Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Jezus en de boetvaardige zondares

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Jezus en de boetvaardige zondares

29 minuten leestijd

Lucas 7 vers 36 tot 50: En één der Farizeën bad Hem, dat Hij met hem ate: en ingegaan zijnde in des Farizeërs huis, zat Hij aan.

En ziet, eene vrouw in de stad, welke eene zondares was, verstaande, dat Hij in des Farizeërs huis aanzat, bracht eene albasten flesch met zalf.

En staande achter aan Zijne voeten, weenende, begon Zijne voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijne voeten en zalfde ze met zalf. (vs. 36—38)

(1)

Dit Schriftgedeelte van vers 36 tot vers 50 handelt over den Heere Jezus. Ja, maar zegt ge, waarom zet gij dan boven deze overdenking: de boetvaardige zondares? Daar hebt ge eigenlijk gelijk in, want het is niet: de boetvaardige zondares en de Heere Jezus, maar omgekeerd, de Heere Jezus en de boetvaardige zondares. Hij is en blijft ook hier de eerste. Laat ik dus het opschrift aanvullen en dan staat er zooals gij het nu leest: Jezus en de boetvaardige zondares.

Nu zal het zaak zijn aldoor te bedenken dat Jezus de eerste is, dat, als we de zondares zien, Jezus niet uit het oog verliezen. Is daar gevaar voor? Ja, daarop moeten wij altijd bedacht zijn, want niet de christen, maar Christus staat in het middelpunt. En toch kunnen wij niet buiten de zondares om van Jezus handelen, omdat het gaat om Jezus èn de zondares.

Hier is toch het wonder der genade, dat God den zondaar ontmoet in Christus tot zaligheid. Wat buiten Christus doodelijk zou zijn is nu in Hem heilzaam ten leven.

Komaan, mijn lezer, vertel eens hoe u Jezus is ontmoet!

God wederstaat den hoovaardige, maar den nederige geeft Hij genade.

We hebben met merkwaardige ontmoetingen te doen in dit Schriftgedeelte. De Heere Jezus is genoodigd ten maaltijd bij een Farizeër. Hij neemt daar een boetvaardige zondares in genade aan en wijst den Farizeër terecht.

Hij openbaarde zich bij deze geschiedenis als Degene, die macht heeft de zonden te vergeven en die de overleggingen, de diepste roerselen, van het menschenhart kent. Maar, Hij doet zich ook kennen als degene, die den berouwvollen zondaar in genade aanneemt, die nauwkeurig acht slaat op de houding jegens Hem als Zaligmaker. Dat neemt Hij óók heden waar in ons midden, hoe wij staan tegenover Hem, of wij Hem aanbidden en naar Zijne gerechtigheid hongeren en eten aan Zijne tafel, drinken uit Zijn beker. Hij slaat er acht op of wij al of niet buiten Hem kunnen!

Daarom is er reden tot zelfonderzoek, want meen niet dat gij achteloos aan Jezus kunt voorbijgaan. Dit gebeuren, hier ten huize van den Farizeër, is altijd weer een aangrijpend geschieden. Alleen Lucas de evangelist deelt dit verhaal mee. In Mattheüs 26, Marcus 14 en Johannes 12 is ook sprake van eene zalving des Heeren door eene vrouw en bij eenen Simon. Lucas maakt van dat gebeuren geen gewag, doch deelt ons een ander geval mee, waar de genade en liefde des Heeren bijzonder in uitkomt; doch ge weet welke diepe profetische beteekenis de zalving onzes Heeren te Bethanië had als voorbereiding van Zijn begrafenis.

Uit dat oogpunt gezien was dat gebeuren gansch eenig bij de omwandeling onzes Heeren op aarde. Wat hier gebeurt met de zondares is één voorbeeld uit vele.

Het valt voor ten huize van een Farizeër, Simon geheeten. Nu, die waren er bij tientallen, menschen, die Simon heetten. Alleen maar deze was een Farizeër wat van dien ander niet wordt gezegd. Hier wordt vermeld dat deze man Simon de melaatsche heet.

Het maakt den indruk dat de Heere Jezus dezen man had genezen en hij nu uit dankbaarheid een feestmaal aanrichtte waaraan hij Jezus heeft genoodigd.

Uit niets en nergens blijkt dat Maria van Bethanië eene zondares was als deze vrouw, zoodat het zeker is dat we met twee verschillende gebeurtenissen te doen hebben. Tijd, plaats en personen verschillen aanmerkelijk. Hier werkt de Heere nog in Galilea, is het nog geruime tijd vóór Zijn kruisiging. Daar is het in Judea te Bethanië en slechts enkele dagen voor Zijn gevangenneming in den Olijvenhof.

Het blijkt niet of thans de discipelen tegenwoordig zijn geweest, zooals in Bethanië.

En een der Farizeën bad Hem, dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des Farizeërs huis, zat Hij aan.

Een Farizeër nodigde den Heere Christus ten maaltijd, zooals dat wel meer voorkwam. Ook op dit punt blijkt de vernedering onzes Heeren. Hij had vaak geen vast verblijf, de vrouwen uit Galilea volgden Hem en onderhielden Hem van hunne goederen. Meermalen ook gebruikt Hij den maaltijd bij deze en gene en steeds was Hij bezig de belangen van het Koninkrijk Gods te behartigen. Hiertoe immers was Hij in de wereld gekomen om der waarheid getuigenis te geven. Hoe gemeenzaam met de menschen verkeerde Hij en tóch hoe vreemd moet Hij Zich gevoeld hebben in deze, door de zonde verpeste wereld. Hoe pijnlijk moet Hij getroffen zijn aldóór wanneer Zijn oog de harten doorschouwde en het inwendig bederf opmerkte dat Hem kwelde en tevens heenwees naar Zijn roeping van den Vader om de zonde te versoenen en den zondaar te redden.

Deze Farizeër was, op een of andere manier, bezig met Jezus en hij drong aan dat Hij de uitnoodiging zou opvolgen om bij hem te maaltijden.

Wat kan toch de bedoeling geweest zijn van deze Simon? Wel, hij wilde den Heere Jezus nader leeren kennen. Hij twijfelde er blijkbaar aan of de Heere een profeet was. In intiemen kring wil hij Hem waarnemen en dan doet zich zeker de gelegenheid voor Hem te ondervragen om zóó tot een antwoord te komen op de vraag, wie toch Jezus eigenlijk was. De wijze, waarop Simon den Heere als zijn gast behandelde toont ons, dat .zijn achting niet bijster groot voor Hem was. Eigenlijk was het zóó, dat hij op den bodem van zijn hart begeerde tot zekerheid te komen dat Jezus geen profeet was. Dat resultaat hoopte hij, want... zijn Farizeërs

hart zou dan opgelucht zijn als hij zich ontslagen kon achten van de vraag of Jezus van Nazareth de Messias was. Gevoelt ge het nu. hoe het Jezus te moede was omdat hij het hart doorziet? Hier is lijden voor Hem.

Het is waar, de houding der Farizeërs is nog niet zóó vijandig als later het geval zal zijn, maar dat neemt toch niet weg dat er een adder schuilt in het hart van dezen Simon, zoodat de vrouw, de boetvaardige zondares, die straks binnen komt, wel een scherpe tegenstelling vormt met dezen Farizeër.

De Heere Jezus stemt tenslotte toe en zal de gast zijn van Simon. Naar Oostersche wijze ligt hij aan aan den disch, ten huize van Simon.

Helaas, deze kent Jezus niet, want hoe zou hij zich anders beijverd hebben Zijne voeten te wasschen, Zijn hoofd te zalven, ja, bovenal Hem te aanbidden, want wat blijft er anders over dan wegzinken in aanbidding als wij Jezus herkennen en kennen? Dit is toch het eeuwige leven Hem te kennen, door gemeenschap des gëloofs in den Heiligen Geest. Indien, zoo staat geschreven, zij den Heere der heerlijkheid gekend hadden, zoo zouden zij Hem niet gekruist hebben.

Kent gij Hem, mijn lezer, als Zaligmaker, is uw hart door Hem ingenomen, zoodat gij buiten Hem niet meer leven, kunt? Ach, loop over deze vraag niet heen, want zij raakt uw leven en uw zaligheid. Zie hier nu eens wat gebeurt ten huize van Simon den Farizeër, daar kunt ge nu uit leeren hoe een mensch aan Jezus wordt verbonden en van Hem zaligheid verwacht.

En ziet, eene vrouw in de stad, welke eene zondares was, verstaande dat Hij in des Farizeërs huis aanzat, bracht een albasten flesch met zalf.

En stzande achter Zijne voeten, weenende, begon zij Zijne voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijne voeten, en zalfde ze met zalf.

In de stad waar Simon woonde — welke stad weten we niet —-was een bekende vrouw, die als zondares geen goeden naam had. Zij was een zondares, en hoewel Lucas niet het woord gebruikt dat wij door hoer weergeven, zal toch haar zondig leven wel op zedelijk gebied gelegen hebben.

Ge kent wel de woordverbinding: hoeren en tollenaren. Tollenaren en zondaren, het schuim der samenleving, diep gevallen zondaren. Ge weet wel hoe Jezus waarschuwend de Farizeërs striemde: Hoeren en tollenaars zullen u voorgaan in het Koninkrijk Gods. Niet, omdat zij in de zonde leefden, maar omdat zij de zonde vaarwel zeiden en boetvaardig werden stelt Jezus hen vóór de Farizeërs, die in hun eigengerechtigheid zich geen schuld bewust waren. e i k o

Ziet, daar komt een vrouw aan, zij komt op het huis van Simon af... e

Ze had gehoord dat Jezus van Nazareth daar aan den maaltijd aanlag en zij zal de gelegenheid niet laten voorbijgaan h in j om Hem te ontmoeten naar Wien haar ziel uitging. Zij had blijkbaar van den Heere Christus en Zijn prediking gehoord, waarschijnlijk Hem gehoord bij deze of gene gelegenheid en zij was door Zijn woord getroffen in haar hart en tot bekeering gebracht, tot inkeer en tot afkeer van hare zonden, die haar tot schuld werden voor God, maar... zij toonde ook: wie zijn ongerechtigheid bekent en laat, die zal barmhartigheid verkrijgen. Ach, hier ligt het hoofdbezwaar bij velen, dat hen afhoudt van het geloof in Christus, dat is: zich laten zinken op de genade, omdat zij de zonde wel meer of minder verkeerd achten, meer of minder als schuld zien en erkennen, maar... haar niet willen laten. Zij sterven niet aan de zonde, zij worden niet door de wet aan de wet gedood. Omdat menigeen der zonde niet sterft, sterft hij ook niet aan de wet, en blijft vrijen met Mozes om tot Christus te komen... en brengt noch de wet, noch Christus de toekomende eere.

Deze vrouw is een aantrekkelijke vrouw, omdat zij de zonde haat en daarom niet vervalt tot vroomheid, maar zij zoekt Christus tot Wien zij onweerstaanbaar wordt getrokken door den Heiligen Geest, die haar hart opent en met diepe smart vervult over hare ongerechtigheid dat zij tegen God heeft gezondigd.

Zij haat de zonde, sterft aan haar, en vervalt daarom niet tot vroomheid en dienstbaarheid aan de wet, want... vroomheid is ook een vorm der zonde en krenking van de wet Gods, omdat vroomheid bewijs is niet aan de rechtvaardigheid Gods onderworpen te zijn.

Vrome menschen kunnen het nog vrij goed buiten Christus stellen en zij zoeken een nieuwe lap te zetten op het oude kleed. Hun kleed moge spoedig scheuren, dat zij ophouden met het lappen en komen tot Christus den Zaligmaker.

Komaan, we verheugen ons heden in deze vrouw, die tot Jezus komt. Zij ging omdat zij niet anders kon; het moest, koste wat het kost. En we zien daar Jezus ten huize van Simon den melaatsche aangelegen aan den disch, wachtende op deze vrouw, want Hij is de Eerste en met de Eerste zal Hij ook de Laatste zijn.

De Geest des Heeren drijft haar, de kracht van Christus trekt haar als een magneet, die het ijzer uit-trekt uit het stof, zij wordt ont-trokken aan de wereld en zichzelf... naar Jezus, naar Hem... en zij zal welkomme zijn.

Ja, die gewillige Zaligmaker, heden is Hij nog dezelfde, die Hij was voor deze vrouw. Zij moet Hem zien, hooren, spreken, weldoen, haar dankerkentenis brengen. Het is waar, zij miste nog wel den troost van de vergeving harer zonden, maar... zij heeft met de zonde gebroken n een evarfgelische droefheid naar God s in haar hart.

Of zij wettische verschrikking heeft geend, de text zegt er niets van en laat ns deze vrouw zien in hare verbrijzeling n boetvaardigheid. k l

Zij ziet op Jezus, als den Messias, haar oop en haar leven. Ja, wat gaat er veel haar hart om, onuitsprekelijk veel, en uist in deze gangen des levens is zij zeer v h v aantrekkelijk. Tracht nu niet de bekeeriny van deze vrouw naar uw schema te vormen, want dan loopt ge groot gevaar juist voorbij te zien wat hier wordt gezegd. God is toch veel te rijk in de betooniny Zijner genade om aan uw recept gebonden te zijn.

Het gaat om de zaak der waarachtige boetvaardigheid en het geloof in den Christus.

Kijk, daar dringt de vrouw naar binnen! Ze moet het doen, kan niet anders. Ze had een flesch met mirrezalf bij zich. Ziet maar, ze stelde zich weenende, vol zondesmart en liefdesverlangen — dat baart óók tranen, zoet-bittere tranen — verwonderd over het wonder van genade dat reeds is geschied aan haar, achter Hem bij Zijne voeten.

Ge moet u die vrouw dus niet voorstellen als een ontdekte ziel, door de wet gebroken, zonder kennis van het Evangelie. Niets daarvan, wat er voorafgegaan is zegt de Schrift niet, maar wat er is blijkt duidelijk. Deze vrouw heeft oogen voor de vergevende liefde Gods in Christus gekregen, zij komt om het woord der verzoening te hooren.

Ge moet u voorstellen, hoe de gast aanlag aan den disch, achterover geleund, en de voeten achterwaarts gestrekt. Daar stelde ze zich op, achter Hem bij Zijne voeten. Ziet ge haar staan achter Jezus' voeten, en merkt ge wel op hoe zijn blik op haar is gericht? Ziet ge hier een ontmoeting waarvan ge zeggen kunt: dat is mij bekend, zóó ken ik Hem ook, ja, hoe zalig is die stand achter Zijne voeten, schouwend in Zijn gelaat, ziende die oogen waartusschen de eeuwige liefde woont. En de zondares bevochtigde die gezegende voeten, met hare tranen. Zij beregende ze. Kijk, straaltjes stroomen uit haar oogen, de dikke tranen worden tot een stroompje waarmee zij welgericht Jezus voeten beregend. Zij maakt haar haar los en droogt Zijn voeten af. Zij kuste die voeten herhaaldelijk en zalfde ze met zalf.

Alles, alles had ze voor Hem over, want... zij smaakte Zijne vergevende zondaarsliefde, nog vóórdat Hij sprak. Alles wijst er ons op hoe dierbaar de Heere haar was, hoe de liefdevlam in haar ziel ontstoken was, door een kool van het altaar. Zij spaart haar zalf niet noch haar hoofdhaar. En alles deed zij ten aanschouwe van de gasten. Niets kon haar weerhouden van deze tranen en deze daad.

Maar, zegt ge, mocht ze wel zoo maar binnen gaan in het huis van iemand waar ze niet genoodigd was? Want we weten toch wel, dat de Heere orde in acht neemt en een mensch toch gebonden is aan de bestaande gewoonten.

In de Oostersche huizen, die niet zoo afgesloten waren als de onze, kon iedereen, bij gelegenheid van een maaltijd, binnen komen. Daar was niets op tegen, dat was volkszede. Zij kon dus binnenomen zonder de perken van het geooroofde te overschrijden.

Het is dus geen vrijpostigheid van deze rouw, maar geloofsvrijmoedigheid, die aar doet binnentreden. Komt, lezers, we erheugen ons deze ontmoeting te mogen

meemaken. Deze historie druipt van genade. vloeit over van ontferming.

Me dunkt, dit moet nu jong en oud aantrekken, en jaloersch maken, heilbegeerig. Dit moet een verlegen ziel vleugelen aanbinden om tot Hem te vluchten, die de barmhartige Hoogepriester is. Dit moet harde harten breken en drooge oogen vochtig maken. Laten we opmerkzaam onzen beminden Immanuël gadeslaan en het handelen van deze vrouw zien in het licht van Zijn aangezicht.

Genade wordt hier rijk verheerlijkt in haar voorwerp. We hebben het toch al een en andermaal gehoord, dat deze vrouw een zondares was. Niet in den algemeenen zin des woords, neen, zij had haar eere als vrouw weggeworpen, zichzelf en anderen ongelukkig gemaakt. Ge behoeft dat niet te gaan uitpluizen zooals soms geschiedt, naar te vreezen is tot voldoening van innerlijke zondelust, onder den schijn van blootlegging van de diepten van het menschenhart. Behandel de vuile wasch binnenshuis, en spreek over de zonde zóó dat ge hare verdoemelijkheid gevoelt en er aan sterft, terwijl ge erover spreekt en denkt.

Lucas weidt uit over de genade, en vat de zonde in één woord samen. Hij geeft geen verhaal over zijn aanduiding: eene vrouw, die zondares was...

Dat is genoeg. Zij stond in de stad slecht bekend, en helaas terecht. Maar daar is zij nu aan Jezus' voeten, staande achter Hem. Zij was een scharlaken roode zondares. Ja, zóó kende zij zich nu, maar zij was van haar eigen leven als afgesneden door de waarachtige boetvaardigheid en had de vergevende liefde Gods in Christus op het oog en in haar hart, zij het nog in besloten vorm.

Zij had de Heere getergd, daar viel niets aan te verontschuldigen en dat deed zij ook niet en dat wilde zij ook niet. Trouwens ze heeft niet veel te zeggen, maar zij spreekt voor Jezus een taal, die Hem lief is, want het is de taal, geboren uit zijn hart. Bij de bloed-vloeiende vrouw lezen wij dat Hij vraagt: wie is het, die Mij heeft aangeraakt, want Ik heb bekend dat kracht van Mij is uitgegaan?

Nu, hier is óók kracht van Hem uitgegaan, deze vrouw raakte in het geloof zijn hart aan, toen zij weenende Zijne voeten natmaakte en die afdroogde met de haren van heur hoofd en ze zalfde met de kostelijke zalf.

Kom, Simon, rechtzinnige Farizeër, luister eens: tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij dan die der Farizeën en der Schriftgeleerden, zoo zult gij in het Koninkrijk Gods geenszins ingaan. Meen niet, dat dit een premie is op de zonde, maar roem der genade. De brave mensch is zeer onbekeerlijk. De brave mensch, die door genade voor veel zonde is bewaard geworden, moet kennen zijn inwendig bederf, opstand, vijandschap, eigengerechtigheid.

En de mond-belijder van dit alles, is zonder beleving niet minder eigengerechtig en eigengereid tevens, zoodat hij zich vleit in zijn rechtzinnig belijden, als men zijne ongerechtigheid bevindt die te haten is. Kom, hoe is nu onze instelling ten opzichte van de zonde en den schulduitdelgcr Jezus, hier ten huize van Simon? We worden immers heden geconfronteerd met Jezus en deze boetvaardige zondares! We kunnen niet neutraal blijven, dat is onmogelijk. de Heere vraagt ons: wat dunkt u van die twee daar met het oog op uzelf?

Mij, den voornaamste der zondaren, is barmhartigheid geschied, belijden wij met Paulus.

De genade is hier zeer overvloedig. Laat ik die vrouw zelf een vraag stellen. Ze is wel volkomen in beslag genomen door Jezus, maar me dunkt dat wil ze wel zeggen, want we zullen haar niet zoeken af te leiden: zeg ons toch waarom gij zoo weent, zeg ons toch waarom gij hier zijt binnen geloopen, en schuchter-vrijmoedig daar staat? O wonder der wonderen, ik, die in de zonde leefde, ben geraakt door Zijn woord, de zondelust stierf in mij, en de honger naar gerechtigheid en leven waakte op in mijn hart, ik kon niet langer van Hem wegblijven. En zij weent aldoor en stamelt: waarom zag Hij naar mij, die Hem niet zocht. Hij was het die mijne ziel lief had, Hij trok mij uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.

Gij vraagt naar mijn tranen, ik kan niet anders dan weenen, weenen van smart en vreugde, weenen van aandoening der liefde in mijn hart. Ik had niets dan vuile zonde, de laagste van de lagen, de zwartste van de zwarten, en nu... Deze ontvangt de zondaars en eet met hen... We zien weer naar Jezus, daar aanzittend aan den disch bij Simon. Het was Zijne spijze te doen den wil Zijns Vaders, die in de hemelen is.

Ja, hier is een verkwikking voor Hem, op Zijn tocht naar het kruis. Zijn arbeid draagt vruchten. Zijne liefde doet wonderen en Zijn macht is gadeloos en onbeperkt. Zij is een der gegevenen Zijns Vaders, en op Zijn dagprogram stond haar naam geschreven door den Vader der lichten en den God aller vertroostingen. Ik zal genadig zijn, dien Ik genadig ben en Ik zal mij ontfermen dien Ik mij ontfermen zal. De genade regeert hier koninklijk vrij. De genade koos deze zondares. Ze staat daar verbroken. Hoe Simon en de anderen elkaar aanzien weet ze niet, want haar blik is gericht op Jezus en bovendien haar oogen stroomen van tranen, zij kan hen niet zien. Ook een voorrecht dat dit weenen meebrengt, niet te letten op den blik van wie dan ook. Ze denkt niet, o als Simon het nu maar goed vindt, als 't nu de goedkeuring maar wegdraagt van die andere gast, die zoo goed bekend staat in onze stad. Neen, daar dacht ze zelfs niet aan.

Simon, de Farizeër, een respectabel man, maar hij is eigengerechtig en niet boetvaardig, geen genadekeuze viel heden op hem. Zoo uitwendig gezien waren er velen beter in de stad dan deze vrouw. Gij zijt wellicht niet erg ingenomen met hare begenadiging. Ge hebt wellicht critiek op haar gedrag ook heden ten huize van Simon.

Het gaat niet volgens uw schema en... maar neen, critiseer niet, doch bewonder de genade, en het werk der genade in het geloof en de liefde van deze boetvaardige zondares. Een gezicht waar de engelen in den hemel verwonderd op staren. En ziet nu ook naar Jezus. Hij kent deze vrouw, de Vader gaf haar aan Hem. Hij zal Zijn bloed ook voor haar storten. Kijk, het is zóó, deze vrouw ontdekt in haar hart reden voor toorn en wraak Gods, en Jezus vindt in zijn hart reden vóór genade. Versta ook heden dat de hemelsche leer der genade geen dogma is om over te vechten als honden om een been, maar om te aanbidden en hope te koesteren voor den ellendigste en zwartste der zondaren, om aan te moedigen tot Hem te vluchten... wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen, en... al wat de Vader Mij geeft zal tot Mij komen.

Komaan, een aangename stof houdt ons bezig, laten we samen letten op de genade, zooals zij openbaar wordt in hare

vruchten. De zondares van de stad is een boetvaardige smeekeling. Dat zijn menschen, zooals de Heere ze gaarne ziet, want den hoogmoedige kent Hij van verre, maar den nederige geeft Hij genade. Dat zijn menschen, die het zelf ook niet slecht hebben, want een verootmoedigd mensch, gebroken in zijn trots, nederig van hart, denkt goed van den Heere, anders is het met zijn verootmoediging nog niet in orde. Ja, deze zondares van de stad is eene dochter Abrahams, dienares des Heeren, want zij oefent geloof op den Zaligmaker, en dit is de wil des Vaders dat gij gelooft in Hem, dien de Vader gezonden heeft. . Zij heeft door genade niet alleen van Jezus gehoord, maar Hemzelf beluisterd. Zij heeft dat zeker nooit gezocht als zondares, maar als gezochte des Heeren. De Geest werkte met kracht in haar hart, en zij maakte snelle vorderingen, zoodat wij aan haar behoud toe zijn nog eer wij van haar omkomen hebben vernomen.

Hoe het gegaan is met dat hooren van Jezus, weten wij niet. Wellicht, zooals bij de Samaritaansche, die sprak: Deze heeft mij alles gezegd wat ik gedaan heb.

Maar, dat wordt ons niet eens gezegd, daarom behoeven wij het ook niet te weten, wat er wel staat is een vette maaltijd van Goddelijk ontfermen.

Haar hart was verbroken, de zonde wierd haar snel de dood, nooit, neen nooit kon ze meer goed maken wat zij misdreef, maar dit behoefde ook niet, want zij zag den weg der verzoening open, en het Evangelie is ontdekt aan haar hart. Zij hoopte, verlangde en geloofde... Haar geloof groeide en brandende liefde waakte op in haar hart. Ze kreeg Jezus' onuitsprekelijk lief. De Geest wekte hoop en dreef haar tot Hem, daar in het huis van Simon den Farizeër, waar Jezus aanzat aan den maaltijd.

Daar staat zij, weenende, achter Zijne voeten, zij geloofde dat deze de Messias was, en wie zal precies zeggen wat in haar hart omging. We staren op deze parel, zuiver als kristal, in haar tranen, die zal schitteren aan de Middelaarskroon onzes Heeren.

Lezers, als ge ooit zooiets kuntbeleven en meemaken verzuim dan de gelegenheid niet, maar zwijgt... valt deze vrouw nooit in de rede, ziet alleen maar toe.

Ja, haar op de rechte wijze zien en hooren, kunnen we alléén maar als we deze betrekking des geloofs en der liefde tot den Christus zelf kennen.

Ze heeft gehoord dat Jezus daar was, heeft geïnformeerd, want ze moest weten waar Hij vertoefde. Daar staat ze achter Jezus' voeten.

De Farizeër heeft Jezus de meest eervolle plaats niet gegeven, en Hij, als gast heeft wel Zijn sandalen afgelegd, doch niemand heeft Zijn voeten gewasschen. Ze weende een stortvloed van tranen, tranen van boetvaardigheid en van heete liefde... ze stroomen af op Zijn gezegende voeten... ze ziet Zijn gelaat van terzijde als een open hemel, vol ontferming... het is een wonder dat zij daar den geest niet gaf, want we weten wat het is aan Zijn voeten te liggen, maar ook achter Zijn voeten te staan, zooals deze vrouw. Ze maakte haar haren los uit de vlechten, hare haren... ze boog... wat hare ijdelheid is geweest en haar strik, gebruikt zij nu om Zijne voeten te droogen; die lonkende oogen zijn voor altijd gebroken, rein als eener duive.

Zij wil die voeten vurig kussen, herhaaldelijk, en... Jezus laat het toe.

Ze neemt haar fleschje met zalf en giet het uit op Zijn voeten. Zij had zich vaak geparfumeerd om te verleiden tot zonde, zij is nu geen zondares meer, al zal ze in de stad nog wel zoo genoemd worden, doch zij is een boetvaardige, gereinigde van hart en leven. Genade is de bron van - reinheid en vreeze Gods.

Genade redt van den dood en van de zonde, die de prikkel des doods is. De onbeschaamdheid van haar gelaat heeft plaats gemaakt voor een sluier van heiligheid. Het vleien van haar lippen maakte plaats voor oprechtheid en trouw, de lust van haar hart is vervangen door ware liefde en vreeze Gods. Haar oogen zijn fonteinen van waar berouw.

Ja, wat zal ik nog meer zeggen? Alles spreekt ons van de alles overwinnende en herscheppende kracht der genade van Christus. Ze weende niet uit sentimentaliteit, maar uit droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid.

Haar leven was als een bange angstaanjagende droom geweest, heden wordt zij een nieuw mensch. Ge let toch wel op haar ootmoed! Voorheen had zij een onbeschaamd voorhoofd als van koper, haar nek was een ijzeren zenuw gelijk.

En nu... laat ik maar ophouden, want ik kan het toch niet uitzeggen, wat hier te zien is, aan de voeten van Jezus; wat hier wordt beleefd.

Zij is zeer moedig, weent, achter Jezus' voeten, wascht ze met haar tranen, zalft ze en droogt ze af met de haren van haar hoofd. w C Z

Ziet, voor dit geloof en deze liefde is geen berg te hoog om te beklimmen, geen zee te diep om er door te zwemmen. g h g

Jezus stoot haar niet af, hoe zou Hij kunnen, daar Hij haar zelf tot Zich had getrokken en Hij acht het ook niet noodig voor een tijd te handelen als Jozef met zijn broeders. Neen, Hij aanvaardt haar r m d s zonder meer, omdat zij aanvaardbaar is in de genade.

En staande achter aan Zijne voeten, weenende...

De zondares staat, een goede houding! Maria zat aan de voeten haars Heeren. Staan achter Zijn voeten is ook een treffende houding.

Zie eens hier. mijn lezer, jong en oud, het eerste wat noodig is voor geestelijk leven is de tegenwoordigheid van Jezus te herkennen en in betrekking met Hem te komen. De Meester is daar en Hij roept u! Op Hem te zien, in geloof, is zaligheid. Zeg nu niet zien is geen hebben, dat hoort hier totaal niet thuis, dit zien is een zeker hebben, omdat het zien des geloofs is.

Op Hem zien, zooals de Israëliet op de koperen slang, op Hem zien, en Hem aanloopen als een waterstroom, dit is zaligheid en leven.

Ziet, Jezus heeft mij lief, , ik ervaar het aan mijn hart, terwijl ik sta achter Zijn voeten. We zijn in de hand van Christus, en uit die hand zal niemand ons rukken. Soms zijn we als het verloren schaap en liggen op Zijn schouder, dan weer liggen wij met Johannes aan Zijn borst.

Staande achter aan Zijne voeten... Laten we trachten die plaats nader te bepalen. Zij is een bewijs dat deze vrouw een gepasten eerbied had voor den Zaligmaker. Hij, de Heerlijke, wij de onwaardigen.

Hoedanig een is deze? Hij is waarachtig mensch, zie maar, Hij ligt aan den disch en eet van de spijzen en toch, Hij is God, te prijzen in der eeuwigheid.

De zon en maan moeten buigen voor de ster van Bethlehem, alle schoven buigen voor Jozefs schoof. Ja, met diepen eerbied staat de vrouw daar achter Zijn voeten.

We zijn onwaardig Zijn aangezicht te zien en toch... staan bij Hem, zien Hem en kussen Zijn voeten, zalven ze... Aan Zijne voeten behoort ons leven, onze tijd en talent. Gij noemt Mij Meester en Heere, dat ben Ik. Blijf aan die voeten als ge daar komen kunt, totdat gij wegdraagt hetgeen uwe ziel van Hem begeert.

Ja, indien gij die plaats waarlijk vinden kunt, dan zijt ge voor eeuwig behouden, staande achter Jezus' voeten weenende... Te staan aan de voeten van Mozes is noodig om ons vonnis aan te hooren, aan Jezus' voeten om te vernemen van behoud ten leven. Evangelische droefheid ontspringt niet uit wettische verschrikking. Zoete tranen worden geschreid aan Zijne voeten.

Lezers, ik heb de stille hope dat er heden zulken zijn en de prediking van den Christus in zijn betrekking tot deze vrouw als een zachte dauw op hunne zielen geaar worden. Ziet, dit geloof omhelst hristus als Zaligmaker. Straks wendt Hij ijn hoofd en spreekt van genade en vereving. Als gij weent en door uw tranen , een Christus niet kunt zien, verkrijgt gij een vrede voor uw hart.

Wie zijn hart uitstort in eigen hart, aakt zijn smart niet kwijt, doch wie het ag uitstorten aan Jezus' voeten, weenene, zal ervaren dat Hij degene is van wien taat geschreven: Hij heeft mijn tranen in Zijn flesch vergaard. Hij heeft mijn smart verdreven.

Daar, achter die voeten, vloeit de liefde in de uitgegoten zalf. Van haar haren maakt zij een handdoek.

Hier is een geschikte plaats voor een mensch, die pas Jezus vond. Hij wil den vermoeiden zondaar ontvangen, den beladene ontlasten, den gebondene ontbinden, den reddelooze redden.

Ik zie weer even naar Simon, die deze vrouw bespiedt en verdenkt, zelfs nu achter Jezus' voeten staande en weenende... Hij denkt er niet aan dat ook hij daar zou moeten staan, wil hij ooit vrede verkrijgen met God in schuldvergeving.

Hij is heden gastheer, maar verstaat noch Jezus, noch die vrouw.

Hoe is het nu met u, mijn lezer? Zie eens hier, wie met God en zijn ziel te doen heeft laat af van de menschen en komt voor Gods aangezicht.

Let op de handelende liefde. ...en zalfde Zijne voeten met zalf. De liefde welt op uit de fontein der genade, wordt ingestort door den Heiligen Geest. Nu hier geen leerstellige vragen doen, alléén maar u verwonderen, niet vragen of dit Pinksteren is, want dat is het niet natuurlijk, maar het is wat het is en wat het is, is rijk en bediening des Geestes.

Natuurlijke liefde tot God en Christus is er niet. zij is een uitheemsche plant, geboren door den Geest Gods, die het uit Christus neemt. Maar, we weten dat deze liefde sterk is als de dood en haar ijver hard als het graf, het is een vurige kool, een vlam des Heere»: .

Hier is het geloof door de liefde werkende. Hij heeft ons eerst lief gehad. Ge kunt niet op het bordes komen zonder de trap op te gaan, zoo kunt ge niet in liefde handelen, wanneer ge' niet in geloof hebt omhelsd. Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen.

Weet ge, hoe de liefde wordt gevoed als zij is geboren in de diepten onzer ziel? Zij wordt gevoed en versterkt bij schuldbesef en ervaring van vergevende liefde. Die Mij heeft lief gehad... Wie de misdaad zijner zonde ziet in het licht der vergevende liefde, gevoelt de wanden van zijn hart uitzetten, en het dreigt te barsten, en dat zou zeker gebeuren als deze nieuwe wijn werd gegoten in een oude lederen zak, maar neen, deze nieuwe wijn komt in een nieuw hart.

Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere mijne sterkte.

Ge let er ook nog op dat haar liefdedienst geheel vrijwillig was. Zeker zegt ge, liefdedienst is nooit gedwongen of opgedrongen, dan is het geen liefdedienst. Goed, dan kunnen we verder gaan, maar denk erom als ge meent liefdediensten den Heere te verrichten dat het aankomt op de zuiverheid der vrijwilligheid, op de ware liefde. Niemand heeft haar aangeraden dit te doen, het voorbeeld van Maria van Bethanië was er nog niet, dat kwam later. Ze was zeer origineel, ja, dat is het juiste woord, origineel, oorspronkelijk, dat is de liefde, de echte, altijd, terwijl zij ook zeer vindingrijk is. Ze deed het verder alles zelf en alles aan Jezus.

Ja, zegt ge, dat kan een ander niet van ons overnemen, staan achter Zijn voeten, weenen, zalven... dat is iets zeer persoonlijks! Inderdaad, maar het is toch wel mogelijk dat we het samen doen, heden? Ieder voor zich en toch tegelijk... er is aan die voeten plaats genoeg voor het geloof.

Ge hebt er ook op gelet dat in onze textverzen zoo dikwijls het voornaamwoord wordt gebruikt: En staande achter aan Zijne voeten, weenende, begon zij Zijne voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijne voeten, en zalfde ze met zalf.

Waartoe deed zij dat nu eigenlijk, die voeten kussen? Was dat nu toch niet overbodig?

Wel, liefde handelt niet conventioneel. zooals ieder het doet. liefde is altijd van eigen aard en handeling. Ze wist wat ze bedoelde, uiting te geven in een zichtbare gestalte aan hare liefde, die was als zalf. Ze handelde naar de inspraak van haar rein gemoed. Ach. dien Hem niet harteloos of slaperig, dien Hem. door Hem gediend ten leven.

En ten slotte, zij was pas toegebracht, ze had wel eenige vrede, maar was toch nog meer treurster dan verheugd.

Dat was oorzaak om niet langer te wachten, teneinde vrede te verkrijgen en beleving van vergeving. Daartoe kwam zij en daartoe trok Jezus haar tot Zich en leidde haar de Heilige Geest.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juli 1949

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Jezus en de boetvaardige zondares

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juli 1949

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken