Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Catechismus-verklaring

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Catechismus-verklaring

10 minuten leestijd

LXXI

Zondag 12 vraag 31-32

HET ANDERE DEEL

Van God den Zoon

De mensch was priester. Hij wist zich gelegd aan het liefdehart Gods. Die indalende liefde vervulde de kameren zijner ziel. Ontstak het vuur op het altaar des harten. Zijn leven was een liefdeleven en nu brengt hij zich Gode ten offer. Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere mijne sterkte.

En die liefde tot God was ook de haard van de liefde tot den naaste en tot de schepping. De mensch had een priesterlijken dienst in het heelal. Hij bracht het offer der liefde en aanbidding. Het heimwee naar dit verleden kan het hart doen uitgaan naar den tijd, die eeuwigheid zal zijn, waarin Gods gemeente weer volkomen is hersteld in zijn ambten, ja, tot hooger plan opgevoerd dan Adam, door de verlossing, die in Christus Jezus is.

Maar de mensch was ook koning. Gods macht en heerschappij daalde in in zijn leven, want ook dat ambt stond niet los van de gemeenschap met God, neen, bestond alleen in de voortdurende openbaring Gods en mededeeling Gods van kracht en macht in de schepping en eigen leven.

Als koning voerde hij heerschappij, beheerscht door God.

Hij had heerschappij over de dieren des velds, stond in eere en aanzien in het midden der schepping. Zoo had de Heere God door en in dien mensch als zijn beelddrager, zich een heerlijken naam gemaakt. De mensch was het pronkjuweel der schepping.

Maar ach, wat zijn wij diep gevallen, toen wij meenden te klimmen en Gode gelijk te zullen worden. Zware val... in de diepte des doods, onder het oordeel. Wij werden spotkoning, afgodspriester, en valsche profeet, want het beeld Gods werd verloren. Niet in dezen zin, dat wij nu in een blooten natuurstaat kwamen te verkeeren, maar dat ons gansche bestaan werd vergiftigd door de zonde.

Alle krachten en bewegingen der ziel richten zich van God af op het schepsel.

Keeren zich ook tegen God in vijandschap.

Maar God geeft zijn schepping niet prijs. Neen, Hij beschikt zich een Middelaar. Jezus is de Christus, de ambtsdrager bij uitnemendheid en in gansch eenigen zin tevens. Hij is de waarachtige, zondelooze mensch, de ware ambtsdrager Gods. Hij is dit in gansch eenigen zin, want Hij is de God-mensch. Ook, al vallen de ambten niet in de godheid, toch is zijn menschelijke natuur onafscheidelijk en onvermengd verbonden met die godheid, als de Zoon, het Woord, dat vleesch werd.

Als de Christus moet Hij dienen en weer een volk den Vader koopen en daarstellen, dat profeet, priester en koning is, door zijne zalving deelachtig te worden. Zoo, dat de mensch God weer recht kent, Hem van harte lief heeft, en met Hem regeert in de eeuwige zaligheid. Zie, dat is het schoone eindperspectief van Gods gemeente. Wanneer wij dit recht verstaan kunnen we nu overgaan tot de bespreking van de drie ambten van den Zaligmaker, Jezus, die de Christus is.

Het profetisch ambt van Christus.

Hij is met den Heiligen Geest gezalfd tot onzen hoogsten profeet en leeraar, die ons den verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft, zegt de Catechismus.

Het is noodzakelijk, dat wij onderscheiden tusschen den algemeenen achtergrond en het speciale karakter van dit ambt onzes Heeren. In deze wereld is veel kennis van natuurlijke dingen, het menschelijke vernuft zoekt in te dringen in de geheimen der schepping en doorvorscht het oneindig kleine en het oneindig groote. Met microscoop en telescoop doorzoekt de mensch de schepping. Speurt de verbanden op in het scheppingsleven, bouwt aan den tempel der wetenschap en zoekt zich een naam te maken en de schepping aan zich te onderwerpen. De Schrift spreekt van de wijzen dezer eeuw. Nu hangt ongetwijfeld deze kennis der menschheid samen met den Zoon, als het Woord en de algemeene verlichting van den Geest. Als de landman vindt hoe zijn koren te dorschen, zegt de profeet: zijn God onderricht hem van de wijze en Hij leert hem.

Ook de kennis van goed en kwaad ontspruit eveneens aan de werking des Geestes, want anders hadden wij die niet. Zoo leert ons de apostel in Romeinen 1. In hetzelve w^s het leven en het leven was het licht der menschen en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen (Joh. 1).

Niet begrepen, niet in zich opgenomen. Deze algemeene verlichting is dus de betraling door het licht des Zoons. Hij was cheppingsmiddelaar. Maar als de Chrisus is hij Knecht des Vaders. Door de zaling des Heiligen Geestes is Hij aangeteld en bekwaamd tot hoogste profeet om de ware kennis Gods bekend te maken tot zaligheid.

Zijn ambt oefende Hij uit vóór de vleeschwording naar den raad Gods in en door de profeten. Een profeet toch is geen voorzegger van toekomstige dingen allereerst, ook niet aankondiger van Gods oordeelen, maar een profeet is een mensch, die gezet wordt in Gods raad en dien raad bekend maakt, op Gods last. Een profeet is geen zedelijk getuige of volksleider. Een profeet is een mensch, op wien God beslag legt om den verborgen raad der vërlossing bekend te maken. De profeet zet de historie in het licht van Gods raad ter verlossing. Zoo kan het zijn, dat hij gepasseerde dingen meedeelt, het heden verklaart en de toekomst onthult in het licht van Gods raad en dan zeer bepaald in het licht van den raad der verlossing, waarin het oordeel is opgenomen.

Luister naar het oordeel over den valschen profeet. Hoor niet naar de woorden der profeten, zegt de Heere der heirscharen, want zij spreken het gezicht van hun eigen hart en niet uit mijnen mond, want wie hunner heeft in den raad des Heeren • gestaan en zijn woord gezien of gehoord? (Jer. 2* 16).

Er is alzoo een raad des Heeren en die raad is verborgen in den Heere, zijn goddelijk voornemen der liefde en des vredes. Geen schepsel kan daarin gluren, maar de Heere wil dien raad tot zaligheid bekend maken en daarom kiest Hij daartoe zijn instrumenten. Niemand kan in den hemel opklimmen om dat Boek te halen en te ontzegelen. Dit is Gods geheim.

God nu heeft den Middelaar doen lezen in zijn raadsbesluit, in zijn ambt als profeet. En als profeet moet Hij nu ook voor de openbaring zorgen. Zoo is de Heere Christus de hoogste profeet en Leeraar.

Hij staat in den heilsraad Gods als geen tweede. Alleen door Hem is deze kennis mogelijk, aan Hem ontspringt zij. En door Hem wordt zij geopenbaard. Alle anderen zijn dus slechts, wij zouden kunnen zeggen, hulpprofeten. Een profeet uit het midden uwer broederen, zoo spelt Mozes, als mij, zal u de Heere uw God verwekken, naar Hem zult gij hooren.

Want dien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods, want God geeft Hem den Geest niet met mate (Joh. 3 : 34).

De vraag, of Jezus dan pas bij de vleeschwording de Christus is, moet zóó niet worden gesteld. Immers Hij is van eeuwigheid verordineerd, aangesteld tot zijn drie ambten, tot Christus gesteld. En met de oprichting van het genadeverbond, terstond na den val, oefent Hij die ambten aanstonds uit, ook al is Hij nog niet in het vleesch verschenen. Zeker liggen hier moeilijkheden voor ons denken, maar het geloof aanvaardt Gods Woord ook hierin, zonder begrijpen, doch met aanbidden.

Zoo leert de apostel Petrus: an welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade aan ons geschied, onderzoekende op welken en hoedanigen tijd de Geest van Christus, die in hen was, beduidde en tevoren getuigde het lijden dat op Christus komen zoude, en de heerlijkheid daarop volgende (1 Petr. 1 : 10).

Petrus wijst cr dus op welke hooge en rijke voorrechten de christenen zijner dagen hadden* Niet alleen hun toekomst is schoon en heilvol. Neen. zij hebben reeds nu veel meer dan de profeten van ouds.

Die hebben naar dat heil gevraagd en onderzocht. Hier wordt ons dus onderwezen hoe de bediening der profeten een navorschen was van het heil des Heeren in Christus te schenken. De profeten vragen en onderzoeken naar den zin van hun eigen profetieën. Ook de Heere Jezus laat licht vallen op dit merkwaardig gebeuren. Want voorwaar, zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben ze niet gezien; en te hooren de dingen, die gij hoort, en hebben ze niet gehoord (Matth. 13:17). Zij gingen met heilbegeerte na wie toch de Christus wezert zou, zochten in te dringen in het heil, dat in Hem zou worden geopenbaard.

En nu zegt Petrus, dat zij dit deden door den Geest van Christus, die in hen was. Zij spraken door den Geest van Christus over zaken waarvan zij zeiven den vollen inhoud en den diepen zin niet verstonden. Ze dachten na en vergeleken, door dienzelfden Geest van Christus over lijden en heerlijkheden van den komenden Messias. Zoo valt er bijzonder licht op het profetisch ambt van Christus, dat Hij door den Geest reeds bediende vanaf het paradijs, na den val.

Daarop moeten wij letten om geen verkeerde voorstellingen te maken over Christus in zijn bediening onder het oude verbond.

De vleesch-wording wordt zoo niet overbodig, maar is de voortdurende veronderstelling van zijn bediening door den Geest der profetie, die genoemd wordt de freest van Christus.

Maar dit niet alleen. De Zone Gods heeft in den ouden dag zich vertoond als de Engel des Verbonds, verscheen in menschelijke gedaante om den weg der zaligheid te leeren. Toen Abraham zat in de deur zijner tent óp den heeten middag, verscheen hem de Engel des Heeren, en hij ontdekt, dat hij met God te doen heeft.

Hij verschijnt aan Jacob in Pniël en worstelt met hem (Gen. 32).

En Jezus zegt: Abraham heeft begeerd mijn dag te zien en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest.

Hij verscheen aan Jozua in de velden van Jericho als de Vorst van het heir des Heeren. Tot Manoach sprak Hij: wat is het, dat gij naar mijn naam vraagt, die is toch wonderlijk en Hij voer op in de vlammen van het altaar.

Maar nu een nieuwe vraag. Hoe bleef de profetie van den raad Gods tot verlossing bewaard onder de menschen, in de kerk des Heeren?

Door mondelinge overlevering, door bewaring des Geestes.

Eeuwen lang was er geen teboekstejling van hetgeen was geopenbaard. Maar met Mozes, de profeet en middelaar des verbonds, begint de schriftelijke opteekening onder leiding des Geestes. Dit is dus niet een menschelijk getuigenis aangaande de openbaring, maar zelf openbaring Gods.

De Heilige Schrift ontstond uit en door de bediening van den Geest van Christus.

De profeten dan zijn menschen wien de oogen geopend zijn, hoorders van de redenen Gods, die het gezicht van den Almachtige zien, die verrukt worden en wien de oogen ontdekt worden.

Hun volgende last was de hun geopenbaarde waarheid van het heil te verbreiden. Wacht u, dat gij niet vergeet de dingen, die uwe oogen gezien hebben en dat zij niet van uw hart wijken al de dagen uws levens, en gij zult ze aan uwe kinderen en kindskinderen bekend maken. Zoo werkte de Geest van Christus in de geslachten tot verlichting. Wordt zijne gemeente ingeschakeld bij de bewaring en verbreiding van de profetische waarheid, de onthulling van Gods heilsraad. Zoo ontsluit zich de rijkdom van dit getuigenis van den Geest van Christus in de profeten en het volk des Heeren. Maar wij mogen nooit vergeten, dat het de oude bedeeling is: de vervulling van de beloften is er niet.

De genieting der belofte is minder in kracht, de onzekerheid grooter, het gemis sterk, ondanks alle vertroostingen en sterking des geloofs. De Geest diende en bediende in de bedeeling des verbonds naar den stand van het verbond. Dit was Gods welbehagen, naar zijn raad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 januari 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Catechismus-verklaring

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 januari 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken