Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De volkskerk-gedachte bij Hoedemaker

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De volkskerk-gedachte bij Hoedemaker

7 minuten leestijd

1

Wie over volkskerk spreekt, zooals heden weer aan de orde is, zal wel doen zich te bezinnen op de beteekenis van de volkskerkgedachte, opdat men niet langs elkander heenspreekt. Het is toch volstrekt niet zóó, dat allen hetzelfde verstaan onder dit begrip: volkskerk.

Wil de uitdrukking zeggen: het geheele volk moet in de Kerk opgenomen worden en het verbond der genade met den kinderdoop is daarvoor de bedding?

Wie kennis nam van de verschillende voorstellingen van de volkskerk merkt ook hier een groote verwarring op.

Prof. Kraemer, Banning en van Ruler, om alleen deze drie te noemen, verstaan er volstrekt niet hetzelfde onder. Vandaag beperken wij ons om in het kort na te gaan wat Dr. Hoedemaker eronder verstond. Hij wordt immers de man van de volkskerkgedachte geheeten bij uitnemendheid. Hoedemaker, de onbegrepen denker genoemd, die echter vele rake dingen heeft gezegd, die heden nog der overweging waard zijn.

Het is alleen te betreuren, dat Hoedemaker zoo weinig systematisch te werk ging, en de practische toepassing van zijn denkbeelden niet nader ontwikkelde. In zijn conflict met Dr. Kuyper heeft hij diens opvatting van de volkskerk afgewezen. De voorstelling, die Dr. Kuyper van de volkskerk gaf, was niet die van Hoedemaker.

In April 1897 verscheen Hoedemakers brochure: Heel de Kerk en heel het Volk. Een geschrift, uit den drang der omstandigheden, gelijk het meeste wat hij heeft geschreven, voortgekomen. (Vgl. Dr. G. Ph. Scheers, Ph. J. Hoedemaker, bl. 135).

Hoedemaker gaat uit van het feit, dat Christus het Hoofd is zijner duur gekochte gemeente, bepaalt het wezen der Kerk naar de belijdenis, als de vergadering der ware christgeloovigen. De zichtbare Kerk is, ofschoon niet voor het eerst, dan toch zeker zeer duidelijk te voorschijn getreden door het verbond. „Waar bondelingen zijn, daar is de zichtbare Kerk. Zichtbare en onzichtbare Kerk behooren ten nauwste verbonden te worden." „Wij houden de zichtbare Kerk... voor hetgeen van de onzichtbare Kerk zichtbaar is in dit leven."

De zichtbare Kerk verschijnt plaatselijk. De plaatselijke Kerk bezit de wezenskenmerken van de Kerk als lichaam van Christus. Deze plaatselijke kerken zijn echter niet confoederatief (door vrijwillig aangaan van het kerkverband) maar organisch verbonden tot de ééne landskerk, de openbaring van het lichaam van Christus voor een bepaald land. Immers onderscheidene kerken vormen te zamen weder ééne Kerk, die alszoodanig, dat is, als vele gemeenten omvattende éénheid, optreedt zoo dikwijls de opzieners der gemeenten in het gewest of in de geheele wereld samenkomen. Het deel is onderworpen aan het geheel, waarin het door de leiding Gods in de historie in een kerkverband is gebracht*.

Deze gedachtengang van Hoedemaker is over het geheel wel duidelijk te noemen, ook al blijven er vragen en bedenkingen. Maar daarom gaat het ons thans niet. Het is de bedoeling om de volkskerkgedachte van Hoedemaker te leeren verstaan en ef winst mede te doen ook voor het heden, i

Nu doet zich de vraag voor: wie behooren tot de Kerk?

En dan antwoordt Hoedemaker: „Om tot de zichtbare Kerk te behooren is noodig: eene belijdenis en een leven, dat deze belijdenis niet omverwerpt."

En dan lezen wij verder: „Er zijn schijngeloovigen, die, evenwel, afgezonderd zijn van de wereld, hierdoor in eene andere betrekking staan tot Christus en tot de Zijnen, dan zij, die buiten zijn en derhalVe tot de zichtbare Kerk behooren. En er zijn ook ware leden der zichtbare Kerk, die het welwezen des geloofs missen, d.i. niet tot het zelfbewust geloof zijn gekomen, maar evenwel tot de huisgenooten des geloofs te rekenen zijn en onder de tucht van het huis staan. Dit alles ligt opgesloten in den doop en in het verbond waarvan deze doop het teeken is." (Scheers. bl. 229).

Verder legt Hoedemaker er nadruk op, dat een model van kerkinrichting in de Schrift zonder meer niet voorkomt. Wij vinden geen beschrijving van de inrichting der georganiseerde Kerk in hare vaste formatie. Toch ontleent Dr. Hoedemaker de beginselen van kerkregeering wel degelijk aan de Schrift en stelt ze in het nauwste verband met de belijdenis der Kerk, zooals we nader zullen zien.

In het bijzonder legt Hoedemaker nadruk op het feit, dat Christus het éénige Hoofd zijner gemeente is en de ambten heeft ingesteld tot heil der gemeente.

Het ambt is het orgaan, waardoor Christus zijne heerschappij in de gemeente uitoefent... Het gaat in het ambt om

de levende tegenwoordigheid van den levenden Christus in zijne gemeente. Verder maakt hij de gewone onderscheiding tusschen buitengewone en gewone ambten, zooals wij die nog kennen.

Verder legt hij grooten nadruk op de eenheid van Oud en Nieuw verbond, in de bedeeling der genade. Hoe fel zou Hoedemaker in onze dagen zich keeren tegen Barth, die Oud en Nieuw verbond scheidt en mede daardoor den kinderdoop met grooten nadruk verwerpt. Hierover zullen wij hopelijk later nog handelen, wanneer de opvatting van Barth over de volkskerk aan de orde is in verband met den kinderdoop. Maar wij kunnen nu eenmaal niet alles gelijk aan de orde stellen. Er is zooveel dat om behandeling vraagt.

Hoedemaker keert zich tegen Dr. Kuyper, die een caricatuur van de volkskerk zou hebben gegeven. Zoodoende komen wij nader te weten wat Hoedemaker er onder wil verstaan.

„Een volkskerk, zoo schrijft hij, is niet een Kerk, waartoe alle inwoners van het land door geboorte behooren, maar eene Kerk, waartoe, zoo mogelijk, het geheele volk, in den weg der hiertoe door God verordende middelen, moet worden gebracht... Zoodra men zegt: Tot de Kerk behooren de geloovigen en hun zaad, heeft men de volkskerk in de kiem." (Scheers, bl. 256).

Het is merkwaardig, dat Hoedemaker, de man van de volkskerk, zoo zelden de uitdrukking gebruikt. Dit zal wel hiervandaan komen, dat deze uitdrukking van „synodale zijde" in zijne dagen gebezigd werd in een geheel anderen zin dan hij dien verstond.

Fel hekelt hij de omschrijving, die de synode zelf in haar schrijven van 2 Dec. 1886 na de afzetting der 85 Amsterdamsche ambtsdragers, van een volkskerk gaf. Dit zou dan een Kerk zijn, in wier midden nawerkt, wat in den tijd gist, terwijl zooveel mogelijk aan ieders geweten moet worden overgelaten om te bepalen, of hij in de Hervormde Kerk zal kunnen blijven en arbeiden.

Hoedemaker zei, zonder omwegen:

„volgens deze omschrijving van de synode houdt de Kerk op Kerk te zijn. Alles i gist in den tijd. Alles werkt na in de Kerk: Arianisme, Pelagianisme, Remonstrantisme, Modernisme, Atheïsme. Een volkskerk, die zóó ruim is, dat ze het geheele volk kan omvatten, is geen Kerk meer. Wat heeft de Synode hier gedaan? Zeer behendig hare Organisatie met de Volkskerk vereenzelvigd... Is de Kerk dan, zoo vraagt Hoedemaker, vóór 1816 geen Volkskerk geweest? Zou zij geen Volkskerk blijven, indien morgen aan den dag de Synodale Organisatie verviel? " (Scheers bl. 191).

/ « « Fel geeselt hij de organisatie van 1816 met al haar noodlottige gevolgen. Maar wij zijn wel benieuwd te weten te komen hoe het nu bij de volkskerkgedachte van Hoedemaker, die wij hebben leeren kennen, staat met de belijdenis en de Schrift.

Kan hij de belijdenis centraal stellen en door leertucht handhaven in die volkskerk, zooals hij deze omschrijft? Het is dus niet de vraag of onder de organisatie van 1816 dit mogelijk was. Dat was onmogelijk, maar dat zat niet in de volkskerk die er was, doch in hare noodlottige organisatie van 1816, met zijn besturenstelsel enz., terwijl de ambtelijke vergaderingen der Kerk, in classes en provinciale synoden van hun gezag waren beroofd. De Schrift noch de Belijdenis had bindend gezag, ondanks het beruchte artikel 11, waarover wij in vroeger jaren uitvoerig schreven in dit Blad.

, , De kerk is een genootschap van elk wat wils geworden. En wat de partijvorming betrof, zoo zegt Hoedemaker, een partij ontstaat daar, waar personen, die van de waarheid afwijken, zich samenvoegen, terwijl men aan de partijschap alléén ontkomt, wanneer men zich, zooals het ware Gereformeerde begihsel gebiedt, groepeert rondom de Belijdenis der Kerk zelve." (Scheers bl. 140).

Deze gedachte is in onzen tijd ook meermalen uitgesproken. Wij zijn geen richting of partij in de Kerk, maar groepeeren ons rondom de Belijdenis. Aanvaarden haar niet slechts als bodem, maar naar haar inhoud, zij is vertolking van ons geloof.

Het is zeker juist dat de Kerk moet staan midden in het volksleven, maar dan toch zoo, dat zij haar karakter als Kerk bewaart.

Verbond en Doop komen hier ongetwijfeld aan de orde, maar dan weer zoo, dat verkiezing en reinhouding des verbonds door de kerkelijke tucht niet in het gedrang mogen komen, terwijl de Belijdenis moet worden gehandhaafd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 augustus 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De volkskerk-gedachte bij Hoedemaker

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 augustus 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken