Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Geest en de Bruid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Geest en de Bruid

22 minuten leestijd

(3)

Openbaringen 22 vers 17: En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

Het deed ons goed te wijlen bij de sprake des Geestes in gemeenschap met Zijne gemeente, die het lichaam van Christus is.

Wij hebben zijn sprake beluisterd, gericht naar den saffieren troon, waar onze Immanuël is gezeten aan de rechterhand des Vaders. De bede om de wederkomst wordt luide vernomen en de klacht der zuchtende schepping wordt er mede in opgenomen, die als in barensnood is tot nieuwe geboorte, om tot de beloofde heerlijkheid te geraken. Deze bede echter is ook verbonden met het gebed om de komst van Zijn Koninkrijk dat vol moet worden, opdat de wederkomst werkelijkheid zal kunnen worden.

De Heere Christus spreekt hier Zelf en trekt een wijle den sluier terzijde van de werkkamer der eeuwigheid om ons te laten inblikken in het binnenste Heiligdom. De finale scheiding komt, als Hij komt! En... Hij komt, want Hij zeide: Zie, Ik kom haastiglijk. En Zijn goddelijke Amen heeft dit woord bezegeld.

Ook hierin volgen wij geen kunstig verdichte fabelen, maar verlaten ons op Zijn onbedriegelijk getuigenis, dat even waarachtig is als God, Die het sprak en schonk.

Thans gaan we samen stilstaan bij het laatste gedeelte van ons textvers.

En die dorst heeft kome, en die wil neme het water des levens om niet.

Terwijl dus het gebed des Geestes en der Bruid voortgang heeft, wordt ondertussc^en de komst van het Koninkrijk voortgezet en de sprake des Evangelies gehoord in vriendelijke noodiging. Men late zich met de gemeente verbinden om te leven in des Heeren komst; drinke van het levenswater, opdat men niet door die komst overvallen en ten onder gebracht worde.

Dit textgedeelte brengt ons dus in het stuk der roeping, die door de Kerk uitgaat, binnen en buiten haar eigen grenzen; tot kerk en wereld.

Hoe zegt ge, óók tot de kerk? Ja natuurlijk óók tot degenen, die in de kerk zijn. Wie riepen de profeten en apostelen, ja óók de Heere Jezus tot bekeering; wien stelden zij het heil voor en noodigden zij tot den maaltijd des Evangelies? Toch allereerst de bondelingèn. die een plaats innamen in het verbond en door den Heere waren geëigend. Zóó moet het nog zijn, want we weten dat velen, die in de kerk zijn, rijke voorrechten genieten, toch niet van de Kerk zijn als levende lidmaten van Christus en daarom bekeering en vernieuwing behoeven zullen zij niet als kinderen des Koninkrijks straks worden buiten geworpen. Die Schriftuurlijke orde zullen we dus in acht nemen, ons houdende aan het getuigenis des Heeren.

D< * Kerk is allereerst naar binnen gekeerd om zich te bezinnen op eigen leven ter eere des Heeren, en gericht op eigen lichaam in de kerk zelf, opdat velen getrokken worden uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. Dan pas kan zij zich keeren naar buiten, naar de wereld, die buiten het verbond der genade staat om ook die wereld tegen te treden met het Evangelie der vrije genade, wetende dat Christus Zijne gemeente vergadert door Woord en Geest.

Aldus nemen wij de grenzen in acht door God getrokken, de grenzen binnen en buiten de Kerk des Heeren. Daarom preeken we onderscheidenlijk in de kerk zelf, wetende dat kaf en koren zijn vermengd, dat God uit de bondelingen toevoegt tot de gemeente die zalig wordt; èn uit de wereld er brengt binnen de grenzen der Kerk, binnen de eerste grens en zóó binnen de tweede, van buiten naar binnen.

Dit textgedeelte dan spreekt ons van dorst hebben, van komen, van willen, van nemen; alles betrokken op het water des levens.

Het water des levens wordt geprezen en aanbevolen tevens.

Dikwijls wordt het heil des Koninkrijks vergeleken bij water des levens, water dat levend maakt en levend houdt, dat den dorst der zielen lescht.

In Jezaia 55 worden de dorstigen genoodigd: o alle gij dorstigen, komt tot de wateren. De dichter van Psalm 23 prijst het levenswater als hij zingt: Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren; Hij verkwikt mijne ziel. Jezus zeide tot de Samaritaansche vrouw: Zoo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten.

En het zal in hem worden eene fontein, springende tot in het eeuwige leven.

Op het Loofhuttenfeest, toen de Joden water haalden uit de bron Siloam, wees Jezus Zichzelf aan als de Gezondene-des-Vaders, als de ware Siloam en riep, terwijl het volk in blijden optocht aankwam met het water uit de bron Siloam: Wie dorst heeft kome tot Mij en drinke.

Jezus is het water des levens en de heilsgoederen, die Hij schenkt, terwijl de Heilige Geest het uit Christus neemt en toendient, als de Bedienaar der genade.

Het water des levens... Het gaat erom dorstige zielen tot de fontein te noodigen en te leiden. Met deze noodiging gaat gepaard de bediening des Geestes, want anders kwam er niemand tot de levensbron, nam niemand en dronk niemand, maar nu zullen dorstende zielen worden geboren, die komen, nemen èn drinken.

De noodiging is een bedienend middel des Geestes en tevens stelt zij onder het oordeel bij weigering, en zal gelden: gijlieden hebt niet gewild; gij hebt niet willen komen, nemen en drinken. Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven zoudt hebben in Mijnen Naam.

De mensch is geruïneerd door de zonde, verloren in een verlaten wildernis. Hij delft in den bodem om een wel te maken, teneinde zijn dorst te lesschen, maar de wateren zijn bitter en wrak; al mogen ze zoet zijn in den mond, zij maken den buik toch bitter, zegt het Woord des Heeren. Deze wateren kunnen nooit den dorst lesschen en laten de zielen ledig, uitgedroogd, verzout als de wateren der Doode Zee. De mensch bouwt zijn eigen regenbak terzijde van zijn huis; maakt zich gebroken bakken, dio geen water houden. De hemel wordt opgeroepen door den profeet om te hooren naar het ontstellende woord: Mijn volk heeft twee boosheden gedaan, Mij den springader der levende wateren hebben zij verlaten en zich gebroken bakken uitgehouwen, die geen water houden.

Dit uithouwen kost moeite en zweet maar brengt geen lafenis.

Waarom geeft gijlieden — gijlieden — geld uit voor hetgeen geen brood is en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan, vraagt de Heere, Die de levensbron is. Vult ge nog uw kruik met het water uwer eigen verdiensten, om uzelf met uzelf te laven en den Heere te onteeren? Dan zal het u vergaan als Hagar met haar Ismaël, die van dorst zou zijn gestorven, hadde de Heere geen water aangewezen.

Luister naar hetgeen in vers 1 wordt gezegd van ons texthoofdstuk: En hij toonde mij eene zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams.

Zoo wordt de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem geteekend, de levensvolheid en zaligheid in gemeenschap met den Heere Christus.

De paradijsweelde van het hemelsche Jeruzalem gaat ver uit boven die van Edens hof. Laat ik hier een vraag stellen, en wel deze: spreken deze dingen u toe, dringen ze in uwe ooren als muziek des hemels? Zijn deze dingen werkelijkheid voor u in het geloof? Deze vraag stellen * we óók aan degenen, die zich niet vreemd weten aan het leven der genade. Hier is een geestelijke thermometer, hier is een toetssteen.

Levens-water, het wijst niet alleen op het altijd stroomende, maar ook op de hoedanigheid van dit water. Het draagt het leven in zich, deelt leven mee, en houdt het leven in stand. In dit water is niets van den dood, niets onreins en troebels, tot op den bodem doorzichtig als kristal.

Dit levenswater wordt rechtstreeks geschonken door God en het Lam. Het is 't heilswater van Gods genade, door Christus verworven, door den Geest geschonken.

In Jezaia 12 de fontein des heils geheeten. Met den Evangelietijd, zouden zij water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils. Zoo kan op aarde reeds worden genoten wat in den hemel eeuwig in volheid verkwikt en het lied des Lams doet opklinken met ongebroken veerkracht, in de eeuwen der eeuwen.

Het water des levens... in stille eeuwigheden beschikt; in plechtig verbond geweld uit Gods welbehagen... het water des levens.

Maar hoe zullen deze wateren doorbreken, ze liggen als het ware onder de zware bergen van Gods toorn, hoe zullen de wateren des heils zich een weg banen, zodat ze kunnen worden gedronken? De Zone Gods moest afdalen in ons vleesch, de rotsen doorgraven, met Zijn kruislijden afdalen in de diepste diepten van Gods toorn.

Zóó baande Hij den weg tot doorbraak voor het water des levens, dat onder den druk staat der eeuwige liefde Gods. Nu kan de dorst van stervende menschen worden gelescht. Jezus is de fontein van het levende water. De Vader vergadert in Hem Zijn liefdeswelbehagen. Hij is de Fontein der hoven, de Put der levende wateren. In Hem is een volheid, nooit uit te putten en de millioenen, die eruit dronken hebben den voorraad niet verminderd! w n s Hoort gij, gij, die meent de zee wel te kunnen uitdrinken om uw dorst te lesschen! Hier is de volheid en één teug van dit water is meer dan alle genoegens der aarde; één teug van dit water door den mond des geloofs gedronken, doet ons ervaren wat Simson, den Nazireër Gods, overkwam, toen hij dronk van het water dat God deed opspuiten bij zijn mond uit de steenrots waarop hij lag. Toen kwam zijn geest weder in hem; hij ging weer leven.

Hij stierf niet door de handen der onbesneden Filistijnen, maar... eerst dwong God hem en maakte hem tevens gewillig Gode alleen de eere te geven van de overwinning.

In de holligheid van Lechi wordt dit geleerd!

Niemand behoeft van dorst te sterven;

Zijne verdiensten zijn overvloedig genoegzaam voor de zonden der geheele wereld, zegt onze belijdenis. Gods gunst in Christus is leven en in Zijne tegenwoordigheid is ontferming. Dit water is Gods gunst in Christus en dus leven, daarom bevrijdt het ons van onzen inwendigen dood. De zondaar, als de tollenaar, weet, dat hij om zijne misdaad moet sterven. Sidderend staat hij voor de majesteit Gods. Zou de Rechter der aarde geen recht doen? Zijn vonnis wordt verzegeld in zijne ziel en hij geeft getuigenis van het oordeel des doods dat aan hem is. Alle levenssap verdampt, uitgeteerd, uitgedroogd, de brand van Gods toorn in de ziel! Zoo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten. Ik zal den dorstige geven te drinken het water des levens om niet.

Hebt gij gedronken van dit water? Dan zult gij er niet meer buiten kunnen, en telkens is onze ziel als een dor en dorstig land dat in de blakerende zon ligt uit te drogen. Daar binnen in ons zijn de wrakke . wateren der zonde, die de oude mensch opstuwt en ons leven vergallen. Mijne ziel verlangt naar God, naar den levenden God!

Bij water behoort dorst. Deze wateren verdienen den naam van levend water, want vergeving is conditie des levens.

Gemeenschap met de vergevende liefde Gods in Christus is leven.

Dit water doodt de lust tot de zonde, geeft kracht om in Gods inzettingen te wandelen, wekt de liefde op om Hem te leven, te lieven en te loven.

En die dorst heeft kome, en die wil neme het water des levens om niet.

Het water des levens... tot die Fontein in Christus moet en mag men komen. Die dorst heet kome... Er is dus wel een beperking in dit woord der noodiging. En die dorst heeft kome... die dorst heeft! Waarom zal iemand drinken, die geen dorst heeft? Velen noodigen zonder hierop te letten, spreken van broeders en zusters zonder geboorte uit water en Geest. Ge moet er dus op letten hoe ook in de prediking moet worden genoodigd, onder beding van bediening des Geestes. Dit oord maakt gaande, kan dorst wekken aar dit levende water, zoodat het een' cheppend woord is zelfs wanneer het uitsluit, die nog geen dorst kennen naar God en Christus.

Wij kunnen dat nooit bepalen in wien de Geest zal werken dorstverwekkend. door toornervaring, door ontdekking aan eigen hart en zijn bittere fontein, waaruit alle boosheid opwelt. Almacht en vrijmacht des Geestes gaan samen.

Wanneer wij in gehoorzaamheid het getuigenis des Heeren uitdragen, Christus voorstellen als het levende water, de bediening van den Geest verkondigen, zie, dan zijn wij in den weg waarin de Heere wonderen wil doen en zal doen, want immers Zijn Woord zal niet ledig tot Hem wederkeeren. Zijn belofte is daar om op te pleiten. Heere, maak ook heden Uw Woord waarachtig in de harten; verwek leven en dorst om te drinken en te leven; geloof om te komen, schenk handen om te nemen, een mond om te drinken. Prediking en gebed moeten verbonden zijn. En zou niet mede hierdoor ons kerkelijk leven zo onvruchtbaar zijn, omdat Gods gemeente zoo weinig worstelt om de komst van Zijn Rijk, gelijk zij ook zoo weinig verlangt naar Zijn wederkomst.

Onze text wijst ons op het werk des Geestes, ingewikkeld in de noodiging des Zoons, en de trekking des Vaders. En die dorst heeft... wie hij ook zij. Hier is het ruime, wie dorst heeft, daar is de beperking.

Hij is gekomen om te zoeken e^i. zalig te maken wat verloren was.

Hij noodigt de vermoeiden en belasten. Hij stelt zich voor als de rustaanbrenger.

Een dorstende ziel is een zeldzaam goed, een wonder van den hemel tevens.

Van nature kennen wij geen honger en dorst naar de gerechtigheid.

De noodiging is pijnlijk nauwkeurig in het adres.

Deze dorst sluit in zich vèrlangën naar verzoening, vervulling van ledigheid, verkwikking door Gods liefde en genade.

Zalig, zich te mogen laven uit deze Fontein, die vol waters is, vol levend water.

Dorst is geen positief goed, maar missen. kwijnen, versterven. Daarom kan niemand zich met zijn dorst troosten, nog minder zijn dorst opdrinken tot lessching van den dorst. Dit is werk der dwazen en der vromen, die bij hun dorst willen leven.

Maar waar de Heilige Geest dorst wekt, doet Hij dit opdat zal worden gedronken van het water des levens, zoodat de dorst wordt gelescht telkens weer.

Want zonder dit water des levens, dat de gemeenschap met Christus onderhoudt en alzóó met Zijn leven, door den Heiligen Geest, zouden wij versterven en verkwijnen.

Wij hebben alleen het leven in ons blijvende, doordat de Heilige Geest Zich niet afscheidt van het gewekte leven, dat Hij óók onderhoudt, evenals het natuurlijke leven, dat trouwens met dit geestelijke leven is verbonden in onzen persoon.

Dorst is een kwellende behoefte. Jezus riep aan het kruis: Mij dorst! Dorst doet de noodklok luiden, en wanneer wij dan ziek zijn van de zonde, verhoogt de koorts dezen dorst.

En die dorst heeft kome... Tot wien of wat moet hij komen? Tot

het water des levens, tot Jezus. Alles wat een zondaar behoeft is ten allen tijde in Jezus voorradig en te verkrijgen. De dorstende is ook rusteloos, met het drinken wordt de rust geschonken of hersteld.

Dit komen nu is een gang des geloofs, het verlaten en aflaten van zichzelf en het naderétt tot Jezus als de Fontein van het levende water. Het geloof is als de voeten der ziel, die zich bewegen in de richting van Jezus. Komen is geloofsgang, afzien van zichzelf, om Christus te gewinnen en te genieten in haar dorst.

Maar, zucht ge, de afstand is zoo groot en ik ben zoo vermoeid, ik kan niet loopen.

Zóó is het niet; dat zijn overleggingen van het vleesch en niet des geloofs, want het geloof kent geen afstand en geen vermoeidheid. Het geloof... gaat. komt en... drinkt! Ja maar, zoo gemakkelijk zal het niet gaan, werpt ge tegen! !En eigenlijk denkt ge, dat is toch wel een beetje lichte godsdienst. Hoor eens hier, het gaat vanzelf of het gaat heelemaal niet. Het geloof rekent niet en leeft niet uit eigen mogelijkheden, maar het geloof leeft van en rekent met Gods mogelijkheden.

Dit: kome, des Heiligen Geestes is een trekkende kracht voor het geloof en een opwekkende macht in het geloof.

Bovendien is het water niet zoover als gij in het gezicht des ongeloofs meent. De stroom is vlakbij voor ieder, die waarlijk dorst. Wateren zullen uitbarsten in de wilderiïfs, rivieren op het drooge. Vergeet toch niet dat Jezus, die noodigt degene is, die Zelf komt om ons te ontmoeten in het geloof. Hij is Zelf de weg ook in dit komen des geloofs. Waar blijven nu de moeilijheden? Die zijn er niet, namelijk voor het geloof. Juist dat dierbare geloof is ons noodig, om te komen èn het geloof komt zeker. Heere, vermeerder ons het geloof.

Dit oproepen tot komen om te drinken draagt ^kracht in den mensch in, zoodat het geloof opstaat en gaat tot Jezus...

Komen tot het levende water, om..; te drinken: In het geloof is ook de mond en de smaak. Al drinkende getuigen wij dat alléén in Hem lafenis is te vinden.

Maar laten we nog een oogenblik de laatste woorden overwegen, moge het zijn betrachten, want het drinken is levenwekkend en levenversterkend voor den. mensch, verheerlijkend voor Jezus. Het gaat er niet om het water alleen maar te prijzen en er toch niet van te drinken, want dat is toch eigenlijk een kleinachting van het water. Het gaat erom altijd weer om te komen en te drinken.

Daar ligt een kind in de wieg, het weent bitter, moeder kijkt op de klok. Het is weer zijn tijd en zij gaat naar de wieg. Zegt: kom maar lieveling, moeder za lje helpen en zij neemt het kind en legt het aan haar borst. Zóó komt de zuigeling schreiende, genomen-wordende door de moeder, en het open mondje zoekt de moederborst, de zuigeling komt tot het lavende vocht en... drinkt, schreit niet meer, en valt straks # verzadigd in slaap.

En die dorst heeft kome; en die wil neme het water des levens om niet. ...en die wil. neme het water des levens om niet.

De toegang is vrij. Die wil. neme het water des levens om niet.

Genade is niet te koop, alleen te verkrijgen om niet! Zonder geld en zonder prijs. Alles is duur tegenwoordig, alleen de genade bleef vrij.

Die wil... ga nu geen rechtzinnige beschouwingen houden over onzen wil, maar versta hier het Evangelie der vrije genade. Die wil is dit soms een ander dan de dorstende? Neen, maar het laat ons den dorstende zien in zijn innerlijke beslissing om te komen en te nemen en te drinken.

Willen, dat is overgave, dat is uitgaan uit zichzelf. Wilt gij gezond worden? vroeg Jezus aan een kranke? Ja Heere, en wat was het antwoord? U geschiede naar uw geloof. In het geloof is het willen betrokken, want het geloof is centraal levensverschijnsel in den herboren mensch, door de werking des Geestes.

Heeft de moordenaar begeerte om niet aan de galg te komen? Ja, maar hij wil het dooden niet laten en daarom komt hij zeker aan den strop. Wilt gij rechtvaardig, oprecht, heilig worden? Wilt gij gezaligd worden?

Van tweeën één, gij doet uw eigen wil en wilt verloren gaan, of gij doet Gods wil en wordt zeker zalig. In uw eigen wil wilt gij geen genade, daarom kunt gij niet zalig worden. Die wil, die neme het water des levens om niet!

Die wil... Ge zegt: val ons daarmee niet lastig, wij zijn immers dood door de zonden en misdaden, laat ons met rust. Neen, ik laat u niet met rust, want de-, opdracht des Heeren gaat ons boven alles en dan zal volgen: Gij hebt niet gewild. Dat is het eigen woord van den Heere Christus.

Gij zijt wellicht door uw ongeloof gewoon geraakt aan uw verharding en verhardt steeds meer, juist als de zon der genade schijnt.

Ook kennen we de valsche leuze: ik zou willen dat ik wilde. Ja, dat kennen we wel, het is een vorm van niet-willen en men maakt het tot een rookgordijn om daarachter te zondigen en in vijandschap tegen God en Christus te volharden.

Ach, dat gij uit het ingewand der hel leerdet roepen: ik wil behouden worden; ik wil zalig worden; ik wil tot Jezus komen en drinken.

Hoe kan ik willen, zegt weer een ander. Luister naar het antwoord des Heeren over uw niet-willen: Die niet gewild hebben, dat Ik over hen zal Koning zijn, breng ze hier en sla ze dood aan Mijne voeten. Zoo is er geen verontschuldiging voor uw onwil. Gij zijt aansprakelijk voor het bederf uwer natuur.

Zie, dat leert de Heilige Geest ons verstaan en beamen niet als theorie, maar als werkelijkheid, die ons benauwt en dringt en drukt en dreigt.

Ziehier hoe velen, die geen dorst hebben, niet willen en daarom niet komen, nemen en drinken. In den grondtext staat er eigenlijk: de willende. En de willende neme het water des levens om niet.

Hier is dus sprake van de gesteldheid van den wil, die gebogen is naar God en Christus.-Let erop dat dit willende trek is van den nieuwen mensch. een

Iets wezenlijks in de zielsgesteldheid van den dorstende. Het willen. zegt Paulus, in ander verband bij de worsteling van den nieuwen en ouden mensch is wel bij mij, maar het goede te doen vind ik niet.

Hier gaat het echter om iets anders dan in onzen text en daarom laten we dit thans rusten, maar in ieder geval hoort ge dat Paulus zegt: het willen is wel bij mij.

O, wat al vonden heeft de mensch gezocht om... onbekeerd te kunnen blijven, om zijn niet willen te ommantelen en ongeloovig te blijven, want het ongeloof is niet-willen. Daar is veel eigendunkelijk willen, dat den mensch brengt in het verderf.

Zegt er daar een: ik wil. en... hij komt niet? Dan is het willen er niet zooals het behoort. Zeker, hier liggen zieleworstelingen om eigen wil te verzaken en des Heeren wil te doen in het waarachtig willen, waarin het komen ligt opgesloten.

Begint gij te weenen, radeloos te worden? Goed, daar heb ik schik van, dat kan tot willen en komen leiden, door den Heiligen Geest.

Ik geloof Heere, .kom mijne ongeloovigheid te hulp.

Gij hebt dorst, ginds is een pomp. Ge moet door een straat waar ze u uitlachen, bewijs leveren bij de pomp dat ge geen regenbak hebt... De dorst neemt toe, wordt brandend, ge dreigt te versmachten, en alle zwarigheden worden overwonnen, ge gaat. En zóó komt ge, door den nood gedreven. Zoo kan de dorst middel worden om tegenstanden op te heffen, uw wil te breken en te buigen.

Zoo komen wij zeker en wordt genade verheerlijkt. Mijn volk zal zeer gewillig zijn op den dag mijner heirkracht.

En die dorst heeft kome; en die wil neme het water des levens om niet.

In den grondtext staat dit kome en neme in de gebiedende wijs. Moet-komen en moet-nemen. Het is niet alleen een zaak van wenschen of toestemming geven maar van noodzaak, van gebod, van plicht. "Zoo stelt de Heilige Geest het ons ook inwendig voor en die noodzakelijkheid dringt ons. In de gebiedende wijs van-het werkwoord besluit de Geest eigen drang om te gaan, buigt den wil en wekt het vaste besluit niet alleen, maar óók het willen en het komen.

Komen èn nemen... het water des levens.

Nemen, gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils. Nemen, door ontvangen aanvaarden wat geschonken wordt en putten door het geloof uit de volheid van het levende water. Neemt... eet. dat is Mijn lichaam dat voor u verbroken wordt, zoo hooren we aan den Disch des Verbonds. En dan: drinkt allen daaruit, als de beker wordt opgeheven en aangeboden.

Neemt... het wordt uitgereikt, door overname des geloofs geëigend en gebruikt tot verkwikking en versterking, om te kunnen leven, want in dit water is het

Ik leef en gij zult leven. Maar ik heb niets om te betalen, zegt ge? Dat behoeft

ook niet, genade wordt nooit betaald, alleen ontvangen om niet.

Om niet als gave der genade. Op dit: om niet ligt nadruk in den text. Wat kost het? Niets! Zie, hier kunnen bankroetiers terecht, menschen, die van gegeef moeten leven, lieden in het armenhuis, maar ze behoeven geen gebrek te lijden, want er is voorraad in overvloed en de noodiging, de opwekking, gaat aldoor uit: die kome en neme...

God verkoopt Jezus niet, dat deed Judas. God onderhandelt niet over den koop met bieden en loven, neen, vrije genade om niet, geheel om niet, zonder geld en zonder prijs. Maar ja, genade is velen te duur, omdat ze om niet wordt geschonken en dat houdt in dat wij niets bezitten, bevindelijk wel te verstaan, en van onze armoede niet kunnen leven, onzen dorst niet kunnen opdrinken, maar water moeten hebben, water des levens om niet! De genade wordt even vrij ontvangen als de Heere haar vrij schenkt. Nu verkwikt het water des levens dubbel.

Om niet, me dunkt, dat is aantrekkelijk in dezen tijd nu alles duur is! Om niet, wie dorst heeft, die kome en die wil, neme het water des levens om niet.

Zoo noodigt, ja dringt de Heere Christus en de Heilige Geest werkt in de harten tot overreding, dorst verwekkend, ontblootend, valsche schaamte wegnemend, de natuur doodend, uitdrijvend uit onszelven naar Christus, als het water des levens. Zalig, wie met Izaak woont bij den put van levend water, die gaat ook uit tegen den avond om te bidden in het veld, en ziet uit en ziet op naar boven.

Doch nu spreekt ook de Bruid mee in dit noodigend dringend: die dorst heeft kome en die wil, neme het water des levens om niet.

Ja, Gods gemeente roept ons toe: kom, drink, alle gij dorstigen, want wat zullen zij anders doen dan Hem aanprijzen, die hun leven wierd, dien zij kennen als de put der hoven, de fontein der levende wateren? Zij geven goed getuigenis van Jezus. En de zaligheid is in geen ander. Ik heb niets voorgenomen onder u te weten, dan Jezus Christus en Dien gekruist.

Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom Heere

Jezus.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juni 1948

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De Geest en de Bruid

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juni 1948

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken