Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Catechismus~verklaring

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Catechismus~verklaring

11 minuten leestijd

LXXXVII

Zondag 12 vraag 31-32

HET ANDERE DEEL Van God den Zoon

Vraag 32: Maar waarom wordt gij een christen genaamd?

Antwoord: Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzoo Zijner zalving deelachtig ben. opdat ik Zijnen Naam belijde, en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeere.

De boven afgedrukte vraag met het antwoord hield ons reeds bezig in het vorig artikel. Wij zagen hoe iemand een waar christen wordt. Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus ben...

Door het geloof wordt Gods gekende ingelijfd in het lichaam van Christus, treedt in gemeenschap met Christus als het Hoofd. Zoo zijn zij met Hem vereenigd door een hechten band, die niet kan verbroken worden, omdat de Heilige Geest dezen band des geloofs onderhoudt en werkzaam maakt.

Zonder den Geest kwam het nooit tot gemeenschap en wanneer de Geest niet aldoor werkzaam bleef zou het geloof ophouden te werken, gelijk ook het geloof in de voorbede van Christus is gewaarborgd en in het liefdesvoornemen des Vaders is gegrond. God drieëenig maakt ons zalig en door den Zoon hebben wij gemeenschap met den Vader.

Wat brengt nu dit in-zijn in Christus, als lidmaat zijns lichaams mee? Wel, zegt de Catechismus: en alzoo Zijner zalving deelachtig ben.

Dier zalving deelachtig zijn vloeit dus voort uit de gemeenschap des geloofs met Christus. Over de zalving van Christus spraken wij uitvoerig. Zij vat samen de aanstelling of verordineering en de bekwaammaking tot het ambt. Die ons gezalfd heeft is God, die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. De Heere wil, dat zijn volk een priesterlijkkoninkrijk zal zijn, en Christus verheft hen daartoe.

Dit antwoord plaatst ons dan ook midden in het bevindelijke leven, in de toepassing des heils door den Heiligen Geest. Wien Christus de zaligheid bereidt, past Hij ze ook zekerlijk toe. De mensch blijft niet die hij van nature is, als hij christen wordt. Zijn geloof is niet in den hemel, maar in zijn hart, zijn verandering is geen zaak van de toekomst alleen, maar van het heden. Als een leeg vat verbonden wordt met een waterreservoir loopt het vol. En hoe lager het vat staat, hoe sterker de stroom en hoe sneller het is gevuld. Deze gemeenschap des geloofs met Christus nu is levensvoorwaarde van den christen aldoor. Verbonden met Christus blijft hij verbonden, al moge het geloof soms zwak zijn, ja, ziek. Afsluiting leidt tot ondragelijke smart en wij kunnen er zeker van zijn. dat de christen aan deze afsluiting zou sterven ware het niet, dat Christus voor zijn werk instaat. Als een mensch een kronkel in den darm krijgt, is de doorgang . afgesloten en treden heftige brakingen op, kan hij niet blijven leven en moet hij zoo snel mogelijk worden geopereerd. Heman was bedrukt en doodbrakende, door zulk een geestelijke afsluiting. David kermde: ik zal dezer dagen één omkomen door de hand van Saul. Gij kunt ook zeggen, dat het ongeloof, de twijfel, de benauwenis des satans het geloof als dichtdrukt, zoodat de gemeenschap met Christus is verstoord, maar nooit ten volle verbroken. Dit kan hierom niet, omdat het geloof, gewerkt door den Heiligen Geest, gave Gods, een planting is des hemels waarvoor God instaat.

Wel leert Hij ons welke gevolgen die afsluiting hebben zou, indien zij niet genadig werd verholpen. Wij willen maar zeggen, dat het niet zoo vanzelf-sprekend is, dat een mensch geloof en blijft gelooven; een geloovige is en blijft. Neen, dat is louter genade.

Welnu, wanneer ons dat klaar voor oogen staat — en de Heere zorgt dat het zoo is — dan mogen wij gaan zien, dat de christen der zalving van Christus deelachtig is.

Gij hebt de zalving van den Heilige. De dichter van Psalm 133 zingt daarvan: Het is gelijk de kostelijke olie, op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard Aarons, die nederdaalt tot op den zoom der kleederen.

De zalfolie druipt af van het hoofd Aarons, den Hoogepriester, op zijne kleederen. Zoo overstroomt zij zijn lichaam. De Bruid zingt ervan: Uwe oliën zijn goed tot reuk, daarom hebben U de maagden lief.

Zoo worden wij door in-zijn-in-Christus, door het geloof, Zijner zalving deelachtig. Wij gaan deelen in zijn ambten, worden ambtsdragers, daartoe geroepen en bekwaamd. Onze bekwaamheid is uit God, die ons ook van Zijnen Geest gegeven heeft.

Zijner zalving deelachtig... Wij hebben gezien hoe de Heere Jezus als de Christus gezalfd is met den Heiligen Geest, om zoo onze hoogste profeet en leeraar te zijn, onze eenige Hoogepriester en eeuwige Koning. Welnu, dien Geest worden wij deelachtig uit de bediening van Christus. Wij worden gezalfd met den Geest van Christus, die in Hem is en op Hem rust als het Hoofd des lichaams. Daarom is is die Geest de bedienende Geest van Christus, zoodat de christen ambtsdrager wordt uit de borgtochtelijke bediening van Vorst Messias.

Die zalving is een weldaad van het genadeverbond, met zaligmakende bediening des Geestes, uit Christus. Hier is herstel van de ambten, door de zonde verwoest, door de genade herwonnen in beginsel.

Het herstel der ambten, van profeet, priester en koning is in Christus gewaarborgd. Hij biedt de zekerheid, dat wij eenmaal volkomen hersteld, herschapen naar Zijn beeld, weer volledig ambtsdragers zullen zijn.

De voortdurende bediening van den Geest van Christus houdt de anftten in den geloovige in stand. Van valsche profeet worden wij deugd-verkondigers Gods, van afgodspriesters worden wij weer ware priesters in liefde, en van spotkoning-slaven van den vorst der duisternis worden wij weer koning om onder en met Christus te regeeren. En dat alles op den grondslag der verzoening met God, bewaard door de genade. Wij hebben nu niet meer, zooals in rechtheid zelf de zaak der ambten in handen, maar ze worden bewaard in Christus en bediend uit Christus door den Geest van Christus. Het herstelde beeld Gods is onverwoestbaar en onverliesbaar. Wij worden door de kracht Gods bewaard tot de verkregen verlossing.

Nu komt de onderwijzer tot de nadere toelichting van de drie ambten, zonder te spreken van profeet, priester en koning. Doch het is duidelijk, dat deze drie ambten in het antwoord aan de orde zijn.

Opdat ik Zijnen naam belijde...

Dit is blijkbaar omschrijving van het profetische ambt van den waren christen. Tot dit belijden van Gods naam, is de christen geroepen en wordt hij bekwaamd. Wij worden weer gezet in Gods raad, opgenomen in de profetische bediening van den Heere Christus. De christen verkondigt de deugden des Heeren. Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijnen lof vertellen. Zij zullen... daar sta Ik voor in. Geroepen uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, verkondigen zij Gods deugden. Daartoe zijn zij geroepen uit den nacht der zonde en des doods. f

Opdat de God onzes Heeren Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in zijne kennis, namelijk, verlichte oogen uws verstands. Zoo leert de christen kennen de verborgenheden des geloofs, en wat zij historisch wisten wordt geheiligd voor hoofd en hart beide.

Al Gods deugden worden hen dierbaar samengevat in de verborgenheid der godzaligheid, God, geopenbaard in het vleesch.

Toch is het waar: „wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele. Maar hetgeen ten deele was zal eenmaal volmaakt zijn in den dag der dagen.

De gansche schepping, het tijdgebeuren, eigen levensleiding en lot verschijnt in het licht van Gods deugden en wordt aldus geprezen. Opdat ik Zijnen Naam belijde. Dien Naam beminnen wij, dien Naam, zoo heilig, groot en goed. In den Naam ligt verankerd het samenstel van Gods deugden. Zijne waarheid en gerechtigheid. Zijne liefde en heiligheid. Dit belijden van Zijnen Naam is gebonden aan de openbaring, waaruit wij dien Naam leeren kennen en voortgaan te kennen.

De profeet, de christen, de gezalfde, is verkondiger van Gods deugden, verheffer van Zijn nooit-volprezen Naam. *,

Opdat ik Zijnen Naam belijde...

Dit belijden geschiedt nu met woorden, gedachten en ook door daden.

Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor Mijnen Vader, die in de hemelen is, en voor Zijne heilige engelen.

Doch, wie Mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijnen Vader, die in de hemelen is.

Iemand kan veel spreken over godsdienst en toch geen profeet zijn. Dat wil zeggen: niet getuigen uit de zalving van Christus. Niemand toch kan zeggen Jezus den Heere te zijn dan door den Heiligen Geest. Ik schaam mij des Evangelie's van Christus niet, want het is een kracht Gods tot zaligheid.

Laat uw woorden met zout besprengd zijn, zoo maant het profetisch getuigenis. Het getuigenis is vaak zwak maar toch onder het klankbord des hemels. Van nature is onze mond gesloten voor den lof des Heeren, alleen de zalvende bediening des Geestes maakt onze tong, Gode-aangenaam, los en zoo wordt het: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.

Zeker, het kan zijn, dat de lofzang in stilheid is tot God in Zion, Hem zal men de geloften betalen. De lof is betamelijk. Hoe betuigde de dichter-profeet, dat hij eeuwig zou zingen van Gods goedertierenheid, zijn waarheid zou vermelden door zijn redenen. Soms wil de lof niet doorbreken, is het hart en de tong stroef, kunnen zij niet inkomen in den lof van Gods deugden en leeren wij hoe diep afhankelijk wij zijn van de invloeden van des Heeren Geest. Leeren wij hoe dood onze natuur is, ja, dat het leven ligt midden in den dood. Maar als het hart dan weer open gaat en wij den Christus zien lichten, den Heere mogen opmerken in Zijn werk en liefde, wordt onze ziel ontstoken en de fakkel geworpen in de brandstof des hemels. Ten slotte houden zij het toch met den Heere in Zijn naam, zaak, werk en Kerk. Ik zal den Heere zingen in mijn leven, ik zal mijn God psalmzingen terwijl ik nog ben. Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn, ik zal mij in den Heere verblijden. Dan kan zich ook een gesprek ontwikkelen met den naaste tot lof des Heeren. Geen vuile rede ga uit uwen mond, maar zoo daar eenige goede rede is, tot nuttige stichting; opdat zij genade geve, dien die ze hooren. Christenen, gezalfden, moeten als lichten schijnen in het midden van een krom en verdraaid geslacht. De ware christen moet ook getuigenis geven van den Heere, als profeet, door voorbeeld en wandel. Het streven moet zijn om ook zonder woorden te winnen door godzaligen wandel. Woorden wekken, voorbeelden trekken. Daarbij moeten wij ervaren, dat allen die in Christus Jezus godzalig willen wandelen, zullen vervolgd worden. Van Mozes lezen wij, dat hij met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren aanschouwde en zoo moeten de christenen deze heerlijkheid, als in een spiegel aanschouwende, naar datzelfde beeld in gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid als van des Heeren Geest. En deze Geest is de Geest der openbaring in Zijne kennis.

Wel zijn Gods kinderen onderscheiden van Christus in de mate der zalving maar niet in wezen. De bijzondere openbaring nemen zij op in hun bewustzijn om er werkzaam mede te zijn in het geloof en zoo te komen tot den lof des Heeren.

De Heilige Geest leert hen alle dingen.

Dit profeet-zijn draagt dus een eigen karakter en is niet op één lijn te stellen met het bijzondere ambt der profeten van den ouden dag.

Dit ambt is herstel van hetgeen de mensch in rechtheid kende en bezat in het beeld God. waarnaar hij was geschapen. Aan de eene zijde was het toen rijker, omdat van geen twee-mensch sprake was. aan den anderen kant was het beperkter, omdat de kennisse Gods door de openbaring zich nog niet betrok op den Middelaar Jezus Christus, aangezien daarvan pas sprake komt door de zonde en de genade, daarna geopenbaard. Maar kon Adam zijn ambten verliezen door ontbeering van het beeld Gods, het herstelde beeld is onvernietigbaar wijl onderhouden door de onverliesbare genade, krachtens het verbond der genade waarvan Christus de Middelaar is. En de Heilige Geest zal bij hen blijven en in hen zijn.

Och, of nu al wat in mij is, Hem prees! Loof den Heere, mijne ziel!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 8 March 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Catechismus~verklaring

Bekijk de hele uitgave van Saturday 8 March 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken