Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Catechismus-verklaring

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Catechismus-verklaring

14 minuten leestijd

LXI

Zondag 10 vraag 27-28

HET ANDERE DEEL Van des menschen verlossing.

Dit alles is zeer wonderbaar. Wij zien, dat de onderhouding tevens omvorming der schepselen en dood in zich sluit. Dit alles kan bestaan met den wil Gods, en naar den wil Gods.

De Heere God kan bij die middellijke onderhouding gebruik maken van gewone en buitengewone middelen. Israël in de woestijn werd onderhouden door buiten gewone middelen. Het manna viel dagelijks van den hemel, door scheppend alvermogen. Dit was dus een buitengewoon middel, dat God beschikte voor Israël in de onherbergzame, dorre woestijn. En toen de Heere Jezus omwandelde op aarde, vermenigvuldigde Hij brooden en visschen om de schare van duizenden te voeden.

Hier was dus scheppende vermenigvuldiging. Weer mogen wij wel uitroepen in verwondering: hoe groot zijn, Heere, uwe werken. Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt, het aardrijk is vol van uwe goederen.

Hoe is het mogelijk, dat wij geen eerbied koesteren voor onzen Schepper en Onderhouder, in wiens hand onze adem is en bij wien él onze paden zijn. Elke ademtocht en iedere polsslag is daad van onderhoudende goedheid.

Neemt Gij hunnen adem weg, zoo sterven zij.

Al verder wijzen wij er op, dat God sommige dingen onderhoudt op zichzelven, zooals zon, maan en sterren, de hemellichamen; al is het in onderling verband en binding. Hij roept de sterren bij name en niet één wordt er gemist. Hij telt het groote getal der sterren. Hij die den Orion heeft gemaakt en het zevengesternte, die den melkweg formeerde en onderhoudt.

Indien Hij Zijn hand terugtrekt, begint een beweging, die het heelal in vlammen zal zetten, want de krachten der hemelen zullen bewogen worden en de sterren zullen van den hemel vallen in den doorluchten dag des Heeren. de dag van onzen Heere Jezus Christus. De maan zal veranderd worden in bloed, en de zon zal

zwart worden als een haren zak (Openb. 6 : 12). Bij de opening van het zesde zegel stortte heel de wereld in elkaar. De aarde wankelt, de zon wordt zwart en verliest haar licht; de maan wordt als bloed zoo rood; de sterren vallen van den hemel; de hemel wijkt terug en schijnt als een boekrol naar beide zijden zich op te rollen, óm doorgang te geven aan Hem, die ten oordeel verschijnt. Berg en eilanden verdwijnen. Het gansche samenstel van het heelal stort ineen. Het heeft zijn tijd gehad en zijn dienst gedaan. Het moet plaats maken voor een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, nieuw in aard en samenstelling en onderlinge verhouding, hoewel niet nieuw van stof of grondelementen.

De Schrift gebruikt het beeld van den vijgeboom, die door een geweldigen orkaan wordt geschud. Geen wintervijg blijft er aan zitten. Het is als een vijgenregen. En aldus vallen de sterren, alle sterren, als in een dichten regen van den hemel, zoodat niet één hare plaats behoudt. Dit beeld dient om de volkomen ineenstorting en de verdwijning naar hun huidige bestaan van alle hemellichten aan te geven. Hemel en aarde gaan in hun huidige gesteldheid en samenstelling te gronde, door de voorzienigheid Gods, door een wending in de onderhouding.

De zon werd als een haren zak, ten eenenmale lichtloos, en de maan wordt als bloed in een verschrikkelijken vuurgloed verbrandend als tot asch. De hemelgordijn opende zich, en wordt naar beide zijden opgerold. Het wordt alles weer gelijk als eene chaotische massa, uit welke daarna ophieuw de wereld wordt opgebouwd.

Denk aan Genesis 1 vers 2 en volgende verzen, maar nu veel anders, veel schooner nog, in gansch andere onderlinge verhoudingen, eeuwig onverderfelijk. De toekomende eeuw!

De voorzienigheid in de onderhouding zal nieuwe vormen openbaren, nieuwe, ongekende werkelijkheden ten toon spreiden.

Groot en heerlijk God! en dat ik, zijn arm schepsel, zal mogen deelen in die nieuwe orde van zijn... want Hij is mijn God en Vader, die zonder ons zalig was, maar toch niet zonder ons wilde zalig zijn. Wij zullen deel hebben aan de toekomende eeuw! Maranatha, de Heere komt! Kom Heere Jezus, ja, kom haastelijk!

In deze bedeeling der schepping put zich de voorzienigheid, in de onderhouding, medewerking en regeering niet uit. Ja, zelfs in de toekomende eeuw niet, want God blijft grooter in vermogen dan in zijn werken openbaar wordt, omdat zijne werken niet God zijn. Hier is voeding des geloofs, stof tot aanbidding.

Sommige dingen, zoo merkten wij op, onderhoudt God op zichzelve, maar andere in hun soort en geslacht. Zij sterven naar de exemplaren, maar blijven naar geslacht en soort. Alzoo God allen den adem en het leven en alle dingen schenkt. * *

De medewerking in de voorzienigheid Gods.

Deze daad Gods heeft betrekking op het werk der schepselen. Hoewel in alles afhankelijk en gedragen door den Schepper, heeft het schepsel toch een eigen wezenheid, bestand. De schepping is onderscheiden van den Schepper.

\ De medewerking staat in verband met den arbeid en de zelfwerkzaamheid, die de creaturen verrichten. God handhaaft ieder schepsel naar eigen aard, en daarop past zijn voorzienigheid, daarbij sluit Hij zich aan.

Zijn werken is even onderscheiden als zijn scheppende daad. Door zijne bepaalde scheppende en onderhoudende daad zijn de schepselen die ze zijn en zooals zij zijn. God neemt in acht de levensorde van elk creatuur en doet het voortbestaan naar eigen ingeschapen levenswet.

God werkt organisch, zoodat de bloem het "zaad bevat voor de nieuwe plant. God is de eerste oorzaak van alle gebeuren in de schepselen. Het schepsel is, wat wij noemen, tweede oorzaak. Hier is weer een van die wonderlijke verborgenheden, die wij nooit kunnen begrijpen of doorgronden. Dit is een stuk des geloofs.

Hierop moeten wij wel letten, om niet te komen op het verderfelijke pad der redelijkheid. De zelfwerkzaamheid van het schepsel is dan ook onderscheiden, maar niet gescheiden van het werken Gods in en door de schepselen. Deze daad Gods nu noemen wij de medewerking. Hij vloeit in in alle werkingen der schepselen. Zelfs de moordenaar, die zijn naaste doodt, doet dit met kracht, die God verleent, anders zou hij zijn hand niet eens kunnen opheffen.

Het vraagstuk echter van zonde en voorzienigheid zullen wij nog even laten rusten, om er straks nader op in te gaan.

God, zoo leerden onze ouden op grond der Schrift, vloeit in en werkt mede in alle bewegingen en werkingen der schepselen. Het hart des konings is in de hand des Heeren als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.

De Heere maakt den wijn door den wijnstok heen als tweede oorzaak. Dit is voor onzen God niet moeilijker dan water in wijn te veranderen, of wijn te scheppen door de enkele daad van zijn almachtigen wil. Zoo komt echter de medewerking niet in strijd met ae natuurorde, doch houdt deze juist in stand.

Maar de natuurorde staat niet boven of buiten God, doch Hij is in die orde en onderhoudt haar, al is Hij er niet aan gebonden. Het wonder toch blijft zijn plaats behouden en is eene andere wijze van werken dan in de natuurorde.

In de toekomende eeuw blijft het wonder over, wordt natuur. En de natuurorde, die wij kennen, houdt op te zijn. Dan zal ook die medewerking aansluiten bij de nieuwe orde van zijn der schepselen; door deze orde heen opgeheven op een nieuw vlak en gevormd tot een hooger plan. Ook hiervan geldt: Gode zijn al zijn werken van eeuwigheid bekend.

De natuurorde is niets anders dan de door den mensch nagevorschte en opgemerkte regelmaat in het werken Gods. Zóó ziet en verstaat het de Schriftgeloovige, zóó erkent het de vreeze Gods. * *

De regeering in de voorzienigheid.

De Heere regeert. Hij is met hoogheid bekleed; de Heere is bekleed met sterkte. Hij heerscht over alle dingen met souve-* reine majesteit. Hij wordt aldoor Koning.

Zijne regeering in de voorzienigheid is een doorgaande daad Gods, die alles leidt, naar het, door hem gekende en gewilde einde, omdat Hij het alzóó stelde.

God verwezenlijkt zijn eeuwigen raad. En die eeuwige raad is even onoverzienbaar rijk als de werkelijkheid. Hij regeert dus niet naar willekeur, maar naar zijn gemaakt bestek. Door onderhouding en medewerking bereikt de Heere God zijn doeleinden. Hemel en aarde blijven nog tot heden staan, want zij zijn alle uwe knechten. Alle uwe werken, Heere, zullen u loven en uwe gunstgenooten zullen U zegenen.

Deze waarheid van de regeering Gods treedt vooral naar voren onder den Koningstitel Gods. Dit Koningschap baseert zich op het feit, dat Hij de Schepper is van alle dingen. En dit regiment is niet het bestuur van een despoot, maar van een wijs, rechtvaardig en goeddoend God.

Zijne regeering gaat over alle dingen, niets uitgezonderd. En in dit Koninkrijk van macht voert de Heere Christus nu ook heerschappij, want Hem is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde. Hij houdt het boek met zijn zeven zegelen in de hand, ontsluit de zegels en ontrolt het raadsplan Gods.

De Vader regeert alle dingen door Hem, totdat Hij, die deze eere ontving als loon op zijn lijden en sterven en om zijn genaderijk te verwezenlijken, in de voleinding, het Koninkrijk zal overgeven aan den Vader; en God zal zijn alles en in allen.

De Heere regeert, en die Heere is de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.

Zoo stelt het ook de Heidelberger, zoodat dit leerstuk der regeering, in de voorzienigheid Gods, een bron van rijken troost is voor allen, die den Heere vreezen en op zijne goedertierenheid hopen.

Neen, wij kunnen die regeering niet overzien in dit groote heelal, nog minder begrijpen. Wij zien maar een zeer klein stukje van die regeering en het is Gods eere eene zaak te verbergen. Zijn doen is enkel majesteit, zegt het geloof, aanbiddelijke heerlijkheid en zijn gerechtigheid oneindig.

Wie zal tot Hem zeggen: wat doet Gij? Daarom stelt die regeering voor de vraag of wij bereid zijn God God te laten en zijn doen niet te bedillen.

Wij zijn van gisteren, wat zouden wij weten? De hand op den mond, ook als zijne regeering ons toeschijnt als het loslaten van de teugels. Als de menschheid zich roekeloos tegen Hem stelt en de satan wordt ontbonden.

Waarom dit alles? Omdat het Gode aldus behaagt! Zoo mogen wij gelooven, dat God goed regeert, al wordt de wereld een chaos, al doorbreken de driften het leven en zoekt de mensch zich dood te leven, als laatste vlucht uit en in de werkelijkheid. Hij regeert en zal zijn almacht toonen. Hij heerscht, zoover de blindste heidenen wo-

nen. Van de zee. tot het uiterste der aarde voert Hij heerschappij. Hij heeft een arm met macht, zijn hand heeft groot vermogen.

Wat geschiedt in de geheime raadskamers van de machthebbers der aarde, staat onder zijn regeering. Ja, Hij regeert hen en door hen brengt God zijn doeleinden tot stand. Wij, nietige Adamskinderen, zijn maar al te geneigd Hem het hoog gezag te willen ontwringen en zelf ten troon te stijgen.

Wij doen dat, omdat wij verdoolde stervelingen zijn, die in opstand verkeeren.

Onderwerping geeft rust. Gods regeering in eigen leven staat ons vaak niet aan en toch: Hij is recht in al zijn weg en werk.

Ontzie Hem toch, o Israël, en leer vertrouwend wachten.

Laat het mogen wezen: ik vermag niet vanwege zijne hoogheid. Als Hij ons leidt in wegen, die wij niet gekend hebben, langs paden die wij niet geweten hebben, laat 't ons dan genoeg zijn, dat Hij regeert.

Ik zal mijn mond niet opendoen, omdat Gij het hebt gedaan. En nu is die regeering in eigen leven slechts een nauwelijks meetellend klein onderdeel van zijn gansche wereldregeering; ingeweven in het groote geheel, dat wij niet kunnen overzien. Maar de Heere God overziet het geheel van eeuwigheid af en elk oogenblik van den tijd in het geheel van zijn raad en plan. Zoo moet ons hart worden opgeheven tot die godvruchtige bewondering en aanbidding van een volkomen werken Gods, dat almachtig en alomtegenwoordig, door al den loop der eeuwen zich uitbreidt. Al die eeuwen door al wat geschapen werd omvangend en insluitend.

Zoo zien wij de gansche schepping gelegd aan den boezem des Eeeuwigen.

Buiten Gods hand kan geen schepsel bestaan, zonder zijn wil zich noch roeren, noch bewegen, zonder zijn kracht niets doen.

Gij heerscht over alles en in uwe hand is kracht en macht, ook staat het in uwe hand alles groot en sterk te maken (1 Kron. 29 : 12).

Hoe schittert zijn macht en mogendheid, zijn goedheid en recht, wijsheid en genade. Hij is aan alle plaatsen zijner heerschappij. Zoo is dan een iegelijk veroordeeld, die niet leeft uit die vaderlijke voorzienigheid Gods. Veroordeeld is alle twijfel, alle ongeloof, gemis aan vertrouwen op dien God.

In den ban gedaan alle twisten met onzen Maker, die de psalmen geeft in den nacht. En wie zijn'wij dan? Moet schaamte ons aangezicht niet bedekken, als wij zien op onzen opstand, onze dwaasheid en schande?

En toch, onderwerping geeft rust! Maar de goddeloozen, zegt mijn God, hebben geen vrede, zij werpen slijk en modder op.

Hoe noodzakelijk verzoening te kennen ook voor deze schuld, om nu uit Hem te leven, die den wil des Vaders volbracht, ook toen Hij bloed moest zweeten en kermen aan het kruis.

De aanranding van Gods voorzienigheid moeten wij nog nader overdenken. Wij wijzen daartoe op ae leer van het noodlot of de fortuin.

Meen nu niet, dat gij daar niet mee van doen hebt. dat hier alleen het drieste ongeloof aan de orde is. dat met God en zijn Woord heeft gebroken.

Neen, ons natuurlijk hart gelooft nooit of te nimmer aan Gods voorzienigheid, in onderhouding, medewerking en regeering. Gelooven in den zin van erkennen en aanvaarden. Er in rusten en er uit leven.

De mensch valt op het noodlot of de fortuin. Hij bedriegt zich vaak met open oogen. Luister maar naar de gangbare uitdrukking, die men. helaas, niet alléén door de wereld hoort gebruiken. Het moest zeker zoo zijn. Een mensch kan er toch niets tegen doen. Wij menschen hebben er in te berusten. Dit klinkt wel vroom, maar is het daarom nog niet.

Als ik tegen een muur stuit, ervaar ik, dat ik er niet dóór kan, maar mij wel te pletter kan loopen en daarom... blijf staan.

Maar dat is geen berusting des geloofs.

Want in de berusting des geloofs is de erkenning van Gods goedheid en wijsheid.

Het is goed wat de Heere doet, ook al zou Hij mij dooden. Dit is geen bukken voor overmacht maar aanvaarden, in het geloof, van Gods macht en voorzienig bestel. Ik heb ze geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld. Het is een vorm van verharding.

Een openbaring van ongeloof en vijand schap.

Het wordt niet gevraagd, zeggen de menschen, en: tegen den dood is geen kruid gewassen. Indien de menschen slechts de macht hadden, zij deden de voorzienigheid teniet, wierpen Gods regeering omver. Maar de kinderen der menschen gevoelen zich door een overmacht overmeesterd. Doch er is geen rustend betrouwen. Wij morren en murmureeren en geven het dan op met mokkehd hart, omdat wij er toch niets tegen doen kunnen.

En dan zoeken wij ons aan te praten, dat wij berusten moeten, maar wij doen het in den grond der zaak niet. Meen dus niet. dat gij van nature in Gods voorzienigheid gelooft. Het ware Gods-geloof ontbreekt ons van nature, al bleef het Gods-besef.

Men moet het overgeven... er is toch niets aan te doen, zegt de ongodvruchtige mensch en waant, dat het godsvrucht is.

Overgeven, aan wie en wat? Als ik iets overgeef, dan zijn daar handen van een ander, die het overnemen, wat mij te zwaar is; en-ik raak die handen. Niemand kan Gode iets overgeven, tenzij hij daadwerkelijk God ontmoet in het gebed. Anders is dat zoogenaamd overgeven schijn. En menigeen wordt gesterkt in zijn zelfbedrog, in den waan als hij gaat verkeeren, dat hij zijn zaak den Heere heeft overgegeven.

Wie iets overgeeft is het waarlijk kwijt; uit handen gegeven in de handen Gods.

Dat gaat niet om buiten het ware geloof en dan daalt vreugde en rust in de ziel. Onderwerping geeft rust. De val begon mede met verwerping van de Gods-regeering.

De Stoïcijn bukt voor zijn noodlot, maar het is enkel een theorie, waarin hij uitdrukt tegen de overmacht niet op te kunnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 november 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Catechismus-verklaring

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 november 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken