Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

AMALEK overwonnen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

AMALEK overwonnen

18 minuten leestijd

2

Exodus 17 vers 8 en 9: Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim.

Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen en trek uit. strijd tegen Amalek; morgen zal ik op des heuvels hoogte staan en de staf Gods zal in mijne hand zijn."

Amalek strijdt tegen Israël te Rafidim. Hij heeft de achterhoede van het optrekkende leger verraderlijk aangevallen en schade toegebracht. Hij meent, dat er geen gevaar is om wederkeerig aangevallen te worden en trekt zich terug om wellicht bij gelegenheid nog een aanval te doen.

Maar hij vergist zich. De Heere komt tusschenbeide. Hij wekt Mozes op om den strijd aan te binden met dezen aartsvijand. Wij hoorden van de plannen in den Heere ondernomen. De Heere stelde twee middelen vast om hem te bestrijden. Wanneer Hij had gewild had Hij een wind kunnen doen opkomen om hem te verdrijven. Hij had zijn gedachten zoo kunnen binden en leiden, dat hij geen hand had durven uitsteken naar Israël, gelijk de Heere Laban weleer waarschuwde met Jacob noch goed noch kwaad te spreken. Maar neen, de Heere God beschikt het anders. Ook hierin is Zijn wijsheid niet te meeten noch uit te putten. Het plan des Heeren was zóó opgezet, dat velen erin zouden worden betrokken. Hij gebruikt Mozes, zijn trouwe knecht. De Israëlieten hadden hem nog pas willen steenigen, maar de Heere zegt, Ik wil hem gebruiken, want hij is Mijn knecht, Ik heb zijn staf gewijd, zijn hart gesterkt, voorzien van moed en kracht. Wie mij veracht, kon Mozes wel zeggen: God wil mij niet verachten, noch oor noch oog van mijn verdrukking wenden. Herinner u wat in vers 4 wordt gezegd: Zoo riep Mozes tot den Heere, zeggende: Wat zal ik doen dezen volke? Daar feilt niet veel aan of zij zullen mij steenigen.

Wat valt ons altijd weer op bij Mozes? Wat ons opvalt? Wel, dat hij nooit wrokt op Zijn volk, maar altijd weer bereid staat hen te leiden en te helpen, voor Gods aangezicht in te treden en voor hen te smeeken om behoud.

Hierin is de onbaatzuchtigheid des geloofs, dat nooit zichzelf zoekt, maar altijd de eere des Heeren en het heil van den naaste. Door het geloof kunnen wij alleen Gode betamelijk onze levensroeping vervullen. Aanstonds zoekt Mozes middelen om den vijand te weerstaan. Jozua, wij hoorden voor het eerst zijn naam, maar uit de wijze waarop Mozes met hem spreekt blijkt, dat hij reeds langer met Mozes heeft verkeerd en in zijn naaste omgeving heeft vertoefd. Jozua, de toekomstige leider des volks, het brengende in het beloofde land. Hij moet eerst nog een leerschool doorloopen. Jozua de zoon van Nun, wat hooren we zijn naam dikwijls noemen in het Woord en hoe voortreffelijk heeft hij de taak van Mozes overgenomen, toen deze stierf aan den mond des Heeren.

Jozua moet mannen uitlezen en optrekken, den vijand na, om met hem te strijden. Jozua gehoorzaamt zonder tegenspreken. Ook die trek valt ons altijd weer op in hem, evenals die andere, dat hij nimmer Mozes wil verdringen. Hij weet zich dienaar van Mozes, en zóó dienstknecht des Heeren. Hij is niet zelfstandig maar onderworpen aan Mozes, den knecht Gods, die Israël leidt door de woestijn naar Kanaan. Jozua had door Gods macht den vijand kunnen overwinnen, maar de Heere wil heden een wondere verbinding tot stand brengen in den strijd.

Mozes moet daar op gindschen heuvel staan, den volgenden morgen. Hij moet bidden, de staf Gods in zijn hand, en Jozua moet strijden tegen Amalek.

Mozes moet dus als Middelaar worden erkend, door wiens voorbede voor Israël alleen de wapenen van Jozua voorspoed hebben.

Er staat tusschen Amalek en Israël een wondere figuur, die zijn staf opheft en pleit op Gods wondermacht aldoor. Op deze wijze nu is Mozes openbaringsmiddelaar. Dat wil zeggen: de gedachte aan een middelaar, die staat tusschen God en het volk, wordt hierin onderwezen, daar wordt de aandacht van Israël op gevestigd.

Zoo ontvangen zij onderwijs over den middelaar, in den tusschenpersoon van Mozes, die hier in het bijzonder als voorbidder verschijnt.

Jozua, de held Gods, zijn naam beteekent: de Heere redt. Ook hij zal een zeer bijzondere plaats innemen in de openbaringsgeschiedenis.

Ook zijn werk en persoon wijst heen naar den Christus. In Hem redt de Heere met eene eeuwige verlossing, niet van aardsche vijanden slechts, maar van zonde en dood, van het verderf. Die reddende daden des Heeren worden ook in Jozua getoond, die Israël binnen leidt in Kanaan, en ieder zijn erfdeel beschikt.

Doch wat in Mozes en Jozua gedeeld is, is in den Heere Christus verbonden.

Hij is de Middelaar Gods en der menschen, Hij is de Redder. Alle typen en schaduwen wezen naar Hem heen, maar vermochten toch de volheid van Zijn Persoon en werk niet uit te drukken. Hij is meer dan zijn typen en zijn schaduw. Maar Christus is alles. Gode zij dank voor Zijne onuitsprekelijke gave.

Het oude bondsvolk kreeg Goddelijk onderwijs in hetgeen door en met Mozes geschiedde; in hetgeen Jozua deed. En inmiddels komt de profetie tehulp om den Middelaar te verkondigen door het woord der openbaring. Mozes op den top des heuvels, Jozua in het veld. De een als bidder, de ander als strijder. Verbonden brengen zij door den God van Israël verlossing.

Wordt de vijand verslagen. Een biddende Mozes en een strijdende Jozua. Jozua is type van den Messias, die de oorlogen des' Heeren strijdt en overwint. En Hij geeft Zijn volk de zege. Ja, zoo moeten wij 't zien, tot verkwikking onzer zielen, om ook in deze worsteling in Rafidim, heen geleid te worden naar en te staren op onzen grooten Held en Voorbidder, Jezus Christus.

Amalek moet worden aangevallen, hij zal worden geslagen, met een zwaardere slag dan waarmee hij Israël trof in de achterhoede.

Alles is wonderlijk verbonden, Gods plannen zijn onoverzienbaar rijk. Ja, maar het is toch zoo, dat geen spin zonder eenig doel aan 's konings muur hangt in

zijn web, noch een brandnetel groeit op een hoek van het kerkhof, zonder een goddelijk besluit te vervullen.

Daar is Jozua bezig zijn mannen te kiezen. Hij schijnt van zijn jeugd een krijgsman te zijn, maar uit welk een ellendig leger moet hij kiezen. Zij waren immers slaven geweest in Egypte. Zij hadden zoolang hun heugde, geen ander zwaard gezien dan dat van Farao. Zij waren bloodaards toen zij hun oude vijanden aan de Roode Zee zagen en zij schreeuwden van angst. Hebben zij wapenen, aangespoeld uit de zee, wapenen van hunne vijanden? Hun uitrusting was zeker ongewoon en niet te volledig. Jozua kiest mannen en roept ze op hem te volgen. Een keurbende stelt hij samen, blijkbaar op bevel van Mozes. Maar zooveel staat wel vast, dat het leger waarmee hij ging vechten, niet heel veel beteekende.

Jozua is gehoorzaam aan het bevel van Mozes en de mannen aan de opdracht van Jozua. Bevel is bevel mag hier wel gelden, want hier is goddelijke opdracht.

Jozua zal den slag winnen, ook al waren die Amalekieten echte roovers en slimmelingen in den strijd, vol wreedheid en bloeddorst.

Ze waren nog vrij onervaren in dit werk van den aanval, Jozua en zijn mannen. En toch wonnen zij den kamp. Waarom, omdat de Heere voor en door hen streed. En als wij nu letten op den geestelijken kamp van Gods kerk en kinderen, moeten wij dan niet belijden, van de krijgskunde nog maar weinig af te weten al zijn wij op de hoogere krijgsschool geweest, waar de Heere Zelf onze vingeren, om met David te spreken, leert ten oorloge. Het is toch zóó, dat de vijanden ons vaak overtreffen in de kunst van vechten onder den vorst der duisternis, die een geslepen aanvoerder is. In ons is geen kracht tegen de groote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze oogen zijn op II. Wij zien hier dingen, die ons onderwijzen. Mozes liet Jozua niet het gansche leger samen roepen tot den strijd, doch slechts een klein gedeelte.

Ook roept hij niet al het volk op om te bidden, toen het tijd was om te vechten, maar liet de slagorden opstellen. Geloof zonder werken is dood; werken zonder geloof zijn ook doode werken, waardoor wij den levenden God niet kunnen dienen.

Zoo moeten wij niet verwachten dat zielen worden toegebracht door veel bidden, terwijl wij het prediken na zouden laten. Het gebed is verbonden met het werk, en het werk moet worden gedragen door het gebed.

De strijd is Godes en toch zegt Mozes: kies ons mannen uit.

Nog op iets anders moet onze aandacht vallen. De tijd om den strijd aan te binden wordt zorgvulig vastgesteld. Morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, met den staf Gods in de hand. Morgen. Maar waarom uitstel, was het niet beter aanstonds toe te slaan in het donker van de avondschemering of een onverhoedschen aanval te wagen in den nacht?

Het volk moest eerst klaar zijn. Zeker, wij weten wel, als zij niet met Mozes en God getwist hadden, dan hadden ze in dien verspilden tijd hun wapens kunnen nazien. De nood neemt zóó wel toe; tot morgenochtend moeten zij nog wachten.

Mozes is zeker overtuigd geweest, dat hij deze kinderen der wildernis het best kon bestrijden als hij ze kon zien. Me dunkt, daaruit kunnen wij weer wat leeren inzake den geestelijken kamp, dien wij hebben te voeren met satan en wereld en inwonende zonde. Onze ijver moet zijn met verstand, opdat we geen noodelooze nederlagen lijden. Zij, die gelooven, haasten niet.

Die strijd was geen kinderspel, strijd met Amalek en zijn horden. Wagens en paarden had Israël niet om op den vijand in te stormen en hem neer te vellen. Die hadden de Kanaanieten wel destijds, zeiswagens, wagens met zeisen aan de wielen, zóó, dat bij een stormaanval de vijanden werden weggemaaid.

Jozua sloeg Amalek met de scherpte des zwaards.

De wapens moesten telkens geslepen worden, maar het zwaard des Geestes, Gods Woord, is altijd gewet, scherp en kan zelfs Goliath in stukken hakken.

Hoe noodig geoefend te worden in het hanteeren van dit geestelijke wapen, want onze wapenen zijn niet vleeschelijk, maar geestelijk tot nederwerping der sterkten.

Maar wenden wij nu onzen blik naar den top van dien heuvel daarginds. Ziet gij den man Gods staan, met den staf Gods in zijn hand? Hij is reeds de tachtig gepasseerd. De Amalekieten rukken aan, worden teruggeslagen, het leger is in golvende beweging! De spanning neemt toe, want Amalek schiet weer vooruit met zijn benden, krijgt een voorsprong, zijn aan de winnende hand.

Hoe zal dat nog afloopen vandaag? Wees gerust. Er komt een nieuw moment in de situatie van den strijd.

Laten wij dit merkwaardige gebeuren daar op dien heuvel wat van naderbij bezien. Daar zie ik Hur en Aaron. Deze Hur komt hier ook voor het eerst voor; van Aaron de hoogepriester hoorden wij reeds dikwijls spreken. Die Hur, zou volgens de latere Joodsche sage de man zijn geweest van Mirjam, de zuster van Mozes. Mozes had Aaron en Hur meegenomen naar den heuvel en zal dus van te voren hebben gerekend met mogelijke vermoeidheid. Dit acht Calvijn een betere verklaring dan dat men in die twee mannen het Oude en het Nieuwe Testament ziet en in den steen Christus zoekt. Inderdaad, dan is van uitlegging der Schrift en toepassing geen sprake, doch van dwaas vergeestelijken. Dan is niet de bij bezig die de honing puurt uit de bloem des Woords, maar de spin die het Schriftwoord inspint in de draden uit eigen ingewand. Hier is geen eerbied voor het Woord Gods, maar eerbied voor eigen geest en vindingrijkheid. Het is trouwens veel moeilijker den zin der Schrift te ontdekken en de leering er uit te putten, die erin ligt, dan eigen phantasie in de plaats te stellen van het Schriftwoord.

Zie, daar staat Mozes. Hij heft den staf Gods op, die in zijn hand was. Hij roept de hulp des Heeren in met dien staf, teeken zijner waardigheid en zinnebeeld van Gods wondermacht. Hij wil den Heere aan Zijn vroegere wonderen herinneren. Hij spreekt, met het opheffen van dien staf, den wensch uit, dat de HEERE Zijne wonderen moge voortzetten. Nu oefent hij stil zijn geloof op de beloften Gods. Zou het dan niet goed gaan? Maar hoe komt het toch. dat Amalek weer een voorsprong krijgt. Ziet gij dan niet, dat van tijd tot tijd de handen van Mozes zakken? Wel laat hij den staf Gods niet vallen, maar kan hem niet omhoog houden. En alleen als Mozes den staf Gods den Heere Voorhoudt, omhoog heft, dan is Israël sterker, laat hij hem zakken, dan is Amalek de sterkste. Blijkbaar laat hij zijn hand neerzinken om even uit te rustéfr, want de strijd hield aan den ganschen dag. Zal hij het volhouden? Ja maar, zegt gij, Mozes was toch in den weg Gods daar op dien heuvel, kon de Heere dan zijn handen en armen niet zoo sterken, dat hij in staat was zijn handen omhoog te houden, den staf op te heffen en den Heere voor te houden? Zeker kon de Heere dat wel, niet slechts één dag, maar wel honderd. Doch Hij heeft andere bedoelingen en wil Mozes en het volk meer lessen geven.

Dit laten zakken van zijn handen en het sterker zijn van Amalek daarbij, zal wel deze beteekenis hebben, dat slechts een voortdurend beroep op 's Heeren wondermacht en een voortdurende herinnering aan wat Hij reeds deed, dus een voortdurend gebed, pleiten op Zijn'tróuw, de sterkte van Israël is.

Israël kan, geen oogenblik zelfs, buiten één, die den Heere Zijn eigen daden in het verleden voorhoudt, in dezen strijd tegen Amalek. De uitslag van den strijd hangt af van 's Heeren trouw aan Zijn eigen verleden. Aan Zijn eigen verbond, waarvan Hij dezen staf tot een tijdelijk teeken gemaakt heeft.

Zonder Hem kunnen zij niets doen. Naar vers 15 is Mozes hand als die van een smeekeling gelegd op den troon des Heeren, vandaar verwacht hij uitkomst.

Doch nu moet Israël weer zien de zwakheid van zijn middelaar, opdat het zal vragen naar en het oog richten op Hem die door niemand werd ondersteund en toch immer bad. Hij had niet een teeken van Gods wondermacht in het verleden, in een staf, maar was zelf hèt Teeken van Gods macht. Hij was de held, die nimmer versaagde, ook al zat Hij vermoeid neer, want Hij was ook God. Daarom is Zijn naam niet alleen wonder, maar óók sterke God! Hij draagt de banier boven tienduizend. Jozua heeft Mozes noodig, en Mozes Jozua. Jezus is beide tegelijk.

Mozes is hier type van den Christus.

Maar de handen van Mozes werden zwaar. Hij werd moede. Daarom hebben Aaron en Hur een steen genomen én dien onder hem gezet, zoodat hij kon gaan zitten. En Aaron en Hur grepen zijn handen en ondersteunden die, zoodat hij den staf Gods kon opheffen. Dit deden zij totdat de nacht was ingevallen. En zoo overwon, eigenlijk staat er, verzwakte Jozua het leger van Amalek, door het zwaard. Het was dan ook wel een overwinning, maar nog geen algeheele verdelging.

Jozua vernietigt de vluchtende benden

met het zwaard. De overwinning is behaald. Aaron en Hur ondersteunden de handen - van Mozes.

Waar zijn de Aarons en Hurs? We lezen niet. dat Jozua moede werd om het zwaard 11 hanteeren, wel dat Mozes inzonk in zijn kracht en den staf Gods liet dalen. Moeten wij er niet deze leering uit trekken: hoe meer geestelijk een plicht is, hoe lichter ze bezwaart. De spanning wordt 2ÓQ groot, dat de kracht ontoereikend is om uit te houden. Ik zag iemand onder zijn gebed bij het ter ruste gaan, in slaap vallen op zijn knieën, en hij schrok en zonder amen te zeggen legde hij zich ter ruste. Inspanning, geestelijke spanning kan overspanning ten gevolge hebben, en terugzinken tot resultaat. Deze les moeten we ook al leeren door ervaring. Onze meest geestelijke verrichtingen eischen veel van onze krachten, want wij dragen dezen schat in aarden vaten.

In geestelijke arbeid kunt gij het niet uithouden als gij geen ondersteuning vindt. Zoo heeft de Heere het gewild, opdat de gemeenschap der heiligen zou worden beoefend. De Heere heeft ook in verleden tijden gezegend om de gebeden dergenen die ondersteunden. Van een gemeente las ik, dat Gods kinderen elke week een avond samen kwamen, tot een ure des gebeds voor den dienstknecht, den dienaar des Woords. Ja, wij kunnen het slechts uithouden als uw gebed niet verflauwt, en gij Gode waardig wandelt, anders, als gij ophoudt, is het met u en mij gedaan. Mozes staat op den heuvel, zoodat ieder den staf Gods kan zien, die opblikt. Dit is de banier. De staf Gods. Zoo staan wij met het Evangelie der vrije genade in uw midden, het Evangelie van Christus. Voor Israël is alles van den Heere, hunner is zoowel Jczua a)s Mozes, Aaron en Hur. Alles is uwe, hetzij Apollos, hetzij Paulus, doch gij zijt van Christus en Christus is Gods.

Is dat zoo voor u, mijn lezer?

De staf des Woords moet worden opgeheven en gij moet zien op dien staf en den drager gedenken, zijn handen ondersteunen, want wij zijn zwak en broos, hebben maar. weinig uithoudingsvermogen, onze nederlaag is de uwe, uwe overwinning in het ondersteunen, onze glorie. Ja, die wederkeerigheid doet wonderen.

De staf des Woords, is banier des Konings. Daarop ziende, worden wij indachtig gemaakt aan de wonderen des Heeren, wordt het geloof gesterkt, de hoop verlevendigd.

De staf des Woords wijst ons heen naar Christus, het teeken van Gods wondere liefde en eeuwige trouw; ja, de wegschenking dezer liefde en trouw in Hem.

Zie, dan is Mozes sterk en Jozua vurig van geest, dan zijn zijne dienaren aangegord met de kracht des Heeren en blijven zij staande, zelfs als zij mogen zitten.

Wordt Mozes vermoeid, dan schieten Aaron en Hur toe. Gij moet Jozua en Mozes hebben als de strijd ontbrandt en de vijanden ons omsingelen.

Ziehier nu Christus in Jozua en Mozes; in Hem zijn ze vereenigd. Strijdende als Jozua in de vallei, biddende met Mozes op den heuvel. Christus pleit voor Zijn aangevochten en bestreden volk. Hij is verhoogd boven alle macht en kracht.

Neen, Hij is geen koude toeschouwer, maar medestrijder in Zijn voorbidding, medestrijder door Zijn Geest. Omdat Hij tusschen treedt is de overwinning zeker. Ziet uw geloofsoog Hem niet op den top des heuvels, met den staf Gods in de hand? Hem is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde. Vreest niet, gij klein kuddeke, want het is des Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven.

Hier ligt het geheim onzer kracht. In Hem, die de overwinning Israëls is, die den slag heeft gewonnen en is opgenomen in den hemel, de krachten en machten Hem onderdanig gemaakt zijnde.

Hij behoeft geen steun van Zijn volk. Zijn kracht neemt niet af en Hij wordt niet vermoeid. Is het wel heelemaal juist, dat Hij geen steun vraagt van Zijn onderdanen? Als gij het recht verstaan wilt, dan is het toch wel het geval.

Gij kent toch het woord van Psalm 72: Den ganschen dag zal men voor Hem bidden. Herinnert gij u nog de preek over dit Schriftwoord? Wij zeggen er nu maar iets van. Al Zijn volk bidt, dat Zijne zaak voortgang hebbe. Uw Koninkrijk kome! Het is een zeer liefelijk denkbeeld te bidden voor Jezus; een gedachte, waaraan gedurig meer uitvoering gegeven moet worden. De gemeente is het lichaam van Christus, en de waarheid is Zijn schepter; daarom bidden wij voor Hem, als wij pleiten voor dezen.

Door het geloof in Zijn bloed kan vromelijk worden gestreden tegen de zonde, den duivel en de wereld. In Hem is macht en kracht om te verlossen. Zijn arm heeft roem gedragen. Hij kan en wil nooit de hoop Zijns volks beschamen. En al het volk zegge: amen, amen! In Christus nu vinden alle schaduwen hun vervulling, alle typen vervagen door Zijne verschijning. Hij regeert, want de Vader heeft al het oordeel den Zoon gegeven. En gelijkerwijs de levende Vader Hem gezonden heeft, zendt Hij de Zijnen in de wereld. Vreest niet, hebt goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen. Bedenk, dat er vele dingen zijn die u dapper kunnen maken in den strijd voor God en Zijn Woord. Vergeet niet. dat het een erfelijke strijd is. dien wij voeren, sedert het paradijs. Vrouwenzaad en slangenzaad komen aldoor in botsing.

Mozes sprak van: ik zal morgen op de hoogte des heuvels staan. Hij sprak in het geloof. En gij kent het resultaat. Op wonderlijke wijze is die dag verloopen en wat was het slot? Mozes bouwde aldaar een altaar en hij noemde deszelfs naam: De Heere is mijne banier. Niet zijn staf, maar de Heere was zijne banier.

De Heere steekt boven allen en alles uit, is banier.

De bouw van het altaar is bedoeld als een gedenkteeken van de daden des Heeren. Richt steenen op en overgiet ze met olie. Ik zal gedenken, hoe de Heere vóór dezen ons heeft gunst bewezen.

Met hope voor de toekomst gaan wij verder. De oorlog des Heeren zal tegen Amalek zijn van geslacht tot geslacht (vs.

16). De Joden lezen Exodus 17:8—16 op het Purimfeest. Haman was een afstammeling van Agag, den Koning der Amalekieten (Ester 3 : 1; 1 Sam. 15:8).

Maar niet minder waar is: Ik zal de gedachtenis van Amalek va"h ondê hemel uitdelgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 juni 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

AMALEK overwonnen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 juni 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken