Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BEDE OM BEWARING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BEDE OM BEWARING

16 minuten leestijd

1

Psalm 17 vers 8: Bewaar mij als het zwart des verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen. oogappels,

Het nieuwe jaar is weer begonnen. Reeds enkele dagen hebben wij doorleefd, wanneer ons blad u in handen komt. Wat zal het jaar brengen? Wij weten het niet. Ook is het overbodig nog eens te herinneren aan al de zorgen en moeiten waarmede wij het nieuwe jaar zijn ingetreden, de sombere vooruitzichten uit te beelden.

Moge onze overdenking voor het pas begonnen jaar onzes Heeren 1947 zijn eene bede om bewaring.

Deze Psalm 17, waaruit onze text is gekozen, is een gebed van David. Hij ware zeker geen man naar Gods hart geweest, indien hij geen bidder ware. Want het gebed is gemeenschapsoefening met God. Het gebed is de ademtocht der ziel. David was zeer diep ingeleid in het smeekgebed, de kunst der heilige aanroeping van Gods naam. In alle tijden van nood vlucht hij tot zijn God om bewaring en redding.

Als dan de oproep weerklinkt om voort te trekken op het levenspad, dat omfloersd is van zorgen en bezaaid met steenen, waar zullen wij .ons dan bergen, indien niet daar, waar alléén veiligheid is? Zalig, zoo het jaar te beginnen.

Zijn wij het zóó betjonnen? Kennen wij •4eh Heere als verberging en Redder in alle nood. Gij zegt: maar de Heere heeft die bewaring Zijnen kinderen toegezegd. Ja juist, daarom kunnen wij op die bewaring pleiten in geloof. Ons dien God toebetrouwen, want wie op den Heere betrouwt is als de berg Sions, die niet wankelt in eeuwigheid.

Wie dezen Psalm aandachtig leest, zal bekennen, dat de reuk van den oven der beproeving ons eruit tegen komt. Maar het slotvers leert ons, dat David er als gelouterd goud uit te voorschijn komt. Wij beluisteren in dit klaaglied op aarde een beroep op den hemel te^en de vervolgingen en nooden hier beneden. Het ontsloten oog ontwaart hier Hem, die in al de benauwdheden der Zijnen is benauwd geweest, opdat Hij een barmhartig Hoogepriester zou zijn. David heeft een open troon der genade.

David vraagt om bewaring. Daaruit blijkt ons, dat hij vele nooden en gevaren zag en kende, voor heden en toekomst. Zijn gebed is vol van zin en groote teederheid. Het is geen papegaaienschreeuw, maar een gebed vol levend verlangen en rijk aan geestelijke bezinning. Hij kent den nood en zijn gebed is zinvol. Hart en verstand spreken er beiden in, door beademing en verlichting des Geestes. Zelfkennis spreekt ons toe in elk vers van dit lied. Immers wie zegt: bewaar mij, weet zich onbeschut door eigen middelen. Hij weet hoe zwak van moed en hoe klein van krachten hij is. Hij bedenkt, hoe zijn vijanden op de loer liggen, en hem strikken worden gespannen. Zijne oogen zijn niet hoog, noch zijn hart verheven, maar zijn ootmoedig hart heft smeekende oogen hemelwaarts tot zijn God, dien Hij vertrouwt en wien hij zich toebetrouwd. Het is toch mogelijk, dat wij ons zwak en onbeschut gevoelen, maar dat wij niet naar boven zien, geen geloofsverwachting koesteren. Dan hebben wij het benauwd en kunnen niet verder.

De vijanden omringden hem ten doode toe. En wij weten het, dat in ons geen kracht is tegen de groote menigte, die zich tegen ons stelt. Welnu, het is noodig de gevaren te kennen, zullen wij er ons voor wachten en op instellen. Wat zal het jaar brengen in staat en maatschappij, in huiselijk en kerkelijk leven, in ons persoonlijk leven niet minder?

Laat één ding zeker zijn, de Heere zal niet begeven, noch verlaten allen, die Hem vreezen en op Zijne goedertierenheid hopen. De gevaren zijn niet denkbeeldig, dat wij moedeloos zullen worden; ons hart ons zal begeven; dat wij kwaad van den Heere zullen denken, dat wij liefdeloos zullen handelen. En wat niet al?

David gevoelt zijn zwakheid, ziet de gevaren en vlucht weg in het gebed.

Bewaar mij voor alles waarvoor in bewaard moet worden. Heere, bewaar mij, anders weet ik niet, wat er van mij terecht moet komen. Dan zal ik Uwen naam smaadheid aandoen, Uw Kerk niet tot nut en zegen zijn, houd ik het niet uit.

Gelukkig, als wij mogen en kunnen vluchten in het gebed tot God in den Middelaar. Alle andere steunpunten zijn als een ijzeren punt, die ons doorboort. AJs een moerassige bodem waarin wij wegzinken. Als een schuilplaats, die onderloopt bij den vloed, en waarvan het dak wordt afgerukt bij een windvlaag.

David gelooft dus in Gods liefde en trouw. Hij weet, hoe de Heere hem bewaren kan in alvermogen. Hij, die zijn deel is in het land der levenden, zal hem gedenken. Hij rust in zijn toezeggingen, en daartoe behoort ook de bewaring.

Hij is werkzaam in het geloof vanuit Gods verbond en belofte, voor hem persoonlijk. De belofte Gods is steunpunt zijner ziel en daarom pleitgrond des gebeds. Pleitgrond en prikkel des gebeds tevens. Want de Heere heeft gezegd: ïk zal hierom van den huize Jacobs gebeden zijn, dat Ik het hun doe.

Bewaar mij als het zwart des oogappels. David verwacht een teedere bewaring des Heeren, dat blijkt uit de keuze zijner woorden in 't gebed. Ja, maar zegt gij, dat is nog niet hetzelfde om iets bidden én verwachten, dat het gebeuren zal. Zoo, meent gij dat! Gij kent toch het Schriftuurlijke antwoord van den catechismus op de vraag: wat beteekent het woordje: amen? Amen wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel, dat ik zulks van Hem begeer. —

Een waar gebed rekent op verhooring. Wie tot God komt moet gelooven, dat Hij is en een beloo'ner dergenen, die Hem zoeken. Wij moeten er toch wel mee rekenen dat het hier een gebed geldt, dat rust in een belofte des verbonds, die onvoorwaardelijk is toegezegd. Deze bewaring was en is toegezegd. Lees wat de Heere zegt in Deuteronomium 32 : 10: ij vond hem in een land der woestijn en in eene woeste huilende wildernis: ij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel. En denk ook aan dat andere woord: k zal u niet begeven en zal u niet verlaten.

Het beeld is treffend. Het zwart des oogappels. De van de iris omringde oogappel heet in het Hebreeuwsch: mannetje,

omdat in het oog het beeld van een ander in miniatuur, verkleind, zich afspiegelt. Het beeldje, dat zich daarin afspiegelt wordt dan ook genoemd dochter van het oog.

Hun hart schreeuwde tot den Heere: Gij muur der dochter Zions! laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelve geene rust, uw oogappel houde niet op (Klaagl. 2 : 18).

Hier in onzen text zijn twee woorden gebruikt voor den oogappel (mannetje) verbonden met: dochter van het oog (mannetje, dochter van het oog). Zoo wordt het beeld recht duidelijk gemaakt en versterkt. Het zwart des oogappels, dus de plaats in het oog, waar het beeld wordt gevormd. Zoo drukt David zijn bede uit om de teederste bewaring.

Het bolvormige oog ligt goed beschut in een kussen van vet in de beenige oogholte. De oogleden dienen verder ter beschutting van dit téere orgaan. De oogharen dienen mede om de stofjes en vliegjes tegen te houden en af te weeren. En de wenkbrauwen verhinderen het bijtende zweet af te druipen in het oog. Maar laat ik niet verder gaan met een beschrijving van de wondere samenstelling van het oog. Het gaat ons hier om de teederste bewaring.

David maant den Heere en. de Heere hem. David geeft zich in bewaring en de Heere neemt hem in bewaring aan. Want, wij moeten ook hier niet vergeten, dat ik mij niet in bewaring kan geven en toch mijns-zelfs blijven. Hier schort het gewoonlijk in het gebed, dat er geen volkomen overgave is en wij den Heere aanroepen om hulp opdat wij onszelf kunnen blijven. Maar, zóó deelt de Heere niet. In het ware gebed is vertrouwensvolle overgave, zich kwijt raken aan den Heere en zich op Hem verlaten. Hier is het overgeven van zichzelven aan den Heere ter bewaring. Dit is afstand doen van eigen weten en kunnen, ja van zichzelf.

Wanneer wij letten op het beeld, dat wordt gebruikt blijkt het ons, dat David bewaring vraagt door velerlei voorzorgen. Zoo is het immers bij het oog.

Hoe veelvuldig is ons oog beschermd. Oogleden, oogharen, wenkbrauwen, het traanvocht, dat ongewenschte elementen verwijderd houdt en verwijdert.

Zoo woont het oog als in een versterkte stad. Dat oog, zoo gevoelig en teer. Heere, bewaar mij als het zwart des oogappels. Als de oogappel, als het zwart ervan.

Veel werkt samen in dat oog, zonder dat wij het weten. Onbewust beschermen wij het met de hand. De pupil verwijdt en vernauwt zich in verband met de lichtsterkte, enz.

Heere, ik ben teer en zwak, bescherm mij toch door Uwe trouwe zorg. Laat toch de sterke bastions Uwer voorzienigheid mij in bewaring nemen. Anders word ik zeker vernield. David vraagt dus al-omringende bewaring. Hoe trouw voorziet de Heere in die bewaring. De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. Uw bewaarder zal niet sluimeren noch slapen. Ja, de oogen des Heeren zijn open óver zijn volk van het begin des jaars tot het einde.

Heere, bewaar mij toch, want ik heb geen verweer. En... Gij weet: ik ben Uw knecht, Uwer dienstmaagd zoon. En gij hebt gezegd — ik heb het gehoord — wie mijn volk aanrandt, randt mijn oogappel aan. Ik ben dus Uw oogappel; bewaar mij als zoodanig.

Hier is nu het rechte pleiten, het gevangen nemen des Heeren. En dat behaagt Hem zeer. Hij laat zich vangen en binden met de koorden Zijner eigen liefde. Hij laat zich vangen in zijn eigen woorden. Ja, dan hebben wij macht op God.

Kent gij deze heilige kunst. Er zijn menschen, die zeer gevat zijn om iemand in zijn eigen woorden te vangen, zonder onaangenaam te zijn; die iemand vast zetten om hem te helpen bevrijden. Zalig, als wij door den Geest zoo den Heere mogen naderen. In zelfovergave* Hem vangen, Hem binden met zijn eigen woorden. Immers, wat uit Zijn lippen is gegaan blijft vast en onverbroken. Heere, Gij hebt toch zelf gezegd, dat ik Uw oogappel ben, anders zou ik het niet durven zeggen, maar daarom ook bewaar mij dan alzoo. Ja, in Gods oogappel wordt zijn eigen beeld weerspiegeld. Luister naar David: Heere, neem ter oore, mijn gebed met onbedriegelijke lippen gesproken. Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort. Let gij wel op dat woordje: omdat! Heere, dat weet ik, dat Gij mij verhoort, anders riep ik niet. Ik maak staat op uw genade en uwe trouw. Neig uw oor tot mij, hoor mijne rede. Maak Uwe weldadigheden wonderbaar — als Uw oogappel — Gij, die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen die tegen Uwe rechterhand opstaan.

Bewaar mij als het zwart des oogappels. Laat de machten des hemels voor mij strijden als ten dage van Sisera. Bewaar mij ook dit jaar, terwijl de raderen Uwer voorzienigheid voortwentelen, welker bewegingen ik niet kan verstaan, dat alle dingen moeten medewerken ten goede, wat er ook over mij komen zal, mij zal bestrijden, onder vijanden en vrienden zelf s Ja, bewaar mij voor valsche broeders, en dwaallichten, die meenen zeer veel schijnsel te geven.

Doe mij de smarten des levens dragen, in onderworpenheid aan U, en onder bewaring van U. Zoo leggen wij onze smeekbeden neer aan Zijne voeten, met David. Zij worden door de kracht Gods bewaard, voor de erfenis des hemels. Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op allen, die Hem vreezen.

Het is genade, die mij ontledigd; genade, die mijn aarden vat vult. Genade, die mij mijne onwetendheid toont, genade, die mij wijs maakt tot zaligheid.

Bewaar mij als het zwart des oogappels. Heere, bewaar mijn voet voor de paden des inbrekers. Beschut mij door Uw bewaring van alle zijden, van binnen en van buiten, want ik ben zwak van moed en klein van krachten.

Bewaar mij met Uwe zevenvoudige macht. Heere, geef, dat mijn oog het goede aanschouw, dat Gij uit onbezweken trouw. Uwen uitverkorenen toe wilt voegen. Gij kunt alleen zorgen, dat Uw oogappel niet wordt beschadigd. Heere, het geldt toch Uw eigen eer en naam. Bewaar mij naar Uwe toezeggingen, opdat, wanneer de gedachten zich in mij vermenigvuldigen, deze mij levend maken.

Laat Uwe engelen over mij de wacht houden, mij omringen als oogleden. Ja, laat mij gedurig ervaren, dat ik ben omgeven door Uwe goedertierenheden.

David let zeker ook op het voortdurende der bewaring. Alle dagen, die wij nog leven zullen in dit ondermaansche tranendal, hebben wij die bewaring zoo noodig.

Hij wil zeggen: wat moet er anders van mij worden. Wij denken niet altijd aan ons oog, maar de middelen ter bescherming zijn steeds aanwezig.

Een stofje komt in het oog. Het begint te tranen en het stofje komt in het hoekje van het oog en kan verwijderd worden. Ook hierin is bewaring van het oog. Wij zijn niet zoo dwaas te meenen, dat wij op onzen tocht door de zandwoestijn geen last zullen hebben van het stof in onze oogen. Vooral als wij vermoeid worden en onze voeten niet voldoende opheffen; als wij het hoofd laten zakken en niet goed vooruitzien. Met opgeheven hoofde... ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs... versterkt door genade.

Geef Heere, dat ons oog mag tranen over eigen dwaasheid, dat tranen mogen afvlieten over de zonde, gelijk de profeet klaagde: waterbeken vlieten van mijne oogen omdat zij Uwe wet niet onderhouden. Tranen van verootmoediging over de breuk der Kerk Gods, die steeds grooter wordt, ondanks alle klachten erover. De pijn in het oog is gunst, opdat wij weten zouden, dat het oog behandeld moet worden. Als wij in slaap vallen gaan de oogleden dicht ter bescherming.

Heere, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, bewaar ons toch, o alvermogend God en Vader in den Heere Jezus Christus. Begon zoo het jaar voor u, in worstelend gebed, met overgave der ziel aan dien getrouwen God? Of, kent gij Hem niet? Moge dit jaar uw oog geopend worden voor het groote gevaar waarin gij verkeert, opdat gij niet als een blinde ten verderve gaat.

Zoekt den Heere terwijl Hij te vinden is.

Bewaar mij als het zwart des oogappels. Het zegt ook: bewaar mij voor het stof der aarde. Dit prikkelt het oog en veroorzaakt ontsteking. Bewaar mij, voor hetgeen de wereld noemt kleine zonden.

Deze moeten bestreden, of wel de vrede • des gemoeds wordt verstoord.

Bewaar mij voor opgewondenheid, voor drijven van eigen gedachten, die toch niet zijn ontsprongen aan het woord Uwer waarheid. Bewaar mij voor eigenzinnigheid. Voor onvruchtbaarheid, voor verzaken van mijn taak en plicht, ieder in de plaats waar Gij ons hebt gesteld.

Wat kan een klein stofje of vliegje in het oog een last en pijn veroorzaken. Wij knijpen het oog dicht en kunnen er niet door zien. En wanneer in beide oogen tegelijk een stofje waait, dan zouden we verblind in de sloot loopen. Het beste is dan maar even stil te blijven staan en niet verder te gaan, want dat is gevaarlijk. Het is wel duidelijk hoe zeer wij de bewaring

des Heeren noodig hebben, gelet op de teerheid van het oog, en het stof der levenswoestijn, waardoor wij ook dit jaar onzen weg zullen moeten vervolgen. Bewaring is overal en altijd noodig. De gevoeligheid van het oog leert ons ook deze les: Heere geef, dat ik zoo teer mag zijn als een oogappel is. Laat ook dit jaar het peweten teer zijn, het verwijderd raken van U ons aanstonds smarten, zoodat wij als afkeerige kinderen wederkeeren tot U, den Heere. Laat Uw aangezicht over ons lichten en wees ons genadig. Heere, Gij weet, dat er anders niets van mijn leven terecht komt, en ik Uw naam zal onteeren, Uwe deugden schenden en mijn naaste niet tot nut zal zijn. Gij vermaant in Uw Woord: bedroeft den Heiligen Geest Gods niet. Heere, dat is een schrikkelijke zonde, dat zou mijn ziel verwoesten, bewaar mij ervoor.

Want ik vertrouw niet op mijn vroomheid, maar alleen op U. Ik heb U bedroefd, dierbare Geest, vaak vóórdat ik het weet. Zelfs voor een enkele lichtglans is het oog gevoelig. Laat het dit jaar zoo mogen zijn, dat ik acht geef op die glanzen van Uwen Geest; dat ik mag opmerken, want ik belijd den Heere, dat ik een zeer onachtzaam schepsel ben.

Geef, dat het mij geestelijk moge gaan als in het natuurlijke. Wanneer wij uit het licht in het donker komen, spalken wij onze oogen open om het minste licht op te vangen en na een tijd kunnen wij iets zien waar wij meenden, dat het pikdonker wgs. Laat ons als wij wandelen in duisternissen en diepten Uw lichtsprankels opmerken, onze oogen wijd open houden en — U mogen herinneren aan Uw eigen woord: het licht is voor den rechtvaardige gezaaid en vroolijkheid voor de oprechten van hart. Gij wilt toch niet, dat wij in het donker dwalen, Gij hebt toch in Uwen . lieven Zoon ons het licht geschonken en Hij zeide toch: Wie Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben. Gij wilt wel, dat wij in het donker het geloof oefenen om zelfs dan op U te vertrouwen, maar Gij wilt evenzeer, dat wij in het donker .niet tevreden zijn, doch verlangen naar het licht van den dag, waarin wij wandelen, naar Uw eigen woord.

De gevoeligheid van het oog is mede zijn beschermer.

Mogen wij dit jaar de zinnen oefenen anders struikelen wij over een stroo.

Dit is de weg, wandel in denzelven. Ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn. Indien uw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheele lichaam verlicht wezen, maar indien uw oog boos is, zoo zal uw geheele lichaam duisternis zijn.

Geef Heere, dat ik geen scheel oog zet, geen gluiperig oog vorm, maar een eenvoudig oog om recht te zien, laat Uwe bawaring ook daarin mogen uitkomen.

Laat onze oogen helder mogen zijn, ziende op Jezus, onze voeten opgeheven, onze schouders teruggetrokken, om den loop voort te zetten, ziende op het wit. En laat ik ook dit jaar een recht gebruik maken mogen maken van den bril der Schriftuur, want anders ben ik om beurten verziende en bijziende. Dan meen ik het te weten en weet het niet. Laat mijn oog waren over bergen en in dalen van Uwe ontferming. Uw Woord ontsluit toch diepe vergezichten voor tijd en eeuwigheid.

Bewaar mij als het zwart des oogappels. Zoo hebben wij in korte trekken samen nagedacht over Davids gebed en... meegebeden om die al-bewarende genade des Heeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 januari 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

BEDE OM BEWARING

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 januari 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken