Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

JEZUS, SIMON EN DE ZONDARES

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

JEZUS, SIMON EN DE ZONDARES

22 minuten leestijd

Lucas 7 vers 36—50. Zeg dan wie van deze zal hem meer liefhebben?

En Simon antwoordende zeide: Ik acht, dat hij het is, dien hij het meeste kwijt gescholden heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.

En Hij, Zich omkeerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen: water hebt gij niet tot Mijne voeten gegeven: maar deze heeft Mijne voeten met tranen nat gemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd. Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten Mijne voeten te kussen.

Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijne voeten met zalf gezalfd. Vers 42b—46.

(4)

De Heere Jezus richt Zich nu met een vraag tot Simon, na het uitspreken van de gelijkenis van de twee schuldenaars en de kwijtschelding hunner schuld toen zij niet hadden om te betalen.

Het wordt voor Simon den Farizeër warm, want de blik van Jezus' oog drong in zijn binnenste door als een brandpriem. Zeker, Simon zoekt zich goed te houden en met een zekere luchthartigheid en onverschilligheid te antwoorden, maar dat neemt niet weg dat hij toch allerminst op zijn gemak is.

Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben?

Hem liefhebben, dat is degene natuurlijk in de gelijkenis, die de schuld kwijtschold. Voor liefhebben staat hier in den grondtext hetzelfde woord als in hoofdstuk 6 vers 27 en 35, gelijk ook in vers 47 van ons textkapittel.

De Heere Jezus vraagt dus Simon wat hij denkt van die twee schuldenaars, wier schuld is kwijtgescholden toen zij niet hadden om te betalen.

Nu Simon, laat uw antwoord eens hooren.

Ik acht, zoo antwoordt hij, dat hij het is, dien hij het meeste kwijt gescholden heeft.

We hooren dat de Farizeër niet van harte antwoordt, maar iets bitters legt in zijn stem. Ontwijken kan hij de vraag niet, maar hij vermoedt wel zooveel van de bedoeling des Heeren, dat hij onrustig en bitter wordt van binnen.

Ik veronderstel, ik acht, zoo zegt hij; hij houdt zich op de vlakte, en ook een beetje van den domme, wat de bedoeling des Heeren betreft. Ik veronderstel, zonder dat hij een woord van aanspraak gebruikt tot Jezus. Hij zegt nu niet: Meester, maar alleen maar: ik acht, ik veronderstel, zoo neutraal mogelijk zoekt hij te antwoorden, alsof de zaak die Jezus in de gelijkenis voorstelt hem niet aanging.

Zoo zoekt de mens zich te onttrekken aan het hartdoorzoekend oordeel Gods, in plaats van zich te buigen voor den Heere en zich nog te verwonderen over Zijn nederbuigende goedheid, dat Hij nog vragen wil stellen om tot inkeer te brengen. Simon zegt, ja, dat zal wel degene zijn, dien hij het meest heeft kwijtgescholden, dat ligt zoo voor de hand, dunkt mij. Wien het meeste is kwijt gescholden zal zich het meest verplicht weten aan den schuldeischer en uiting geven aan zijn dankbaarheid, een betrekking der liefde hebben op dien schuldeischer.

Maar Simon weigert er in te komen wat dit nu hier en nu voor hem beteekent.

We zijn er altijd op uit ons bedekt op te stellen als het gaat om de waarheid voor ons persoonlijk. Simon antwoordt omdat hij moet, maar... in het algemeen. Hij laat er zichzelf buiten. Voor zichzelf draait hij gaarne om de dingen heen. Daar moet ge voor op huisbezoek komen om dat mee te maken met de menschen, ook met de rechtzinnige menschen, soms ook trachten ze u voor te zijn met hun doode betuiging dat ze onbekeerd zijn, zoo dat het gesprek al aanstonds stokt en moeilijk wordt gemaakt.

Simon: Ik heb u wat te zeggen! Meester spreek!

En thans voegt de Heere Jezus hem toe: Gij hebt recht geoordeeld.

De Heere Christus liet Zich niet door Simons hooghartigheid uit den koers brengen, veeleer kon dit antwoord des Heeren Simon doen opmerken wat verder nu tot hem gezegd zal worden, want hij is er nog niet af.

Het ging over het bewijzen van liefde metterdaad, als gevolg van kwijtschelding, van vergeving der schuld.

Welnu, liefde is geen zaak van berekening, neen, een mensch wordt er door gegrepen. Als de Heere genade uitstort in het hart, als Hij Zijn ontferming betoont aan onze benauwde zielen dan waakt er van binnen iets op dat ons stuwt naar Christus, wordt een liefdesbetrekking geboren, die van een wondere teederheid is. Zondaren, die vergevende liefde smaken, zonder dat nog van rechtvaardigmaking in den strakken zin des woords sprake is, hebben lief omdat de Heilige Geest die liefde werkt in de harten door Christus te openbaren.

Wanneer Christus uit het gezicht raakt ontstaat pijn des harten. Zoo wordt de straal van goddelijke liefde in het hart als teruggekaatst in wederliefde. Wij zouden in dit verband ook nog kunnen wijzen op de liefde tot God in Zijn recht en deugdenbeeld bij den veroordeelden zondaar, in wiens hart in het verborgene ook de barmhartigheid werkt. Zeg Mij, wie van deze zal hem meer liefhebben?

Waar genade wordt ervaren kan dankerkentenis niet uitblijven, als vrucht van werking des Geestes.

Het is een van de laagste misdaden te haten, die ons weldoen, te beleedigen, die goed voor ons spreken. Zelfs een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe zijns Heeren, maar Mijn volk verstaat niet, het recht des Heeren kennen zij niet, klaagde de Heere bij monde van Jesaia. Let op een hond, die zijn weldoende meester de hand lekt en - kwispelstaartend tegen hem opspringt. Let op de honden en wordt beschaamd! Napoleon reed over het slachtveld en zag een gesneuvelde soldaat, terwijl een hond lag op zijn borst om zijn dooden meester te beschermen. Zelfs de menschenslachter, de latere balling, stond stil bij dit aangrijpend tafereel.

Onder de beesten des velds is aanhankelijkheid en trouw.

Ge kent de Grieksche sage van Androcles? Deze was veroordeeld om voor een leeuw te worden geworpen om zoo in

stukken te worden gescheurd. Maar wat gebeurde? De leeuw likte zijn voeten, omdat Androcles vroeger een doorn uit zijn poot had getrokken. Maar helaas, de natuurlijke mensch is zoo snood en barbaarsch dat hij zijn hoogsten weldoener haat en beleedigt, zijn Weldoener in Wiens hand zijn adem is, en Die Zijn zon doet opgaan ook over boozen en regent ook over onrechtvaardigen.

Maar zegeningen, die ons hart vullen en de eeuwigheid en Christus raken, missen hun doel nooit door den Heiligen Geest.

Redding van den toekomenden toorn, opzien tot den Zaligmaker in Zijn bloed en wonden, ze moeten worden weerkaatst in liefde des harten.

De dauw der genade spiegelt zich in de geopende kelk des harten door de stralen der zon. Loof den Heere, mijne ziel, en vergeet geene van Zijne weldaden... och, of nu al wat in mij is Hem prees!

Zijne goedertierenheid duurt in der eeuwigheid. De Heilige Geest werkt samen met den Vader en den Zoon. Zoo weten wij ook wat het zegt: gereinigd van onze vorige zonden door het bloed van Christus, worden wij vernieuwd in den geest onzes gemoeds door den Heiligen Geest.

De Geest toch werkt een zekere mate van liefde bij de eerste blik des geloofs. Naarmate het geloof wast, groeit ook de liefde; het zijn tweelingzusters. Ja, maar zeg nu eens wat liefde precies is, liefde tot God. Zeg gij mij eerst eens wat nu precies ouderliefde en kinderliefde is. Dat kan ik niet, dat kunt ge alleen beleven.

Zoo, denkt ge dan dat het geheim der goddelijke liefde wel kan worden ontzegeld? Dit wil echter volstrekt niet zeggen dat van deze liefde niets naders zou gezegd kunnen worden, wel dat wij haar niet kunnen uit-zeggen. De liefde van de zondares moge ons ten voorbeeld zijn en op die bepaalde trek in de liefde wijzen wij dan ook met nadruk.

Deze liefde baart haat tegen de zonde, en aanhankelijkheid aan Christus en een geest der gehoorzaamheid, zoodat wij beginnen te dienen, zooals de zondares daar achter de voeten onzes Heeren.

Te dienen door te weenen, Zijn voeten nat te maken, te wasschen met tranen en ze te zalven. De liefde van God in Christus heeft een trekkende kracht tevens, zoodat de bruid bad: trek mij en wij zullen U naloopen.

Weer zien we langs Simon heen naar de vrouw. Ge ziet ze toch wel staan? w

Waar de kracht der vergevende liefde wordt ervaren is liefde geboren, want waar geen liefde is, daar is zeker geen vergeving, zelfs geen verwachting daarvan. Ja, de vergevende liefde Gods zet een menschenhart in vlam. Wie niet lief heeft is niet uit God. h H e s d o

En ook is waar hetgeen diezelfde Johannes schreef: die Mij liefheeft, bewaart Mijne geboden. C d v

Nu geeft onze text aanleiding te spreken van graden in de liefde. Immers, Jezus vraagt: Zeg dan wie van deze zal meer liefhebben? n t H

En als Simon antwoordt: Ik acht dat hij r het is, dien het meeste kwijt gescholden is, dan zegt Jezus tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.

De liefde kan zijn als een vonk, maar ook als een uitslaande vlam, of wel als een rustig brandend, zeer heet breed vuur. Liefde is geen stereotype genade, ze kent een smalle en breede bedding, ze weet van buiten haar oevers treden, van eb en vloed. Liefde is een levende werkelijkheid, omdat zij uit God geboren wordt leeft zij. Hij is de God der liefde en des vredes. Omdat zij gave der genade is van den Heiligen Geest groeit zij en kan afnemen. En... die liefde kunnen wij dooven door de zonde, zoodat Christus klaagde: dit heb Ik tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten. Liefde kan groeien en bloeien maar ook verkillen en stillen. Wie den Heiligen Geest smarten aandoet, Christus beleedigt, zal dit ervaren in een toegesloten hart, en omdat de liefde tot God alleen ontstaat, bestaat en onderhouden wordt door de liefde van God in Christus, zal intrekking van de werking der goddelijke liefde noodwendig meebrengen verkilling en verstilling onzer liefde tot God in Christus. Liefde is geen afgewerkt product waar ge mee naar de markt kunt gaan; die ge op uw creditrekening kunt boeken, neen, liefde is een beleefde betrekking tot den Heere onzen God, en daarom vast in den Heiligen Geest, in beweging in ons. Liefde is als een vuur dat aangeblazen kan worden, dat ook kan worden gedoofd. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.

Gelijk er nu verschil is in geloof en geloofsoefening, is er ook verschil in hoop en liefde, wat diepte en kracht aangaat. De vader des kinds bad met tranen: Heere, ik geloof, kom mijne ongeloovigheid te hulp. Waarom hebt gij gewankeld? Als de discipelen wankelen in het geloof bij den storm op zee, en schreeuwen van vrees, dan koelt ook de liefde en vinden zij eigenlijk Jezus hard, dat Hij pas in de vierde nachtwake komt, wandelende op de golven der zee.

Maar als het geloof sterk is dan is ook de liefde machtig en spreken wij in geloof den Liefhebber onzer zielen in liefde toe: ook als Hij mij doodde, zoo zou ik nog op Hem hopen.

De liefde is een zuivere parel van groote waarde. De Heere Jezus vroeg Petrus tot driemaal toe: Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij lief? Hij stelde hem op de proef en ge weet hoe benauwd Simon het kreeg, maar dat Petrus toch kon antwoorden: Gij eet alle dingen, Gij weet dat ik U liefeb. Een kleine diamant is toch diamant. et beeld des konings op een gulden of en kwartje is toch hetzelfde beeld.

Maar wanneer dit zoo is, moeten wij taan naar groeiende liefde. Ons is nooig om dieper in ootmoed te wortelen in ns leven, beter gezicht te hebben op hristus, afgewend van onszelf, doordat e zelfingenomenheid versterft en de zelferzaking, het haten van eigen leven, toeeemt. Dat is goede groei en dan daarbij oenemen in kennis en genade van den eere Jezus Christus.

Groeiende liefde door kennis des Heeen én afkeer van onszelf. i g m

Deze zondares had zeer practische liefde, ze bracht haar albasten flesch met zalf alvast mee in het huis van Simon, toen ze zich ging stellen achter Jezus' voeten. Drijf handel met de genade, want een christen mag niet stil zitten en droomen. Ik zal liefde en lof ten offer mengen, zoo moge steeds meer ons levensdevies worden; door oefening des geloofs op Christus de liefde aanwakkerend.

Hoe meer in de zon, hoe warmer ik word; hier moet ge nooit zeggen, het wordt mij te warm, ik ga de schaduw opzoeken, want deze zon is tevens schaduw, het is er warm en koel tegelijk.

Wie van deze zal hem meer liefhebben? Mag ik deze vraag ook u voorleggen? En geeft ge dan den Heere een antwoord? Laat ik de vraag in dezen vorm u bieden: wat weet ik van de eeuwige liefde Gods in Christus? Wat werkt de gave van Zijn eeniggeboren Zoon, het wegdragen der zonde op het vloekhout uit in mijn hart? Zeg mij... hoe is het met uwe liefde, met de kennis des geloofs van dit wondere stuk der schuldvergeving, zooals zij in Jezus is? Onze heele godsdienst wordt beheerscht door het antwoord op deze practische vraag. Het geven van uw gave in de armencollecte, het lezen van Zijn Woord, het zingen van uw psalm en nog zooveel meer. Godsdienst geboren en gevoed door liefde des Geestes, is alleen den Heere aangenaam, als Zijn eigen werk.

Ik zal den Heere loven in mijn leven, ik zal mijnen God psalmzingen terwijl ik nog ben. Het is een vraag, die niet eens moeilijk te beantwoorden is, want zelfs de eigengerechtige Simon gaf een goed antwoord. Gij hebt recht geoordeeld. Wie het meeste schuldig was zal het meeste liefhebben. Laat hier nu een heilige concurrentie zijn, en alle afgunst versterven in Sion, laat Juda Efraïm niet benijden en Efraïm Juda niet benauwen, maar laat er een wedijver zijn in het liefhebben van God en den naaste. De liefde is de vervulling der wet. En wie liefheeft dengene, die geboren heeft zal ook liefhebben degenen, die geboren zijn.

Kom, vijfhonderd-penningen schuldenaars, dit waart gij sommigen maar gij zijt afgewasschen, gij zijt geheiligd door den Geest onzes Gods.

En... wat nuttigheid had gij toen van die dingen waarover gij u nu schaamt? Maar we moeten toch nog één opmerking maken, want sommigen willen deze plaats innemen op andere gronden dan de zondares aan Jezus' voeten. Kijk eens hier, ik ken een mensch, die nooit dronken was, niet stal of dergelijke grove zonden pleegde, vroom was en tot God bekeerd werd, gerechtvaardigd als een goddelooze en die man, die zegt ook dat hij een vijfhonderdpenningen zondaar is, dat hij niet wenscht onder te doen in zelfbeschuldiging bij deze zondares.

Kent gij dien man, herkent gij hem wellicht in uzelf? Een ander zal zeggen, neen, een openbare zondaar was ik niet en daar mag men ook niet om begeeren, het is al erg genoeg, dat ik tegen licht en beter weten in ging, heb geworsteld tegen de enade, mijzelf in het leven wilde houden, aar... de Heere is mij te sterk geweest.

Gij kent zeker het verhaal wel van dien prediker, die zei dat hij de meeste verplichting had aan de genade. Een broeder gaf hem de hand en zei: Dominé u hebt een grote blunder gemaakt! Dat gebeurt me wel meer was het antwoord. Neen zei de ander, maar ge zeidet: ik zal het luidst zingen in den hemel, dan ben ik uw concurrent! want ik ben aan de liefde Gods meer schuldig dan u!

Ralph Erskine zegt ergens dat ieder onder de vogels van het paradijs de laagste plaats wil innemen en het hoogste lied wil zingen. Accoord, zoo moet en zal het zijn, want de liefde wil de volste glorie geven aan de genade.

Het is waar, er zijn menschen aan wie zeker niet meer is vergeven dan aan anderen in zonden naar buiten, opgevoed in de vreeze des Heeren. Deze rustige zielen willen echter niet ingedeeld worden bij de vijftig-penningen zondaren, want zij rekenen de inwendige zonde zeer zwaar, hun tegenstand tegen de genade. Het wordt wel duidelijk dat we hier met een rekensom niet klaar komen.

Ze hebben, omdat ze teer zijn, een afkeer van den held, die zijn misdaden kan en wil uitstallen, zooals sommigen doen. Ze kunnen niet zonder blos en traan spreken over de zonde en hare vergeving. Neen, ze leggen een sluier over hun gelaat en zijn diep beschaamd. Wie woont op Golgotha en in den Olijvenhof, diep gedrongen in het Borgwerk onzes Heeren, kent zonde en genade, schuld en vergeving, en naarmate wij het offer kennen en erbij leven wordt de liefde vuriger en dieper. De zondares toonde hare diepe liefde in hare daad, daar aan de voeten van Jezus staande. Breng de albasten flesch met zalf en zalf Zijne voeten.

Zij vroeg niemand om naar haar te kijken, en zij deed het rustig met toewijding, zonder vertoon en ophef, want zij was geheel vernederd. Welk een eere is het Hem te mogen eeren. Ze zeide niet met Jehu: zie mijnen ijver aan voor den Heere. Ook heeft zij het oog niet op hare liefde, neen, deze ziet zichzelf voorbij en verheugt zich in het samen-zijn met den Geliefde. De liefde is nooit over zichzelf tevreden, maar wel over den Heere Christus. Hoe, zoo vraagt ge, waarom is de liefde nooit over zichzelf tevreden? Wel, omdat het voorwerp der liefde nooit genoeg bemind kan worden, gelijk God ook nooit genoeg kan geprezen worden.

Hoe zou dat in den hemel zijn? Laten we geduld hebben tot we daar zijn, dan weten we het meteen, voor heden zij het beleefde waarheid, dat de liefde nooit tevreden is over zichzelf, noch over hare prestaties in het samen-zijn met Jezus en het Hem eeren. De vrouw beminde den Heere, daar in het huis van Simon, met zelfopoffering, tevens was ze berouwvol over hare vroegere zonde, die ze nu haatte.

Het leven van Gods kinderen behoort een doorgaand liefhebben te zijn en een ononderbroken liefdedaad. De liefde vergaat nimmermeer.

Geloof, hoop en liefde, doch de meeste van deze drie is de liefde.

Thans gaan we samen de verzen 44 tot 46 lezen en enkele opmerkingen maken. Zonder bezwaar kunnen we hier kort zijn. omdat we de zaken, die er in voorkomen reeds hebben behandeld en overdacht in de voorafgaande verzen.

En Hij Zich omkeerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen: water hebt gij niet tot Mijne voeten gegeven: maar deze heeft Mijne voeten met tranen nat gemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd.

Lucas verhaalt op treffende wijze hetgeen geschied is ten huize van Simon. Het is een fijn trekje dat hij ons hier meedeelt, welke beweging de Heere Christus maakte toen Hij Simon ging bestraffen over hetgeen hij had verzuimd en hetgeen de vrouw had gedaan. En Zich tot de vrouw gekeerd hebbende, zeide Hij tot Simon... Ziehier een zich wenden tot de vrouw in ontferming, wat zal zij gezien hebben in den blik Zijner oogen! Zij drinkt Zijn ontfermingen met volle teugen in. Ja, wie zou niet in vlam worden gezet en tegelijk verteerd, als Jezus zóó Zijn gezegend hoofd omwendt om ons aan te zien. Ik ben bij u en zal u aanzien.

De vrouw stond immers achter Zijne voeten en nu moest Jezus Zijn hoofd omdraaien, terwijl Hij bleef aanliggen aan den disch, om haar te kunnen zien in het gelaat. Hij ziet haar als een gegevene des Vaders, als eene gekende in liefde, als eene, die Hij opraapte van den mesthoop des verderfs en maakte tot een parel, die zal schitteren in Zijn kroon. Hier is openbaring van Jezus' hartelijke liefde en belooning van de liefde der vrouw, in hare liefdedaad getoond.

Evenals bij Maria van Bethanië luistert zij zonder zich te verdedigen. Dat behoeft ook niet, daar zorgt Jezus wel voor wanneer wij aan Zijn voeten verkeeren. Zij mag luisteren nu, nadat zij zooeven Zijn voeten natmaakte.

Zoo vraagt nu Jezus, gekeerd met Zijn gelaat naar de vrouw, aan Simon: Simon, ziet ge deze vrouw? Hoewel die vrouw voor Simon eigenlijk te slecht was om naar te zien, had hij haar toch wel waargenomen en moest hij nu wel zijn blik op haar richten. Met nadruk wees de Heere op haar! Was dan die vrouw zoo beteekenisvol voor Hem? Zeer zeker, zij was een toonbeeld Zijner ontferming. In die vrouw heeft Jezus Zijn reddende zondaarsliefde verheerlijkt, en het is een verkwikking voor Zijn Middelaarsziel op Zijn weg naar het kruis en graf.

Simon moet die vrouw maar eens goed aanzien in haar doen, want die slechte en door hem zoo verachte vrouw was voor hem tot beschaming en tot onderwijzing.

Ik ben in uw huis gekomen, water tot Mijne voeten hebt gij niet gegeven. Dat ware toch wel het minste geweest wat hij had moeten doen nu hij den Heere als gast bij zich genoodigd had. De Heere maakt er geen aanmerking op dat Simon zelf Hem de voeten niet gewasschen heeft, noch dat hij het geen dienaar heeft laten doen, maar dat hij zelfs geen water ter beschikking van Jezus heeft gesteld, waarin de Heere dan Zelf Zijn voeten had kunnen wasschen. Zoo zien wij de vernedering Hem aangedaan ten huize van Simon, dat Hij niet als gast wordt behandeld en tevens merken wij op, hoe Hij onzer één was. Die Zijn bestofte voeten door het wandelen op den weg moest wasschen, als een gewoon menschenkind.

Hij is ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. En dat laatste zegt ons dat Hij onze Middelaar kon zijn en is geweest, een barmhartig Hoogepriester, Die niet alleen de zonde verzoent maar ook in alles medelijden kan hebben met onze zwakheden. Een echt mensch in alles, daarom is Zijn blik voor de vrouw zoo innemend. Maar in en achter dit menschelijke werkt Zijn godheid, zoodat wij te doen hebben met een verschijning, die we nooit kunnen doorgronden. En dat heeft de vrouw diep beseft. Simon, ziet gij deze vrouw?

De Farizeër had wel laten uitkomen, dat Jezus nu niet zijn begeerde gast was, al had hij Hem dan ook ter maaltijd genoodigd. De noodiging was geen vrucht van hoogachting en liefde maar min-nobele motieven hadden Simon er toe gebracht Jezus te vragen.

Hij wilde nu eens onderzoeken of Hij een profeet was, en we hebben gezien dat hij meent gegevens genoeg te hebben in het gedrag van Jezus jegens deze zondares, om vast te stellen dat Hij het niet is. En nu dwingt Jezus hem naar deze vrouw te kijken en laat Simon gevoelen dat hij niet alleen profeet, maar ook priester en koning is. Simon, ziet ge deze vrouw? Wat steekt uw gedrag ongunstig af tegen het hare.

Deze heeft echter Mijne voeten met hare tranen nat gemaakt en ze met hare haren afgedroogd. Zij had hare droefenis over haar verleden en hare liefde tot den Heere in hare tranen doen uitkomen en ook hare hoofdharen niet gespaard om maar den Heere hare hoogachting te toonen.

De Heere vervolgt: Een kus hebt gij Mij niet gegeven, deze echter heeft, van dat zij binnen gekomen is, niet opgehouden, Mijne voeten te kussen. Een welkomstkus was in het Oosten zeer gewoon, maar dien had de Farizeër Jezus niet gegeven, hoewel hij Hem ter maaltijd had genoodigd. Hoe geheel anders deze vrouw. Zij had des Heeren voeten gekust, en dat aldoor, telkens weer, en daarmede geopenbaard hoe haar hart vervuld was van liefde en hoogachting voor den Heere.

De Heere zegt verder: Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd. Deze echter heeft Mijne voeten met zalf gezalfd. Hier is tweeërlei tegenstelling: van olie en zalf en van hoofd en voeten. Zalf, mirrezalf, zooals de vrouw had gebruikt, is veel duurder dan olie, ook al was zij dan niet zoo duur als de zalf waarvan in Johannes 12 vers 3 gesproken wordt bij Maria. En voor zalving kwam het hoofd het eerst in aanmerking, maar dat had Simon bij den Heere nagelaten. Deze vrouw echter had hare kostbare zalf niet te goed gevonden voor de voeten des Heeren.

Op beider doen, tegenover den Heere gezien, moest des Heeren gunst meer uitgaan naar deze vrouw, dan naar den Farizeër Simon. Daarover echter spreekt de

Heere niet, dat laat Hij over aan Simon om te overwegen voor zichzelf.

Zoo wordt Simon berispt en de vrouw geprezen, zoodat zij verkwikt wordt, haar geloof gesterkt en hare hoop verlevendigd, terwijl de liefde nog sterker wordt. Want er is niets dat de liefde meer nieuw voedsel geeft en doet groeien dan de lof des Heeren, wanneer Hij ons prijst om het werk des geloofs waardoor Hij eigen werk verheerlijkt.

Lezers, kent gij deze wondere gangen des geloofs en der liefde? Want ge moet uzelf ook heden toetsen of gij in het geloof zijt, en Christus kent, in waarheid, als Zaligmaker uwer zielen. Weer zien wij Hem het hoofd gewend naar die vrouw, terwijl Hij spreekt tot Simon.

Weer laten we u achter met JezusSimon-en de vrouw om het wondere gebeuren te overpeinzen dat plaats greep ten huize van den Farizeër.

Luister nog even naar het aangrijpende woord des Heeren, waarmee Hij Simon terugwijst en die vrouw troost: Daarom zeg Ik u: Hare zonden zijn haar vergeven. die vele waren, want zij heeft veel liefgehad.

Zijt ge verlangend hierover meer te vernemen? Geduld en gebed tot de volgende maal. Weest allen Gode bevolen en den woorde Zijner genade.

Wat zal ik, met Gods gunsten overlaün, Dien trouwen Heer' voor Zijn gena vergelden? 'k Zal bij den kelk des heils Zijn naam vermelden. En roepen Hem met blijd' erkent'nis aan.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 augustus 1949

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

JEZUS, SIMON EN DE ZONDARES

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 augustus 1949

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken