiligen Geest in Zijn dienst genomen.

2e. de Bijbel zou het onderscheid tusschen historie eenerzijds en sage en legende anderzijds verwaarloozen. Op dit punt is Dr. van Niftrik uitermate vaag. Voor-: eerst vragen wij: „Wat bedoèlt hij met sage en legende? " Het ware juist geweest, indien hij deze woorden duidelijk had omschreven. Hij zegt alleen: „de Bijbel geeft ons niet geschiedenis-in-onzen-zin, maar wat wij noemjen sage en legende." Laten we aannemen, dat Dr. van Niftrik onder „sage en legende" verstaat, wat Barth er onder verstaat. Barth bedoelt hiermee: stukken iin de Bijbel, die moeilijk voor te stellen zijn vanuit ons menschelijk denken met zijn historische categorieën. Sage en legende zijn geschiedenis tusschen God en mensch en vallen buiten het terrein der algemeene „Geschichtlichkeit" en vormen volgens Barth de bijzondere „Geschichtlichkeit". Het wil niet zeggen, volgens Barth, dat de Bijbel een „mythe" zou zijn, want een mythe is fantasie. Wanneer de historische critiek de Bijbel als „mythe" duidt, dan wijst Barth dit af. Alleen in de legende of sage of bijzondere „Geschichtlichkeit" valt de openbaring. De critiek problematiseert alleen de algemeene Geschichtlichkeit en op dit terrein is nu nooit de openbaring gelegen.

Wij kunnen hiertegen aanvoeren: le. alle geschiedenis, niet alleen de bijzondere, is geschiedenis tusschen God en mensch! 2e. zoo niet, dan is de band tusschen openbaring en geschiedenis principiëel gebroken en wordt aan de critiek vrij spel gegeven ten aanzien van den Bijbel; en 3e. de sage en de legende dienen zich aan als historie, maar zij zijn het niet! Men kan dus tot het opsporen hiervan alleen komen door een aprioristische maatstaf van te voren aan te leggen, maar nooit op zuiver exegetische gronden. Zulk een apriori is echter weer in strijd met het karakter der Heilige Schrift, die zichzelf aandient als historie.

Het moge dus duidelijk zijn, dat met het begrip „sage en legende" alle objectiviteit in de Schrift wordt prijsgegeven. Wij hadden gaarne gezien, dat Dr. van Niftrik nu eens had gezegd, waar in den Bijbel dan sagen en legenden te vinden zijn.

Hierover zwijgt hij ten eenenmale. Valt de paradijsgeschiedenis hieronder? 't Is best mogelijk. Want waarom zwijgt Dr. van Niftrik in zijn geheele dogmatiek over een historische zondeval? Of is dit soms een moment van ondergeschikt belang? Met klem ontkennen wij, dat de Bijbel sagen en legenden bevat, waar deze zich als historie aandient. Het zou in strijd zijn met de betrouwbaarheid van de Heilige Schrift. Wel geeft de Bijbel andere geschiedenis dan onze moderne geschiedeniswetenschap. Maar 't blijft toch altijd geschiedenis. De Bijbel schrijft geschiedenis met een bepaald doel. God. de Heilige Geest heeft een selectie teweeggebracht in de historische gegevens en heeft alleen wat nóódig was laten opteekenen. Noordtzij noemt dit: „religieuze pragmatiek". Heel de Oud-Testamentische geschiedenis is gericht op Israël en op de openbaring Gods in Christus.

Ten derde constateert Dr. van Niftrik de aanvechtbaarheid van verschillende religieuze en theologische uitspraken en groote tegenstellingen tusschen de verschillende Bijbelschrijvers. Wij betreuren het, dat Dr. van Niftrik ook hier weer in gebreke blijft, dit met voorbeelden te staven en kunnen daarom niet anders doen dan zeggen, dat dit standpunt in strijd is met de heiligheid der Schrift. Inmers dan zou de Heilige Geest Zichzelf tegenspreken. Schrijver dezes herinnert zich een mondelinge uitspraak van Dr. v. Niftrik op een vergadering te Geldermalsen over Hand. 17:27: Want wij zijn ook zijn geslacht". Spreker noemde dit woord: de grootste blunder, die Paulus ooit gemaakt had"!!! Hier hebt ge dus zoo'n aanvechtbare theologische uitspraak! Nu, wij achten Paulus heelemaal niet aanvechtbaar. Wie geeft ons het recht om ons te stellen boven Paulus? —

Ondanks dit alles wil Dr. van Niftrik er aan vasthouden, dat de Bijbel van a tot z Gods Woord is. Maar — volgens Dr. van Niftrik — dat de Bijbel Gods Woord is, daarover beschikt God en Hij alleen. Dat de Bijbel Gods Woord is, is een daad, een act van God. In het oogenblik des welbehagens, als Hij spreekt, dan is de Bijbel Gods Woord. De Kerk belijdt niet een toestand van den Bijbel, maar een daad van God, als zij zegt: de Bijbel is Gods Woord.

De Bijbel is geïnspireerd door den Heiligen Geest, maar wordt nog steeds geïnspireerd volgens Dr. van Niftrik. Het is duidelijk, dat Dr. van Niftrik hier de inspiratie en de illuminatie verwart. Wanneer wij het Woord Gods niet hooren in den Bijbel, dan komt dat niet, omdat het Woord op dat oogenblik niet opnieuw wordt geïnspireerd, maar omdat ons hart er voor gesloten blijft. Het Woord moet, volgens Dr. van Niftrik, van binnen uit door den Heiligen Geest geopend worden.

Hieruit blijkt, dat Dr. van Niftrik een waarheid achter de waarheid wil zoeken en zoodoende een dualisme forceert in dé Heilige Schrift. Dit is in strijd met de eenvoud der Heilige Schrift. Als ons hart geopend wordt, dan is de Schrift ons vanzelf duidelijk. De inspiratie is afgesloten, de illuminatie gaat door.

Wij willen nu in 't kort het standpunt, dat is in overeenstemming met Schrift en belijdenis samenvatten.

In 2 Timotheus 3:16 lezen wij: al de Schrift is theopneustos" (divinitus inspirata), d.i. van God ingegeven. Schrift is hier de Heilige Schrift, nl. dat wat elke Israëliet onder Schrift verstond. Voor Timotheus behoefde dit geen nadere aanduiding en misverstand was daarbij volstrekt uitgesloten; de bekende plechtige klank van het woord „Schrift" was daarvoor voldoende waarborg. Schrift is voor Paulus 't Woord Gods. „Theopneustos" hoort bij het gezegde. Paulus bedoelt juist te zeggen, dat alles, wat de naam „Schrift" dragen mag, door God is ingegeven. Daarom juist moet Timotheus in die eenmaal aanvaardde waarheid blijven! De Nieuwe Vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap luidt: Elke van God ingegeven schriftplaats is ook nuttig om te onderrichten..." enz. Zijn er dan nog Schriftplaatsen, die niet zijn ingegeven? Zooals het ethische standpunt luidde: ods Woord staat in den Bijbel, maar de Bijbel is niet Gods Woord. Om deze reden hebben wij bezwaar tegen de Nieuwe Vertaling van het N.B.G.

De inspiratie bestaat uit: le. een aandrijving des Geestes op de wil der heilige schrijvers. Zij worden onwederstandelijk opgewekt om te willen schrijven. Ze konden het aan hen geopenbaarde niet voor zichzelf houden.

2e. de eigenlijke ingeving: een inwerking op het verstand, waardoor te binnen gebracht werden die zaken, die ze uitspreken zouden. Nu eens werden reeds bekende zaken indachtig gemaakt, dan weer geheel nieuwe zaken geopenbaard. De zorg des Heiligen Geestes ging ook over de woorden, opdat deze zich 't meest eigenden ter verklaring van de uit het zelfbewustzijn Gods in het bewustzijn des menschen overgebrachte gedachten. Gedachten en woorden zijn niet te scheiden. 3e. de goddelijke besturing; de schrijvers werden voor feilen bewaard. De oude dogmatiek leerde een „inspiratio verbalis", een woordelijke ingeving.

De Bijbelschrijvers zijn geen doode stokken en blokken, maar levende menschen met een eigen ziel. Daarom zeggen wij, dat er is een „organische inspiratie", dus de Heilige Geest bediende zich van levende menschelijke organen. God heeft van hun jeugd af de bijbelschrijvers gevormd, om dragers van Zijn openbaring te wezen. Volgens Handelingen 7 : 20^22 werd Mozes veertig iaar onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren en was hij machtig in woorden en werken. Volgens Lukas 1 : 1—4 wordt het eigen onderzoek van den schrijver door den Heiligen Geest in dienst genomen. Het geschrevene draagt daardoor het stempel der individualiteit. Maar altijd blijft de Heilige Geest de eerste oorzaak en is de auteur de tweede. Zoo wordt eenerzijds de goddelijkheid der Heilige Schrift gehandhaafd en laat anderzijds de veelvormigheid in de Heilige Schrift zich verklaren. De onfeilbaarheid der Heilige Schrift is niet een vooropgezet dogma, maar een waarheid, in de Schrift zelf uitgesproken op vele plaatsen. De Bijbel is dus „autopistos", d.w.z. zij dient zich zelf aan als Gods Woord.

In 2 Petrus 1:21 lezen we: Want de profetie is niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige mannen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken."

Ook de Heere Jezus zegt, dat de wet tot op de jota toe vertrouwbaar is en doet voortdurend een beroep op Mozes en de profeten.

„De Schrift kan niet gebroken worden." volgens Johannes 10 : 35b.

Al deze Nieuw-Testamentische uitspraken bewijzen dus, dat het Oude Testament goddelijk geïnspireerd is. Maar hoe weten We nu dat het Nieuwe Testament in zijn geheel is geïnspireerd?

Het Oude Testament is echt, het Nieuwe Testament past er geheel op. Het moet dus ook echt zijn. Trouwens, de Heere Jezus zegt Zelf in Johannes 16 vs. 13: Maar wanneer Die 2al gekomen zijn, nl. de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden." En Paulus schrijft in 1 Corinthe 14 : 37: .Indien iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, die erkenne, dat hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn."

Maar waarom zijn al die boeken dan kanoniek? Hierop antwoorden wij: Omdat ze passen in het beeld van Christus." Dit geldt ook b.v. van Esther en Nehemia. Niets is in strijd met Zijn Waarheid.

De Schrift heeft dus goddelijk gezag, is onfeilbaar, algenoegzaam en duidelijk in alles wat tot zaligheid te weten noodig is. Dit is een zaak van het gelooLen kan niet klakkeloos worden aanvaard. „De Heilige Geest getuigt in onze harten dat de Schrift van God is." Maar dit is geen subjectivisme, want de Heilige Geest sluit zich altijd aan bij het Woord.

Wij moeten de Heilige Schrift aanvaarden zooals zij zichzelf aandient: door Gods Geest geïnspireerd, onfeilbaar. Alleen zoo hebben we een objectieve norm voor ons geloof. Ieder ander standpunt leidt tot subjectivisme.

Zelfs ook het Roomsche standpunt ten aanzien van de Heilige Schrift is subjectivistisch. Want Rome stelt de traditie naast, ja boven de Schrift. De traditie kan nog steeds te voorschijn worden gebracht uit de schoot der Kerk. De paus maakt uiteindelijk uit wat traditie is. Door de „divina assistentia" (goddelijke bijstand) is hij hiertoe in staat, zeggen de Roomschen. Hij spreekt dan ex cathedra. Wanneer? Hierop wil de Roomsche Kerk geen antwoord geven. Hieruit blijkt, dat het schijnbaar objectieve Roomsch-Katholieke stelsel evenzeer door het subjectivisme wordt ondermijnd.

Alleen wanneer we ons houden aan het: „Er staat geschreven", is alle subjectivisme uitgesloten. De Heilige Geest, die getuigenis geeft in onze harten van de echtheid der Schrift, komt nooit buiten die Schrift tot ons, spreekt nooit anders dan hetgeen er staat geschreven. Zoo is er dus nooit eenige spanning tusschen het Woord èn den Geest, zoóals in de vrijzinnige, de ethische, de Barthiaansche en de Roomsche theologie.

„Er staat geschreven". Alleen omdat Christus de rijkdom van het geschrevene" verstond, kon Hij den verzoeker in de woestijn driemaal afwijzen. Prof. Haitjema moge dan wel beweren, dat de verzoeker ten onrechte Schriftwoord en Woord van God gelijk stelde en dat Christus daarom dan vluchtte! Maar dit is een geheel onjuiste voorstelling. Schriftwoord is Woord van God. Er mag nooit een wig gedreven worden tusschen die beide, want dit leidt steeds tot dualisme. Dit aan te nemen is geen vrucht van een duivelsche verzoeking, maar een gehoor geven aan de Waarheid Gods! De verzoeking van satan was echter deze, dat hij een schijn beroep deed op de Heilige Schrift. Aldus Dr. Berkouwer, in zijn „Het probleem der Schriftcritiek". Hij schond haar harmonie en verduisterde haar diepe zin. Hij rukte de teksten uit hun verband. Maar Christus zette de aangehaalde teksten weer in het juiste licht van de kandelaar van het Woord. Hij boog voor de theonomie van het geschreven Woord. En na voor dit geschreven Woord gebogen te hebben, ging Hij in tot zijn ambtelijke arbeid! Laten alle dienaren des Woords evenzoo niet eerder ingaan tot hun ambtelijken arbeid, dan wanneer zij gebogen hebben voor de theonomie (goddelijk gezag) van het geschreven Woord!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 augustus 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De Inspiratie der Heilige Schrift

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 31 augustus 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken