Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BEDE voor den Koning

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BEDE voor den Koning

21 minuten leestijd

Psalm 72 vers 15: En Hij zal leven en men zal Hem geven van het goud van Scheba en men zal geduriglijk voor Hem bidden; den ganschen dag zal men Hem zegenen.

Psalm 72 is een kroningslied. In den diepsten grond spreekt de profeet hier over Vorst Messias. Gezegend zij Zijn naam! In trekken, ontleend aan het aardsche koningschap wordt de Messias geteekend in Zijn persoon en regeering.

Het is een Koningszoon, de rechtmatige erfgenaam van den troon van vader David; zijn groote zoon, wiens type David was als messiaansche koning over het volk Gods. Hij zal nederdalen als een regen; de ellendigen des volks richten en den verdrukker verbrijzelen. In zijne dagen zal de rechtvaardige bloeien. De koningen van Tarsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen. Alle koningen zich voor Hem nederbuigen. Hij is toch wereld-Vorst.

In vorige jaren hebben wij verschillende verzen uit dezen schoonen psalm met u overdacht. Laten wij op dezen laatsten advents-Zondag met u mediteeren over het vers, dat wij hierboven afschreven.

In de eerste plaats wordt van den Koning gezegd, dat Hij zal leven.

Hier is niet de lijdende Knecht des Heeren in zijn nood en ellende. Geslagen en benauwd, neen, hier is de LevensvorstI De heerlijkheid van den komenden Messias wordt bezongen, de heerlijkheid en de eere, de roem en majesteit van dezen Koning. Kom, daaraan doet gij zeker wel mee? Gij hebt toch juichensstof? Of... of raakt u zijn glorie niet? Ik stel deze vraag vandaag maar éénmaal! Aan u gedacht heb ik dus wel, maar ik zal toch geen bijzonder gesprek met u houden, want de lof des Konings moge tot u spreken, u ongelukkig of gelukkig maken.

Ik zal het lied van een Koning zingen. Het lied des levens en u oproepen Hem te erkennen. Leven is loven en bidden.

Waaraan zal nu deze Koning Zijn wereldheerschappij te danken hebben? Niet aan kracht, noch geweld. Geen machtige legers brengt Hij op de been om zijn tegenstanders te overwinnen en te doen bukken in het stof. Neen, dit wereld-omvattende Rijk zal worden gegrondvest en gesticht op den grondslag der nederbuigende en ontfermende liefde. Het is een Rijk van genade en vrede.

Armen en verdrukten worden geholpen, nooddruftigen en ellendigen gered. Hun bloed, tranen en lijden, zijn dierbaar in Zijne oogen.

De profeet bidt den dichter een lang leven toe; ja, voorzegt Hem een lang leven.

Hij zal leven! In Psalm 21 zingt de dichter aldus: Het leven heeft Hij van U begeerd, Gij hebt het Hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.

Een lang leven van een rechtvaardig vorst is een zegen voor het volk. Hebt gij nooit gedacht, als gij laast in het Woord, hoe goddelooze koningen vaak een zeer lange regeering hadden, dat hierin een oordeel Gods is over het volk?

Vrome koningen regeerden vaak slechts enkele jaren!

Immanuël zal leven! Ja, dat is nu waarlijk leven! De Vader heeft den Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelven.

Ja, Hij is de opstanding en het leven. Hij heeft de sleutels van dood en hel aan Zijn gordel, nu in de heerlijkheid. Ik ben dood geweest en zie, Ik leef in. alle eeuwigheid. Ja, deze Vorst leeft-waarlijkl Onze Koning sterft niet... evenwel, Hij is een doode geweest! Ik roep nu om adventskinderen van een bepaalde soort. Adventskinderen, die Hem kennen in de kracht van Zijn bloed en Zijn onvergankelijk leven. Die, geboren uit water en Geest, met Hem zijn gekruisigd en opgestaan.

Die met Hem leven! Want, de belofte is vervuld en blijft eeuwig vervuld van dezen Vorst. Ja, hoor, hoe dan een volk in druk en nood, lijden en aanvechting, toch het hoofd opheft en juicht: wij zullen de eerkroon dragen, doorll, door U alléén, om het eeuwig welbehagen. Hoor, ik verneem van zijn lippen in zaligen vrede: Ik leef en gij zult leven! Hoor, de dood ligt achter ons en het leven voor ons en in ons! Ik leef, doch niet meer ik, Christus leeft in mij.

De dood komt. David is ontslapen als hij in zijn tijd den raad Gods had gediend. Salomo is bijgezet in de koningsgraven bij Jeruzalem! Zij zijn gestorven en hebben verderving gezien. Maar, deze Vorst leeft, zelfs als Hij ligt in het graf. Ook in den dood is Zijne goddelijke natuur niet gescheiden geweest van Zijne menschelijke. En wat Hij gestorven is, is Hij der zonde éénmaal gestorven en wat Hij leeft, leeft Hij Gode. Hij sterft niet meer.

Hij heeft den dood achter zich, voor eeuwig. Neen, Hij heeft den dood overwonnen. Maar leven is in de Schrift nooit bloot-zijn, doch werkdadig zijn, in actie verkeeren. Jezus leeft. Zoo ziet de profeet het Messiasbeeld vóór zich en verkondigt hetgeen Hij schouwt van zijn grooten Zoon, dien hij stervende zal groeten en bewonderen in den geest, door den Geest.

Hoe vaak lezen wij in de Schrift: zoo waarachtig als de Heere leeft! Dat wil zeggen: Hij toont Zijn macht en mogendheden.

En Hij zal leven...

David ziet Hem schitteren in de kracht zijns onvergankelijken levens. Nu, na zoovele eeuwen leeft Hij nog, en Zijn kracht is niet vergaan, Zijn arm niet verstijfd of slap. Zijn hart even vurig... ja, Hij leeft om voor Zijn volk te bidden nu in de heerlijkheid. Want, gij gevoelt toch wel, dat de profetie hier niet, zooals trouwens nooit, blijft staan bij Bethlehem, maar Hem ziet tot in de eeuwigheid vanuit de vleesch-wording.

Ja, Hij Jeeft zóó intensief, dat er leven van Hem uitgaat, dat Hij leven geeft. Maar, kan nu dit woord: Hij zal leven óók genomen als bede: Hij leve! Zeker wel! De Koning leve! Dan is dus de zielsbegeerte, niet, dat Hij in het leven moge blijven, maar, dat Hij zich als de levende aan ons betoone! Ik ben vaak dor en mat, zoo klaagt gij, maar Hij leeft en daarom kan ik toch niet sterven! De Koning leve! Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp.

Wie in Hem gelooft, zal leven, ook al ware hij gestorven. Zijn leven is een leven voor den Vader, gelijk Hij ons Gode, voor God gekocht met Zijn dierbaar bloed.

Ik zal niet sterven, maar leven en de werken des Heeren vertel'en! Hij level

Hier zijn Taborsglanzen, doch geen slapende discipelen. Hier is Davids groote Opvolger! Deze zal groot zijn, en God zal Hem den troon Zijns Vaders Davids geven. Als alle grooten der aarde zijn gevallen, leeft Jezus nog!

Dit leven van Vorst Immanuël is geven, is heil-brengen. is heerschenl

Ja, wij zullen met Hem hcerschen in het leven over verslagen vijanden. Dit is het leven van ons hart. Hem te verheffen boven het hoogste onzer blijdschap, Hem te verheerlijken met den Vader en den Geest.

En men zal Hem geven van Scheba. van het goud

Eerst enkele opmerkingen van historischen aard. In de volken tafel van Genesis 10 (vgl. Gen. 25 : 1—4) komt Scheba voor in drieërlei samenhang. Gesproken wordt van het Keturische Scheba ten Oosten van de Roode Zee. Verder het Joktanitische Scheba, ten Zuid-Oosen van Midian. Dit ligt dus ten Zuiden van 't eerste Scheba.

De Sabeërs waren de bewoners van Scheba. In het midden van de tiende eeuw vóór Christus kwam vandaar een koningin, om een bezoek te brengen aan Salomo. Dit Scheba lag meer Noordelijk ten Oosten van Midian.

Het plaatsje Seba, verme'd in vers 10 van onzen psalm, lag in Afrika. Maar het gaat in ons vers om Scheba.

Goud werd van de oudste tijden gebruikt voor sieraden. Maar in Kanaan werd geen goud gevonden. Het werd daarom ingevoerd uit Ofir, op de schepen die Salomo daarheen zond, en uit Parvaim, voor den tempelbouw. Zoo kwam ook in Israël de goudsmederij op.

"In vers 10 lezen wij: de koningen van Scheba en Seba zullen vereer'ngen toevoeren. In dat zelfde vers ziet David in den geest de koningen der verst afgelegen landen naar zijn Koningsstad opgaan, om den Vorst te huldigen door geschenken en schatting, die zij moeten opbrengen.

Reeds ziet hij den koning van het verre Westen, van de groote handelsstad Tarsis (wellicht is Tarsis in Spanje bedoeld). Ook ziet hij, dat van verre e landen zijn aanbidders komen. En de koningen van het verre Zuiden laten zich niet onbetuigd. Uit Scheba, voor den transporthandel dier dagen zoo bekend en belangrijk (in Z.W. Arabië) en van Seba (aan de Afrikaansche kust) van de Roode Zee of nog verder naar het Zuiden. Ja, geen koning zal ergens op aarde zijn of hij zal Israëls kon'ng hulde bieden, geen volk, of het zal Hem dienen (vers 11).

De nieuwe Koning is wereldbeheerscher in veel voller zin dan de koningen van Assur of Babel ooit hebben gedroomd.

Moeten wij dit nu letterlijk verstaan? Ten deele. Wij weten, dat het rijk onder Salomo's regeering zijn grenzen het verst had uitgezet, en dat de koningin van Scheba kwam om hem te vereeren met geschenken en te beproeven met raadselen.

Maar daarin gaat de profetie niet op. Begonnen zijnde met zijn zoon, is David opgeklommen, door den Geest der profetie, tot het Koninkrijk van Christus.

En hoe zal nu David zijn volk de geweldige uitgebreidheid van het Rijk van Vorst Messias bijbrengen anders dan door hun bekende namen van verafgelegen landen te noemen? Geweldig, zoo moeten zij denken, welk een gebied, wereldomvattend! In dit Rijk is ook plaats voor koningen en vorsten. Hun rijken moeten aan Jezus schatting betalen in onderdanen. De koningen moeten voor dezen Vorst buigen, willen zij met hun rijk niet te gronde gaan. Zoo is het toch ook heden nog.

Het goud van Scheba, dat zij brengen, is dus aanduiding van de schatting of vereering die zij brengen zullen. Schatting wijst naar onderwerping. Want ja, dit Rijk is gevaarlijk voor alle rijken der aarde. Tenslotte zal het alléén overblijven. Dat heeft Daniël gezien, toen dit ééne Rijk alle andere vermaalde.

Is dit nu geen rijke adventsgedachte temidden van deze wereld, die zich opstelt tegen God en Zijnen Gezalfde? De machtigen der aarde rekenen niet met Hem, maar Hij rekent met hen af, eischt onderdanen voor Zijn Rijk. Zij zullen komen van Oosten en Westen, van Noorden en Zuiden, om Hem hunne zonen en dochteren af te staan. Zijn naam zal zijn van geslacht tot geslacht.

In den geest zien wij de aarde Hem onderworpen, alle vijanden verdaan en... het eeuwige vrederijk breekt aan! Hallelujah!

„Hoewel nu Christus niet heerscht om goud te vergaderen, heeft David door dit beeld toch willen aantoonen, dat zelfs de volken, die het verst afwonen, Hem zoodanige hulde zullen betoonen, dat zij z'ch met alles wat zij hebben aan Hem zullen onderwerpen. Want, het is niets nieuws om de heerlijkheid des geestelijken Koninkrijks voor te stellen door uitwendigen glans en eene zichtbare majesteit." (Calvijn).

Wij lezen in de Openbaringen, dat de volken hunne eere en heerlijkheid zullen brengen in de stad Gods. Alles moet dienstbaar zijn aan dit Rijk des vredes. Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij. Dit sluit óók in, dat wij slechts rentmeester zijn van ons bezit en wij offers zullen brengen, ook stoffelijke, om de verbreiding van dit rijk te bevorderen. Menigeen vergeestelijkt om te ontkomen aan het offeren van zijn stoffelijk bezit en vraagt niet: Heere, waarmee kan en mag ik u dienen? De heerlijkheid des Rijks wordt geteekend in aardsche vormen.

Hebt gij uwe ziel Hem reeds toebetrouwd én... uw goed? Wij geven het U u t uwe hand! Maar op dit punt zul'en wij heden niet nader ingaan, ook al is daartoe aanleiding in onzen text. Men zal Hem geven van het goud van Scheba.

Hem vereeren als Koning. Ook dat ligt in onzen text opgesloten.

Hebt gij dat reeds gedaan? De wapens uitleveren! Hem erkennen als Vorst!

Hoe groot, , hoe schitterend is zijn eer, door het heil aan Hem bewezen.

Breng Hem al het uwe, ja, uzelf! Om oor Hem te worden geregeerd, bewaard n beschermd. Zoo mogen de adventskinderen Hem eeren, die nu in de hemelen is, an des Vaders rechterhand. In het geloof buigen wij de knieën voor den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid in al'e eeuwigheid. Onze Koning is van Isrels God gegeven! Hij regeert in Sion, en is bekleed met macht en heerlijkheid. Wie zou U n et vreezen. Gij koning der heidenen, want het komt U toe. Gezegend zij de groote Koning; lof zij Zijn naam.

En men zal geduriglijk voor Hem bidden.

Maar, hier kom ik toch tegen op, zegt gij? Hij bidt voor de Zijnen, maar bidden zij voor Hem? Ja zeker, gij moet maar nooit opkomen tegen hetgeen de Schrift leert, alleen zoeken te verstaan wat de beteekenis is van het Woord.

Zeker, wij hebben een voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den Rechtvaardige. Hij is zaakwaarnemer bij God en de Heilige Geest in het hart; en toch is er plaats voor het bidden van onzen text. Ja maar, zegt ge, wat is ons bidden en danken! Weet ik wel, werkelijk ik weet dat wel, en toch is het waar wat David hier zingt in diepe ontroering des harten. Bidden tot Jezus, ja, dat is een gezegend werk, dierbare Borg, treedt voor mij in, dek mij met uwe verdiensten! Opperste herder, gedenk Uw schaap; Oudste Broeder, Gij hebt mij gemaakt tot lid van het hemelsche Huisgezin, stel mij voor bij Uwen Vader en mijnen Vader.

Bidden tot Jezus, bidden tot God door Jezus; om Jezus' wille. Hij is de Middelaar Gods en der menschen.

Maar nu, bidden voor Jezus. Men heeft gezegd, deze trek geldt den aardschen koning, maar niet voor Jezus.

Toch is deze voorstelling onjuist, want er is wel degelijk een gebed voor den Koning mogelijk en werkelijk. Zouden, om ook dit te noemen, Jozef en Maria ook gebeden hebben voor hun kleinen Jezus tot God? Het kan dus wel! En later, voor den voortgang van zijn werk, de bekeering zijner broeders, die ook niet in Hem geloofden, om niet meer te noemen?

Trouwens, wie kan toch bezwaar hebben tegen het gebed voor den Koning, daar Hij Zelf Zijne Kerk de bede op de lippen heeft gelegd: Uw Koninkrijk kome! Wat is dit anders dan een gebed voor den Kon'ng en de zaak Zijns Rijks.

Laat ik Calvijn hier laten spreken: „Onder de gewone wenschen des volks, waardoor het heil des Konings Gode bevolen wordt, geeft hij te kennen, dat zij gaarne en gewillig zijn onderdanen zullen zijn. Zoodat zij boven alles zullen begeeren Hem alle gehoorzaamheid te betoonen. En voorts: hoewel velen zijn rijk weigeren en ook de geveinsden in stilte morren, zoodat zij de gedachtenis van Christus wel gaarne zouden uitroeien... de godvruchtigen koesteren de begeerte, dat Zijn Rijk bevest'gd en uitgebreid worde, in hetwelk de majesteit Gods schittert en waarin ook hun heil en gelukzaligheid is opgesloten.

In Psalm 118 is de formule des gebeds aan heel de Kerk gegeven, namelijk, dat God den Koning moge zegenen (vs. 7). Niet alsof Christus onze voorspraak of gebed noodig heeft maar zeer terecht eischt

Hij van Zijn onderdanen, dat getuigenis der godsvrucht, door hetwelk zij zich ook oefenen om de uitbreiding van Gods koninkrijk te vragen."

De Vader toch heeft dit aan Jezus beloofd. namelijk de verbreiding Zijns Rijks, en daarom is het een zalig werk tot den Vader te bidden om zegen voor den Middelaar, Sions Vorst en Koning, Wiens gebied de heele wereld is.

En Hij zal leven en men zal Hem geven van het goud van Scheba; en men zal geriglijk voor Hem bidden; den ganschen dag zal men Hem zegenen.

De Heere Jezus Zelf bad: Vader verheerlijk Uwen Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. Dit is immers het ondoorgrondelijke mysterie van de vleeschwording, dat God-in-Christus bidt tot God-Zijnen-Vader. De Middelaar bidt. En dan kunnen wij niet zeggen: naar Zijn menschelijke natuur, neen, de Zone Gods in het vleesch bidt. We bevinden ons hier in het verborgen Heiligdom des Heeren. Dit bidden nu voor Jezus en tot Jezus is de lust van Zijn ware onderdanen, de schrik der hel. Het is een genot hierover te mediteeren, en... moge dit gebed steeds dieper in ons leven, de Geest der genade en gebeden het ons steeds sterker doen beoefenen.

Hij wordt vervolgd: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. Biddende voor de vermeerdering Zijns Rijks, bidden Zijn onderdanen voor den Koning. Hij worstelt ook met den vorst der duisternis in Zijn Kerk, strijdt om de overwinning der zonde in hen. Ja, in dit bidden voor den Koning is ook opgesloten de bede, dat de Vader alle dingen onder Zijne voeten leggen zal.

Zoo wordt het gebed gebracht op hooger plan. Vele gebeden zijn erg eng en beperkt. Het is nauwelijks fladderen, maar hier worden de vlerken uitgebreid en met breeden wiekslag verheft het hart zich tot God, met de bede: zegen toch den Koning, verheerlijk Hem, schenk Hem glorie, bereid Hem overwinningen.

Het gebed van menigeen is wel zeer beperkt, eigen nooden, van gezin en dan, ja dan begint het al te tanen. Dat is toch een arm gebedsleven, altijd zich bewegen in een kleinen cirkel, als een paard in den molen, 't best geblinddoekt om niet duizelig te worden.

De apostel Paulus maant, dat wij zullen b'dden voor alle menschen, voor koningen en overheden, want dat is de wil Gods. En dit bidden moet zijn bidden voor den Koning, immers dat bidden richt zich op het welzijn des Rijks, de vermeerdering des Rijks en het leven der onderdanen op deze wereld.

Dan ligt het middelpunt des gebeds in Hem en gaat het om Hem, als den gezondene des Vaders, om de eere Zijns naams en den roem Zijner deugden.

Zoo is er een georganiseerd gebed voor Jezus in de Kerk. Dit is een gevaarlijk wapen voor alle vijanden van Sion, ja, van dezen Vorst. Denk aan Psalm 87. Welnu, alles wat de Heere dezen Koning belooft, moet gebed worden in de Kerk voor Vorst Messias. Zoo zag David het hier en zoo leert de gansche Schrift het.

Dit heft ons op uit het enge sectarisme. Dan gaat het ons niet om onzen kring of kerk. maar dan is het ons te doen om de glorie van Jezus.

Dan wordt onze ziel verruimd. Zóó bidden vaders in Christus, met wijde en diepe verwachtingen. Vader, gedenk het Rijk Uws Zoons en de Geest drijft ons aan tot dit gebed, zoodat God drieëenig wordt verheerlijkt.

Bidden voor Hem tegen de dwalingen, die Hem wonden in Zijn lichaam op aarde. Daarom moeten wij onze oogen en ooren open houden en den kost geven, om te weten hoe de zaken op aarde ervoor staan, anders treft de pijl des gebeds 't wit niet. Dat moge een moeizaam werk zijn, op de hoogte blijven, noodzakelijk is het toch wel. De Kerk aller eeuwen kende haar wereld, stond ertegenover en bad om hare nederlaag en bekeering, om de komst van het Rijk Gods.

In dit gebed voor den Koning is opgenomen de bede om geschikte middelen, getuigen der waarheid, die uitgaan in Jezus' naam om de zaak des Konings te dienen. Jezus Zelf beval: bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijnen wijngaard uitstoote. Zou dit gebed voor den Kon'ng niet al te zeer worden verwaarloosd. Gij zegt: er is weinig, echt en recht getuigenis en de getuigen, die gezalfd zijn met den Geest van Christus zijn schaarsch. Gij hebt recht gesproken. Gij zegt: dat zijn er geen van ons! Goed, maar waar zijn de uwen dan? Waar zijn de uwen? Hebt gij ze door het gebed voor den Koning gebaard in het midden der gemeente? Hoort gij dit verwijt in Davids gebed voor den Koning?

Dit gebed sluit in, voortgaan met het gebed voor degenen, die reeds in het veld zijn. Broeders, bidt voor ons. Meteen ook biddende voor ons, dat God ons de deur des Woords opene om te spreken de verborgenheid van Christus. Wij zijn vaak leeg, bidt ons vol en gij wordt verrijkt door uw smeekingen aan den troon, door uw gebed voor den Koning in zijn gezanten. Anders worden wij afgemat en lusteloos mede door uwe schuld. Ik ben er niet zoo zeker van, dat vurig voor den Koning wordt gebeden! Ach, zegt ge, ik heb zooveel met mezelf te doen! Dat is zelfzucht, het gaat niet om uw-te-doen-hebben met-uzelf, maar om-uw-te-doen-hebbenin-het-geloof met den Koning en Zijn Rijk. De bazuin wordt vergeefsch geblazen als de ooren zijn toegestopt. Uw prediker is vanmorgen koud hij kan er niet inkomen, hij heeft het moeilijk en zwaar, schiet soms uit in zijn woorden om boven zichzelf uit te komen, maar het gaat niet. Hebt gij daar schuld aan, door uw gemis aan gebed?

Bidden voor dezen Koning, om bekeering van zondaren, om bevestiging in het geloof, om voortleiding op den weg des levens, om wasdom in de kennis en de genade van onzen Heere Jezus Christus. Om de éénheid der Kerk. Vader, Ik wil, dat zij één zijn, gelijkerwijs Gij in Mij en Ik in U.

De koninkrijken moeten worden van God en zijnen Christus.

Hooren wij het wel, hoe David ons hier onderwijst, brandend van ijver voor zijn grooten nazaat? Als dit gebedsleven inzinkt, verdort het leven der Kerk. Dan gaat het als met Ephraïm, op wien de grauwigheid lag verspreid, naar het getuigenis van den profeet. Neen, het zal niet straffeloos geschieden, dat het gebed voor den Koning wordt verzaakt! Wij slaan er onszelf mee! Brengen er onszelf mee in donkerheid en diepten van ellende.

Omdat Hij niet wordt aanschouwd, om-Hij niet wordt ontmoet verflauwt de ijver. Heere, vermeerder het Rijk Uws Zoons, mijns Heeren, wiens ik ben en dien ik dien. Verwaardig mij Hem te eeren, maak, dat menschenharten zijn macht ervaren. Kom, Heilige Geest, doe wonderen! Het is toch een Koninkrijk waarin zijne onderdanen met Hem zullen heerschen. En wie een petitie, een smeekschrift, indient, moet het ju'ste adres weten, het verzoendeksel. De belofte des Vaders is er: Hij zal zaad zien. Het welbehagen aan uw eed en belofte aan uwen Zoon, onzen Heere.

Zalig werk, dat vruchten afwerpt allereerst voor den bidder zelf. David vraagt om gebed voor zijn Spruite, uit den afgehouwen tronk van Isai, en hij voorzegt dat gebed. Het zal er zijn en... het moet er zijn!

Indien gij niet waarlijk meebidt, valt gij buiten zijn Rijk, laat ik het ook zóó zeggen. Dan hebt gij geen kenmerk van den waren dienaar van dezen Koning.

Den ganschen dag zal men Hem zegenen.

Dit is het laatste lid van ons textvers, waarover wij nog slechts enkele opmerkingen kunnen maken.

Dit zeggen is lofzeggen, prijzen.

De onderdanen zullen dus eeuw in eeuw uit hunnen Koning prijzen, Hem aanschouwen in het geloof, aangevuurd door liefde, vol verwachting der hope, met Hem vereenigd door den band des geloofs. Hij blijft niet aan de overzijde, maar komt naar deze zijde, tot gemeenschap en leven en vrede der ziel.

Van dag tot dag zal men Zijn naam groot maken.

Hiertoe zijt gij geroepen om te verkondigen de deugden desgenen, d e u geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht.

De gezanten van het hof moeten hierin voorgaan; voorzanger zijn voor de gemeente. Zij moeten geen domper zetten op het leven, den mensch niet in het middelpunt zetten, maar Jezus laten schitteren, zooals Paulus getuigde: wij hebben Hem u als voor oogen geschilderd. Wij hebben niets voorgenomen onder u te weten dan Jezus Christus en d en gekruist. Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig.

De verloren mensch is geredde mensch, en zoo verlost en nog zal hij worden verlost totdat hij de voorgestelde volkomenheid zal hebben verkregen. Er zal altijd een volk zijn, dat niet van deze wereld is, dat zal zingen en belijden van dezen Koning, die Davids troon beklom. Zoolang

er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden. Deze zal groot zijn!

Ik zal zijn lof, zelfs in den nacht, zingen, daar ik Hem verwacht... Gij hebt als Koning geheerscht. Zeker, ver beneden de maat blijven Gods kinderen, altijd weer moeten zij zeggen: och, of nu al wat in mij is Hem prees! Maar dan toch in waarheid. Zij geven Hem het goud van Scheba, gebed en eere. Of onthoudt gij Hem nog alles? Uw ziel en leven. Acht gij Zijn bloed onrein, kwam het nimmer tot overgave aan Hem, om gewasschen te worden met Zijn bloed? Ik vind tot zijn lof gedurig ruimer stof. Naarmate ik mijne ellende dieper versta en overweeg uit welken nood en dood Hij ons verlost heeft, en verlossen zal, totdat wij volkomen verlost zijn naar lichaam en ziel in den dag, den doorluchten dag der opstanding, prijs ik Hem meer. O, die gesloten monden voor Zijn lof. Mag ik u één vraag doen? Ja! Zwijgt Hij ooit, als biddende en dankende Hoogepriester?

Daarom, Iaat geen stilzwijgen bij ulieden gevonden worden! Het gebed voor Hem neemt een einde, de aanbidding blijft eeuwig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 december 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

BEDE voor den Koning

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 december 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken