Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De zingende pelgrim

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De zingende pelgrim

23 minuten leestijd

(1)

Psalm 119 vers 54. Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.

Het Schriftwoord, dat we heden samen overdenken, is genomen uit den langsten psalm. Dezelfde denkbeelden keeren gedurig terug onder andere beelden en woorden. De druiven van deze tros zijn vol van den wijn des Koninkrijks. Alie eeuwen door hebben de pelgrims, naar de Stad onzer bijeenkomsten, hem gezongen in blijde en droeve tijden. Velerlei toestanden van het geestelijke leven zijn hier op kunstige wijze bijeengebracht, want deze psalm is gerangschikt naar de letters van het Hebreeuwsche a.b.c. De namen van die letters kunt ge vinden in volgorde bij de opschriften van elke acht verzen in dezen psalm.

Deze wijze van dichten heeft voordeelen; zij komt het geheugen bijzonder tegemoet en prent, door herhaling, de levenslessen diep in het geheugen en het hart dergenen, die namelijk op deze school ijverig opmerken en leerzaam zijn, - door de onderwijzing des Heiligen Geestes.

Het onderwerp in dezen psalm is het woord des Heeren, Zijn inzettingen en rechten, en het leven daarbij en daarin uit de gunst des Heeren. Want hier is geen sprake van wettische dienstbaarheid, maar van leven des geloofs en dat rust nooit in de werken, • dat wringt zich niet in bochten om zich ruimte te maken. Leven des geloofs toch vond een rustpunt in den Heere en treft de wet Gods aan in de ark, onder het verzoendeksel. In dezen psalm nu komen voor godvruchtige gebeden, lofverheffingen, aanspraak en gesprek met den Heere. Deze psalm wordt naar zijn vorm wel genoemd het a.b.c. der godzaligheid.

Het verband is vrij los; het is een kist met gouden ringen, maar geen keeten. Elke acht verzen met dezelfde letter aanvangend, in volgorde van het Hebreeuwsche a.b.c. vertoonen iets bijzonders, dragen een eigen stempel.

Zoo vormen de acht verzen waartoe onze text behoort (de letter Zain) een afdeeling over de vertroostingen van het Woord Gods. Zij begint met de groote vertroosting dat de Heere een waarmaker is van Zijn woord. Gedenk des woords, tot Uwen knecht gesproken, op hetwelk

Gij mij hebt doen hopen (vs 49). De dichter vreest niet dat het geheugen des Heeren zal falen maar houdt zich vast aan Zijne toezegging. Het is een gebed der liefde dat eraan herinnert wat is toegezegd om niet vergeten te worden. Heere, gedenk aan Uw woord, dat is mijn leven, maar ook Uw eer.

Dit gebed is vol ootmoed, de bidder is zich bewust van eigen nietigheid, want: wie ben ik en wat is mijn huis? Een gebed vol boetvaardigheid: dit is mijn troost in mijne ellende, want Uwe toezegging heeft mij levend gemaakt.

De dichter zegt niet: gedenk mijn dienst voor U, maar gedenk aan Uw woord, dat Gij tot mij, uw onwaardige dienstknecht, hebt gericht. Zoo gebruikt hij de belofte als pleitgrond, die een levenwekkende kracht heeft; onze heele mensch wordt vervroolijkt en gesterkt, moeilijkheden, die wij niet te boven kunnen komen, die ons vernielen, worden kleinigheden als wij er boven uit komen door de levendmakende kracht van woord en belofte Gods. De dichter had het niet gemakkelijk gehad. Integendeel, de hoovaardigen hadden hem bespot. Die menschen moeten wel vreemdsoortige oogen hebben dat zij iets belachelijks zien in geloof en iets vermakelijks, iets lachwekkends, in heiligheid. Gaarne stellen deze lieden een fijne in een bespottelijk daglicht, maar het kan geen kwaad doen wanneer slechts ons oog gericht blijft op den Heere, onzen God. Het ligt toch in de natuur van den zoon der slavin om het kind der belofte te bespotten. Straks wordt hij weggejaagd en het kind der belofte ontvangt de erfenis. De spotters hebben hun doel gemist, want zegt de dichter: nochtans heb ik Uwe wet niet vergeten.

En dan gedenkt hij aan Gods oordeelen van ouds af, dat het toch geen voorrecht kan zijn tot de lachers te behoren, want ik heb gedacht, o Heere, aan uwe oordeelen van ouds af en heb mij getroost. Groote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddeloozen, die Uwe wet verlaten.

Met afkeer en smart ziet hij aan hoe de Heere wordt beleedigd en onteerd, en hij troost zich niet alleen, maar is ook vol beroering want wie is hijzelf? En dan volgt vers 54 waar we nu nader bij gaan stilstaan.

„Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen."

Zoo gaat de dichter ons onderwijzen over zijn leven, zijn pelgrimsleven, op weg naar Jeruzalem, de stad onzer bijeenkomsten. Hij heeft het niet gemakkelijk in de wereld, want hij gevoelt zich hier vreemd, en gelijk hij der wereld gekruisigd is, is ook deze hem gekruisigd. Ze kunnen onmogelijk met elkaar opschieten, ze kunnen elkaar zelfs niet verdragen. Hun levensopvattingen en hetgeen hun leven uitmaakt ligt zoo ver uit elkaar dat zelfs van een compromis geen sprake kan zijn. De tegenstellingen zijn daarvoor veel te diep en allerminst op ondergeschikte punten.

Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen. Daarin legt de dichter een waarheid neer, die tot op den huidigen dag het leven van Gods ware kinderen typeert. Hij ziet rond, temidden van zijn omgeving, denkt terug aan zijn verleden, zoolang hij den Heere kent als zijn bondsgod, en dan kan hij niet anders zeggen dan dat hij hier vreemdeling is, gelijk alle zijne vaders. Maar toch is hij niet ongelukkig. want hij heeft den Heere tot zijn deel en op weg naar Zion kan hij nog nog zingen ook; is hij recht verheugd in zijn ziel. Als hij rondom ziet dan bidt hij: redt mij van degenen, welker deel is in dit leven; merkt hij op de vele en groote gevaren, die hem omringen dan vraagt hij: bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen.

In vers 55 laat hij volgen: zelfs des nachts ben ik Uwen naam gedachtig geweest. Het is waar, zijn zon scheen niet altijd, maar zelfs in den nacht gedacht hij aan den God zijns levens. Hij beoefende

de toezegging des Heeren: die Uwen naam kennen zullen op U vertrouwen. Onze text handelt over een pelgrim, een vreemdeling hier beneden, die zingt en zijn gezangboek altijd bij zich heeft.

Een vreemdeling, want hij spreekt van zijn verkeer: ter plaatse mijner vreemdelingschappen. Nu, daarin staat de dichter niet alleen, maar heeft gezelschap in allen, die den Heere ootmoedig vreezen en wandelen naar Zijn goddelijk bevel; gelooven in Hem, Die zeide: gijlieden zijt niet van de wereld, gelijk Ik van de wereld niet ben. En wij gedenken ook aan dat andere woord: in de wereld zult gij verdrukking hebben, doch hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.

Ook in het 19de vers zegt hij: Ik ben een vreemdeling op de aarde: verberg U-we geboden voor mij niet.

Een kostelijke belijdenis, in de vreeze des Heeren, een pleitgrond voor het gebed dat hij opzond: ontdek mijne oogen dat ik aanschouwe de wonderen uwer wet.

Hij was een vreemdeling voor de wereld, maar geen vreemdeling voor God; een balling, zoolang hij buiten den hemel vertoefde. Wat zal hij beginnen zonder des Heeren geboden, want die wijzen hem den weg naar het land, waarheen hij op weg is. Gods geboden waren zijne vertroosting in zijne ballingschap. Zij herinnerden hem aan het Vaderland en wezen daarheen den weg; daarom bad hij dat ze nooit voor hem verborgen mochten zijn, door zijn onbekwaamheid om ze te verstaan en te gehoorzamen. Want als het geestelijk licht wordt onthouden dan is het gebod verborgen en wat zouden open oogen baten als er geen voorwerp is om te aanschouwen? Gods geboden, Zijn Woord en getuigenissen. Dan zouden we zijn als een zeeman zonder kompas op de groote wateren, of een woestijnreiziger zonder gids.

En nu hier, in onzen text, heeft hij niet alleen Gods geboden om naar te leven, maar in zijn vreemdelingschappen heeft hij der Heeren inzettingen tot zijn gezangen. Een pelgrim hier beneden is hij. David loofde den Heere en beleed: ant wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk alle onze vaders: nze dagen op aarde zijn als eene schaduw en daar is geen verwachting (I Kronieken 29 : 15).

En in psalm 39 hoort ge den koninklijken zanger getuigen: Hoor, Heere, mijn gebed en neem mijn geroep ter oore: zwijg niet tot mijne tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner gelijk alle mijne vaderen.

En de apostel in Hebreën 11 doet ons hun spraak vernemen: zij hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren... maar nu zijn zij begeerig naar een beter, dat is naar het hemelsche. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun eene stad bereid.

Pelgrims... dat zijn menschen, die van het eene land reizen naar het andere. Leren is reizen sterven is het slot van de reis naar de eeuwigheid.

Zoo zeggen de menschen, in sommige streken van ons land, als een mensch gaat sterven: hij gaat reizen! Ja, de groote reis die toch maar zoo kort duurt, van den tijd in de eeuwigheid. Wij reizen... waarheen gaat gij en vanwaar komt gij?

Wij reizen en doen vaak als een dwaas, die zich vastklemt aan de mast van het schip en nu meent dat hij niet vaart! Maar het eene geslacht gaat en het andere geslacht komt. Het is een gestadig wisselen der geslachten en men kent en vindt hun standplaats zelfs niet meer, als de wind daarover is gegaan. De menschheid trekt in nooit afgebroken heirtocht over de schouwplaats dezer wereld heen. En die heirtocht gaat door het gebied des doods, daarom treffen we overal doodenakkers aan; daar liggen de vele millioenen begraven, die het einde van den tocht bereikten, vaak geheel onverwacht; de reis werd plotseling afgebroken.

Er leeft in de menschheid een zeker heimwee naar het leven, want al lachen de menschen, of al slaat hun lachen door in spot, daarmee is dat heimwee naar het leven niet weggenomen... de innerlijke vermoeidheid... altijd verder en... het einde de dood.

En achter dien dood zoekt en zocht de menschheid iets, verwacht...; en projecteerde er eigen wenschen of vrees, dan wel ontleende zijn voorstellingen aan openbaring der godheid, of wel de openbaring Gods in de Schrift. Maar met dat al heeft de mensch geen thuis, geen rust, geen vrede, hij moge zich wijs maken wat hij wil, hij heeft geen innerlijk evenwicht des levens, want... hij is zonder God en zonder Vaderland, ook al en juist daarom, omdat hij het zoekt waar het nooit kan worden gevonden.

Hoe kan die menschheid nog leven, vraagt ge, als het zoo is gesteld? Dat kan zij nog omdat God zich niet onbetuigd laat aan een iegelijk van ons.

Wat dan, wat dan toch? Kan ik dan niet tot rust komen, in evenwicht zijn, weer God in mijn leven ontmoeten, zoo dat ik mag zeggen: deze God is mijn God! Ja, dat kan, Gode zij dank, dat kan; en niet alleen dat kan, maar ook dat gebeurt. De dichter hier in onzen text spreekt er van. Hij is vreemdeling, hij spreekt van de plaats zijner vreemdelingschappen. Hij is van boven geboren, want in deze wereld heeft God zich een volk geformeerd, dat Zijnen lof vertellen zal. Hij is vreemdeling geworden hier op aarde, doordat het middelpunt van zijn leven is verlegd naar den hemel.

Hij is hier niet meer thuis, ook al leeft hij hier: wat ik nu leef in het vleesch, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft overgegeven. Vreemdeling hier beneden, onderscheiden van de wereld en toch mede betrokken in den nood der wereld, want hij verkeert in een omgeving waar hij wel werelddienst ziet en er van hoort, waar wel de zonde wordt bemind en de vorst der duisternis gediend, maar hij ontmoet er niet één, die vrede in de wereld vindt, niet één, die innerlijk in rust is, waar harmonie des levens is. En... die onrust, die onevenwichtigheid kende hij zelf óók, zoodat hij als vreemdeling toch is van de men-niet volkomen vervreemd schen rondom zich.

Hij kan hen benaderen, medelijden met hen hebben, hen aanspreken, want hij weet waar het geluk ligt niet alleen, maar hij heeft het gegrepen door den Heere zelf, ook al heeft hij nog niet waartoe hij door Christus Jezus gegrepen is.

Hij heeft èn hij heeft-nog-niet, hij is gelukkig en weet toch van tekort en ongeluk, want hij is vreemdeling... en vol geluk houdt ook in geen vreemdeling meer zijn op aarde, wonen op eene nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal, ja, die haar bedekken zal gelijk de wateren den bodem der zee.

Nu gevoelt gij, mijn lezer, wat dat woord vreemdeling inhoudt, niet alleen dat ons leven met Christus verborgen is in God, maar óók dat wij uitzien en verlangen naar onze eeuwige toekomst. Het heimwee dat vaak onze zielen doortrekt omsluit meer dan verlangen om bij Christus te zijn in den hemel. Het omvat ons gansche zijn, wij smachten naar de harmonie van hemel en aarde, naar uitbanning der zonde uit de schepping, naar tenietdoening des doods. Wij zijn vreemdelingen op aarde.

Maar laat ik eerst even letten op dien man, vrouw, jongen, meisje, dat zoo somber kijkt, en een nergens-thuis zou kunnen heeten. Nergens-thuis! Vreemdeling hier, ja, maar óók hierboven. De wereld bevredigt niet, en... God heeft zij niet.

Vreemdelingschap... ja, maar toch ook weer neen, want vreemdelingschappen houdt in, dat wij den Heere tot ons deel hebben en reizen naar het Vaderland.

Kijk, ze hebben nog een zwaar pak op den rug en als de zon schijnt, of hun weg door den modder voert, gutst het zweet van hun aangezicht. En toch... op reis! Zooals christen... ? Kom, ga met ons en doe als wij... wij reizen naar een goed en ruim land dat de Heere ons geven zal, ga met ons en wij zullen u gewisselijk weldoen.

Zoo sprak Mozes tot zijn zwager Hobab.

Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen.

En wij gedenken Hem, Die de heerlijkheid had bij den Vader eer de wereld was; maar de aarde was onherbergzaam, daar was de zonde en de afval van God. Doch Hij verliet den hemel, en kwam in onze natuur op aarde. Temidden van de pestwalm der zonde moest hij verkeeren, doch Hij heeft haar verzoend... en nu opende Hij den weg naar den hemel, bereidde tevens voor dat de aarde weer zonder zonde zal bewoond worden, daarom gaat hare huidige gedaante voorbij.

Een vreemdeling, een pelgrim, door genade, door den band aan den grooten pelgrim Jezus Christus, die klaagde: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels hebben nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet waar Hij het hoofd neerlegge.

Nu is het: in het huis mijns Vaders zijn vele woningen, anders zoo zou ik het u

gezegd hebben. Ik ga heen om u plaats te bereiden. Zoo zetten we ook dit textwoord in het licht der vervulling, om Hem naar voren te brengen, die ons burgers maakt van het Rijk der hemelen, ja, tot huisgenooten Gods verheft. Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen, noch bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods.

De dichter spreekt dus van vreemdelingschappen, omdat hij behoort tot een ander land. Ik ben een vreemdeling op aarde, gelijk alle mijne vaders. Ja, zegt er een, helaas dat ik nog zoo weinig vreemdeling ben vaak, en mij nog zoo goed thuis voel hier; niet in de tegenstellingen leef zooals betaamde. Van die kwaal hebben allen last, zou ik denken, doch evenwel vreemdeling hier beneden.

Wij reizen door de wereld als een vreemd land... ter plaatse mijner vreemdelingschappen, zoo zegt de dichter. Waar hij ook was, welke de toestanden ook waren. waarin hij verkeerde, hij beleefde altijd op een of andere manier dat hij vreemdeling, pelgrim was. Wij bedoelen dit, soms ervaren wij bijzonder hoe alles vermoeit en vermoeid wordt in deze schepping, omdat de vloek er op ligt. Dan weer ervaren wij de vijandschap der wereld. Soms ook de zwakheden van ons lichaam en de dofheid van onzen geest. Kortom, er is altijd genoeg, als wij open oogen en harten hebben, om onze vreemdelingschap te beleven door de tegenstellingen waarin wij verkeeren.

Hier is het land der ruste niet, al smaken wij rust en vrede in onzen dierbaren Borg en Zaligmaker. Maar... nu zijn het juist degenen, die daarin leven, die beleven dat Jezus is aan de rechterhand des Vaders, zoodat wij alléén rust en vrede kennen door het geloof, en door datzelfde geloof beleven dat ons hart in den hemel is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods. Dat geeft aan het leven van den waren pelgrim iets tegenstrijdigs als het ware. Hij heeft wat hij toch ook nog niet heeft; hij wordt gerekend wat hij niet is in zichzelf. Een kind van God is een wonder van den hemel, van genade; een schepsel, dat niet te begrijpen is, en die zichzelf niet verklaren kan. Wij wandelen door geloöf en niet door aanschouwen.

Ter plaatse mijner vreemdelingschappen... ter plaatse...

Daar valt onder de hut in de hei, en de groote pastorie, de tafel waaraan wij eten en het bed waarop wij slapen, de grond waarop wij staan, en de trein waarin wij rijden. Ik wenschte wel dat ik op het oogenblik precies kon zeggen wat ik bedoel en gevoel. Wij zijn doortrekkers naar de heerlijkheid. En dan zóó dat wij tevens lol houden en vasthouden: reken erop, wij komen hier terug. De zachtmoedigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Ik trek wel door dit land als vreemdeling en toch is het land mij niet vreemd, want ik zal het zeker erven.

Fn... ik ben toch als vreemdeling waar ik ga of sta altijd op Vaders grond Maak daar nu maar eens een redelijk sluitend verslag van! gij denkers in ons midden. Hoor den Heere Jezus spreken, dan leeft ons pelgrimshart op telkens weer: Vader. Ik wil dat diegenen, die Gij Mij gegeven hebt. bij Mij zijn waar Ik ben, opdat zij Mijne heerlijkheid aanschouwen.

Onze bezittingen liggen aan de overzijde der rivier en toch ook, het land waar Abraham op lag te slapen zou hij in zijn zaad erfelijk bezitten. Vreemdelingen, pelgrims, van wie gezegd moet worden: als niets hebbende en nochtans alles bezittende. Ge kent wel het gezegde: alléén een bedelaar weet hoe rijk hij wel is; ik zou hier willen zeggen: geen bedelaar weet hoe rijk hij wel is, namelijk deze bedelaars-vreemdelingen.

Ter plaatse mijner vreemdelingschappen...

Op elke plaats beleeft hij zijn vreemdelingschap weer anders, opdat zijn vreemdelingschappen hem te beter zijn vreemdelingschap zullen leeren.

Ik ben een vreemdeling op aarde, gelijk alle mijne vaders.

Vreemdelingschap en toch ook weer eigen, waar hij ook is, want onze God is de God des ganschen aardbodems. Kan ons Zijne majesteit doen opmerken in de werken Zijner handen, ons vermaak schenken in de vogels, die hun lied zingen. Want al zijn we dan vreemdelingen en doortrekkers naar de heerlijkheid, het land dat wij doortrekken is toch 't onze, want zegt Paulus: alles is uwe, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, doch gij zijt van Christus en Christus is Gods. Komaan, ik moet eerst weer even met dien zuchter spreken, die klaarlijk toont, een vaderland te zoeken en toch geen bewijs van burgerschap in den hemel heeft!

Je bent een lastige hoewel gewaardeerde metgezel op weg naar Jeruzalem.

Vandaag is het alles en morgen niets, omdat ge nog niet leeft uit de volheid van de zekerheden Gods. Ja, als de Koning afdaalt, liefde indaalt, dan... maar als de hemel betrokken is en de mist hangt over het veld uwer ziel, dan...

Ge weet beter dat ge hier niet terecht kunt, dan dat het boven alles recht is.

Maar, daar zie ik mijn buurman weer, als je niet mee kunt, kom dan maar wat achteraan, ik wilde gaarne broeder Vertrouwen inhalen; daarginds gaat hij! Zoo, dat is gelukt! Waarom keek je niet eens achterom, broeder, dan had ik niet zoo hard behoeven te loopen om je in te halen, dan had je wel even op mij kunnen wachten!

En hij zei: broeder, wie omziet naar hetgeen achter is, is niet bekwaam tot het Koninkrijk Gods, het is beter dat gij er de pas wat inzet dan dat ik stil sta. Nu zijt gij met mijn voortgaan gebaat en hebt in versneld tempo een stuk van den weg afgelegd. Maar waarom hebt ge haast, broeder? Wel, dat zal ik u zeggen, een pelgrim, die zijn vreemdelingschappen beleeft, wil opschieten, niet alleen met het oog op de thuiskomst maar óók om zooveel mogelijk van het land te zien dat wij eenmaal zullen erven. Toen Israël door het land van Sihon, den koning van Hesbon, wilde trekken, zei Mozes: Laat mij door uw land doortrekken, ik zal alleenlijk langs den weg voorttrekken, ik zal noch ter rechter-noch ter linkerhand uitwijken.

Mozes hield van voorttrekken, dat moest hij zelfs bevelen toen zijn volk stond vóór de Roode Zee en Farao achter zich met wagenen en ruiters, terwijl de rotsen hen aan weerskanten insloten. Den dood aan alle kanten, maar de Heere zeide: zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken.

Wel broeder Vertrouwen, ge zijt dus van overtuiging dat we zelfs als we de zee vóór ons hebben dit geen oorzaak moet zijn om stil te staan? Inderdaad, zoo is het, broeder, want ge weet toch wel: zijn goedheid is in nood en dood voor ons Zijn volk oneindig groot, Zijn waarheid wankelt nimmermeer; zingt, Halleluja, zingt Zijn eer.

Maar als dan, zooals in het geval van Sihon den koning van Hesbon, geen doortocht wordt verleend, wat dan? Ja, dan vechten, want we moeten verder! En als ge dan den strijd eens verliest? Voorzichtigheid is toch maar aan te bevelen! Kom, waar is uw vertrouwen? : ik zal door 's vijands zwaard niet sterven, maar leven en de werken des Heeren vertellen! Zij hadden mij omringd als bijen, doch zijn als een doornenvuur vergaan. Hij leerde toch onze vingeren ten oorlog, en wij hebben een zwaard, het zwaard des Geestes, waar dat van Goliath een kindersabeltje bij is, al was hij dan een reus. Als de lieden van Hesbon willen vechten dan zullen ze het weten, wat ze gewild hebben. Hoe zullen wij in heiligheid door het vreemde land trekken? Alléén door te wandelen in des Heeren wegen, in gemeenschap met Christus, onzen Heere, die beloofde: vrees niet: Ik ben uw schild, uw loon is zeer groot. Het is waar, somtijds zijn de pelgrims vermoeid van de reis, bevangen door heimwee naar de bergen der specerijen. Soms is de oude mensch oproerig, dan weer gluiperig en vroom. Den eenen tijd doet zich de duivel voor als een brieschende leeuw, den anderen als een engel des lichts.

Doortrekkers naar de heerlijkheid; in zijn Vaderland woont hij, is hij thuis, nü op reis. Wanneer we thuis zijn, is er geen haast meer, o eeuwigheid van heerlijkheid, gij maakt de zee van onze smart tot een druppel!

Het is waar, vreemdelingen worden als vreemdelingen behandeld. Ze zijn kenbaar aan taal. kleeding, gebruiken. Het is geen wonder dat de wereld deze pelgrims zeer vreemd vindt. Ze vinden zichzelf vaak zonderling, zoodat ze meermalen zeggen: hoe ben ik dus. Nu denk ik op eenmaal aan een broeder, dien ik een tijd geleden ontmoette en die sprak, over zijn ontmoetingen op de gezelschappen. Hij hoorde daar van: hoe ben ik zoo en hoe ben ik dus...l Hij hoorde dat aan en zei op eenmaal: al die dus-jes en die zoo-tjes (hij maakt er „zootjes" van) daar gaat het niet om, maar om Christus. Inderdaad, daar gaat het om, en dan krijgt die vraag: hoe ben ik dus, een gansch andere inhoud en strekking. Dan gaat het niet om onze

wigelende gevoelens, onze bevindinkjes. maar dan gaat het om het slingeren van het schip in den machtigen orkaan, met 's Vaders Zoon aan boord! Geslingerd en toch gerust, in nood der baren en toch veilig, want het leven van den pelgrim is geen spelevaren.

Maar we spraken over die pelgrims dat het zulke vreemde lieden zijn, in kleeding, gewoonten en taal. Als ik spreek over hun kleeding heb ik volstrekt niet het oog op een zwarte jurk of pet; weineen. ze gaan fatsoenlijk, eerbaar en netjes gekleed, zooals hun stand meebrengt in dit leven. Neen, dan denk ik aan heel wat anders als ik spreek over hun kleeding. Zij dragen een kleed, dat geweven is op Golgotha, het kleed van Christus' gerechtigheid.

Zij zijn zondaar èn rechtvaardige tegelijk. Dat kan de wereld maar niet vatten, dat ze zeggen alle zonde te haten; eraan te zijn gestorven en toch "zondaar te blijven! Geen gerechtigheid te hebben en toch deze te bezitten, namelijk die van Christus, door het geloof. Uit genade zijt gij zalig geworden, niet uit u, het is Gods gave. Ja, ik moet nu toch even omkijken waar die vriend blijft. Als ik goed zie, dan komt hij heel in de verte aan! Hier, neem mijn verrekijker dan kunt ge hem wat dichterbij brengen! Ja, hij is het, maar... zijn kleed, het lijkt mij dat hij wat lompen aan heeft. Daar hebt ge het nu, waarom hij zoo achter blijft. Daar zie ik er nog een aankomen, het lijkt wel een wandelend lijk; hij leeft, want hij beweegt, maar zijn kleeren, het is net een lijkgewaad. Wel, dat is dan net als met Lazarus, die ontbonden moest worden. En ge weet wel wat de Heere heeft gezegd tot de discipelen: ontbind hem en laat hem gaan. Ik zal uwe gebondenen, o Sion, uitlaten uit den kuil waarin geen water is. Ja, die verrekijker des geloofs is toch wel nuttig om het veld af te zoeken, en... tegemoet te komen degenen, die achter blijven zonder zelf opgehouden te worden.

En wat hun taal aangaat, ze spreken de tale Kanaans, terwijl ze in gewoon Hollandsch zich uitdrukken, zonder een soort geheimtaal te formeeren. Weineen, daar zit het spreken van de tale Kanaans juist niet in, zooals sommigen schijnen te meenen, maar hierin dat wij God den Heere kennen als het hoogste onzer blijdschap, roemen in Zijne deugden, spreken van hetgeen Hij heeft gedaan, doet en doen zal. De tale Kanaans is de taal des geloofs, de sprake der liefde en het getuigenis der hope.

Daaraan kunt ge de echte vreemdelingen kennen. De wereld vindt hen vreemde menschen, ook al spreken zij gewone taal, maar... over de werken Gods. Als niets-hebbende, nochtans alles bezittende. Rijk in God den Heere door de schatten van den Man van smarten.

vreemdelingschap-Ter plaatse onzer pen...

Maar het wordt tijd dat wij gaan spreken over het tweede punt van onzen text. Rare menschen, vreemdelingen en toch zingende pelgrims!

Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen.

Zoo de Heere wil de volgende week over den zingenden pelgrim en zijn gezangboek. Begin er alvast mee, en help ons zoo aan den troon der genade, dat wij er zingende van schrijven, en weet dat de zegenende ziel zal vet gemaakt worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 1 October 1949

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De zingende pelgrim

Bekijk de hele uitgave van Saturday 1 October 1949

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken