Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Lam Gods in de heerlijkheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Lam Gods in de heerlijkheid

25 minuten leestijd

Openbaringen 5 vers 6—10: En ik zag en ziel in het midden van den troon en van de vier dieren, enin het midden van de ouderlingen. een Lam. staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven oogen; dewelke zijn de zeven Geesten Gods. die uitgezonden zijn in alle landen;

Des-En het kwam. en heeft het boek genomen uit de rechterhand genen die op den troon zat.

En als het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden der heiligen;

En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig het boek te nemen, en zijne zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie;

En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren; wij zullen als koningen heerschen op de aarde.

(2)

Het Lam in de heerlijkheid! Johannes zag Hem staan; staande als geslacht, daar in het midden van den troon en de vier dieren, en temidden van de 24 ouderlingen. Lees den text nog maar eens na, om u de plaats van het Lam goed te kunnen indenken, moge het zijn bij het licht des Geestes Hem daar te zien, om opgewekt te worden tot een halleluja, temidden van de geweldige wereldcrisis, waarin wij leven. Onze verheerlijkte Koning regeert, Hij is waardig dat boek te nemen en zijne zeven zegelen te openen...

Uw aandacht, de aandacht uwer ziel, is toch gespannen in het aanschouwen van het Lam, dat daar staat als geslacht in het midden van troon en troonen!

Johannes speurt en wat ziet hij daar? In welke gestalte ziet hij het Lam? ...hebbende zeven hoornen en zeven oogen. dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.

Een wonderlijk gezicht, een lam met zeven hoornen. Niet met een gewij zooals het hert met vertakkingen, neen, maar zeven hoornen naast elkander. Dat was wel een zeer ongewoon gezicht voor den apostel, en toch hij begreep zeer wel de bedoeling van deze zinnebeeldige vertolking van de koningsmacht onzes Heeren.

En dan een lam met zeven oogen, al even wonderlijk en ongewoon. Uit dit alles blijkt ons tevens dat wij te doen hebben met visionaire openbaringen, die wel de werkelijkheid in beeld brengen in vormen aan onze aardsche verhoudingen ontleend, maar toch de werkelijkheid zelf nog niet zijn. Deze openbaring is dus tevens nog een zekere verberging van de werkelijkheid. Daarom schreef dezelfde apostel: kinderkens, het is nog niet geopenbaard (in de werkelijkheid getreden) wat wij zijn zullen, maar als Hij geopenbaard zal worden, die ons leven is, zullen wij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

We krijgen hier hemelsch onderwijs in beelden en prenten voor kinderen geschikt, die nog niet veel kunnen begrijpen en verwerken. We zitten nog maar in de kleuterklas, en daar werken de leeraressen veel met prentjes en boekjes, en karton om een doosje te maken, enz. Meer kunnen we nog niet verwerken, met onze bekrompen verëtanden in de aanschouwing des geloofs.

Wanneer we geleerd meenen te zijn en over diepe dingen kunnen praten naar hemelschen trant, dan zijn we reeds opgeblazen en zouden de hemellingen ons uitlachen om onze domme praat. De hooge dingen worden ons nabij gebracht in afdalende genade Gods tot ons, onwetende, bekrompen menschjes, gedachtig zijnde dat wij stof zijn, wetende wat maaksel wij zijn.

Zoo is het nu ook eigenlijk hier het geval. Johannes, zijnde in den geest, krijgt hemelsch onderwijs, maar... de Heere is zoo goed het hem te geven in vormen, die zijn bewustzijn kon omvangen en in eene mate berekend op de draagkracht van zijn geest. Dan is het toch nóg om te bezwijken en in de war te raken, vanwege het aangrijpenle, overweldigende van de gezichten Gods.

Ge moet dus, lezers, altijd in acht nemen dat we hier met beelden te doen hebben, waarachter eene werkelijkheid staat, die ons begrip in deze bedeeling ver te boven gaat; èn dat toch óók in deze beelden de werkelijkheid aanwezig is, omdat het openbaringsmiddel is van de werkelijkheid. die was en is en zijn zal.

Doch laten we nu trachten iets te verstaan van dat Lam, hebbende zeven hoornen en zeven oogen...

Voor Johannes, onderwezen in de Schriften, was dit beeld wel doorzichtig, en bovendien kwam er de woordopenbaring bij, zoodat hem werd toegelicht wat hij zag en wat dit moest beteekenen.

De hoorn is in de Schrift zinnebeeld van kracht ter overwinning; beeld van sterkte om den vijand neer te stooten en den gunsteling te beschermen.

Laten we de hoofdzaken hier weergeven van het Schriftgebruik. Het'is begrijpelijk dat in het Woord vaak sprake is van hoornen, omdat het Israëlietische volk runderen en schapen hield. Of de hoornén, die als muziekinstrument en als oliehoorn dienst deden, van metaal waren, dan wel horens van dieren, is niet altijd te zeggen. In elk geval hadden ze den vorm van hoornen van beesten. In Numeri 10 wordt gesproken van zilveren trompetten. We weten dat aan beide altaren (brand-en reukaltaar) vier hoornen moesten gemaakt worden. Deze waren niet tot versiering, maar daaraan moest het offerbloed worden gestreken (Ex. 29 : 12; Lev. 4:7, 25, enz.). Zij beeldden dus uit de kracht van het genadeverbond in de verzoening. En zoo zijn deze hoornen symbool, zinnebeeld van de zaligheid in den beloofden Messias. Zoo kan Christus heeten de hoorn der zaligheid (Luc. 1 : 69; vgl. ook Ez. 29 : 21).

Wie onopzettelijk een doodslag had begaan mocht vluchten naar het altaar en de hoornen grijpen tot behoudenis (1 Kon. 1 : 50; 2 : 28).

Ontwijding van de hoornen van het altaar beteekende ontwijding van het altaar zelf, zooals we lezen bij Amos: k zal ten dage als Ik bezoeking doen zal over Israëls overtredingen, ook bezoeking doen over de altaren van Bethel; en de hoornen des altars zullen worden afgehouwen en ter aarde vallen... (3 : 14).

Als de hoornen zijn afgehouwen is het altaar verwoest (vgl. ook Jer. 17:1).

Daar verder het rund zijn kracht in zijn hoornen heeft geconcentreerd, is de hoorn het beeld van macht, hulp. overwinning, heerlijkheid. Van Jozef lezen we in den zegen van Mozes over hem: ij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijne hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken tezamen stooten tot aan de einden des lands (Deut. 33 : 17a).

Den hoorn verhoogen wil zeggen: e overwinning geven (1 Sam. 2:1, enz.).

Den hoorn afsnijden is verslaan (Jer. 48 : 25).

Ook in de profetieën, die handelen over den eindtijd en het einde van deze bedeeling is dikwijls sprake van hoornen, als zinnebeeld van macht en kracht, met name van de macht, die zich tegen God stelt. Denk maar aan de profetieën van Zacharia (1:8) en van Daniël (hfdst. 7 en 8 en Openb. 13).

Maar zie nu het Lam staande als geslacht; Hij heeft koninklijke macht! Zeven hoornen is het getal der volheid. Hij is een en al kracht en macht, om neer te stooten alles en een iegelijk, die zich tegen Hem verheft.

Met dat neerstooten is Hij aldoor bezig in het gericht dat zich voltrekt in de geschiedenis der volkeren, verbonden met de beroeringen in den schoot der aarde. Onze verheerlijkte Koning werkt overal en altijd. Geen macht kan Hem wederstaan. Hij zal voor eeuwig regeeren, Zijn naam zal zijn van geslacht tot geslacht. Hij is het, die regeert met alvermogen en Hij geraakt niet in verwarring als voor ons de wereld een chaos wordt meer en meer. Hij ziet lijnen van gericht en genade. Waar wij slechts verwarde draden zien hier en daar, zooals aan den achterkant van het borduurwerk, ziet Hij het patroon, het gemaakt bestek zich allengskens verwezenlijken, door neerstooten en oprichten. Hij trekt den gouden draad der genade dwars door alle gerichtsdraden heen en die draden der genade komen straks los van de gerichtsdraden en vormen... het borduurwerk van Zijn alvermogen; het komende Rijk wordt vol èn vrij.

Zouden wij ons hierover niet verheugen en blijde zijn in den roem van onzen Vorst en Zaligmaker! We verkeeren niet in een overwinningsroes zooals op Dollen Dinsdag, maar zijn nuchteren en waken als, die hunnen Heere verwachten, evenwel verheugd in het succes van het Rijk, het Koninkrijk aller eeuwen, dat als de steen uit Daniëls gezicht alle koninkrijken der aarde vermaalt en vergruist.

Kom, zien we zoo het zinnebeeld der zeven hoornen, waarvan het Lam was voorzien. Iets van die overwinningsvreugde van Christus was alle eeuwen door in het leven des geloofs te speuren. Door U zullen wij onze wederpartij der s met hoornen stooten, zingt de dichter van psalm 44. Asaph vermaant: verhoogt uwen hoorn niet omhoog, spreek niet met stijven hals. Paulus roemt: ik weet dat ik in geen ding beschaamd zal worden; omdat wij in Hem meer dan overwinnaars zijn. in Hem, die ons heeft lief gehad. Kom, lezers, gaat ge mee, wanneer we het Lam prijzen en belijden: ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft.

De verdrijving der Kanaanieten was het werk des Heeren, door den Messias. Gij hebt de heidenen met uwe hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant — Uwe rechterhand en Uw arm en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt (Ps. 44 : 3).

Ziet, een volk, onderwezen zooals Israël om God te zien in de geschiedenis, zoo wondervol als de hunne, bezat altijd een uitnem enden pleitgrond bij God om hulp te verkrijgen in nood, daar Hij, die nooit verandert, in iedere daad van genade het onderpand geeft voor genade in de toekomst. Hoe schoon is de genade als zij naast de gerechtigheid staat. God zond vele plagen en stootte hen met het zwaard, die Israël gram waren, doch bewaarde Zijne goedertierenheid voor de verkoren stammen. Schitterend straalt de ster der genade temidden van den nacht des toorns. De ^heLis zoo diep als de Tiemel hoog is en de vlammen van Tophet zijn even eeuwigdurend als de hemelsche heerlijkheid. me > 4

Neen, de iferaëlietische krijgers waren niet werkeloos-, maar de overwinning was des Heeren.'üKatiaan werd niet veroverd zonder Israëls^4egerscharen, maar evenmin door hur$£Jcrijgsheiren. Ziet, als het Lam dan zeven hoornen heeft, wat zou ons dan deeren? Ziet, wat zijn de ijzeren wagens van de kinderen Enaks en hun reuzengestalten? Zij waren als niets voor des Heeren kracht. Zij zijn ons brood, zei de verspieder Jozua, hunne schaduw is van hen geweken; vreest hen niet, maar zie het heil des Heeren! God mijner vaderen, van ouds, Gij zijt mijn God en Koning, en mijn oppermachtige Heere. Gebied de verlossingen Jacobs. Hij is het, die krachtens Zijn ambt hun strijd voert.

Zoo wordtxtte roemtaal des geloofs geboren: oor ll^ zullen wij onze wederpartijders met hoérnen stooten... De strijd heeft plaats vaÉri zeer nabij, zoodat boog en pijl niet gebruikt kunnen worden. Het wordt een §fé^ècht van man tegen man. De strijders worstelen met elkander en trachten elkander te stooten en te verscheuren. Maar in Jacobs zaad vernieuwt de Heere de> worsteling huns vaders. De Heere openbaart Zijne macht tot onze hulp. De naam des Heeren dient tot wapen, vereend met het Lam met zeven hoornen, en in Zijne gemeenschap doen de heiligen wonderen. Al zijt ge wellicht heden zwak en krachteloos als een schaap zonder hoornen, het Lam kan ons maken als de eerstgeborene zijns osses, zegt de psalm. Hij kan ons bekrachtigen om te stooten als met de hoornen des eenhoorns. De eenhoorn, een overoud, uitgestorven dier (Job 39:12—15). Die eene hoorn as lang en sterk.

En zoo wordt uit het besef van de kracht van het Lam de waarschuwing geboren: verhoogt uwen hoorn niet omhoog. Hunne hoornen zullen verbroken worden en hunne schande zal alle vijanden van Immanuël overdekken. Onbeschaamdheid tegen God is waanzin, de gestrekte hals van beleedigde trots zal zich zeker blootstellen aan Zijne bijl. Zwijg, gij snoevende volkeren, gij machthebbers der aarde, zwijgt in het stof, zwijgt of de wrake zal u, in uwe schande tot zwijgen brengen. Hebbende zeven hoornen... het Lam.

Zijn machtsbetoon in het leven der natiën ligt niet stil. Neen, koninkrijken ontstaan en verdwijnen op Zijn woord. Door Zijnen wil wordt hier een kerker en ginds een troon aangewezen. Assyrië bezwijkt voor Babyion, en Babyion moet zich buigen voor de macht der Meders. Een schrijver uit vroeger eeuw schreef een boek dat hij tot titel gaf: Historisch kegelspel (Timbs) een gepaste naam van verachting voor al de grooten der aarde zonder en tegen God. Alleen God is; alle kracht is Zijner en... Hij heeft den Zoon Zijner liefde, in ons vleesch, alle macht gegeven in den hemel en op de aarde.

Alle andere macht is als een schaduw, die komt en gaat — onwezenlijk, nevelachtig, een droombeeld! Ja, en toch zoo verschrikkelijk, zoodat de aarde gekleurd is en worden zal door menschenbloed, dat roept om wraak. Ziet, het Lam had zeven hoornen, volheid van kracht en macht. Hij stoot vergramd ter neer. Hij richt verwoestingen aan op aarde. Ziet, in Zijn hand is ook een beker, de straf der goddeloozen is bereid; ontzettende ellende en smartep zijn bijeenvergaderd, en samengevoegd. Zij smaalden op den maaltijd Zijner liefde, zij zullen gedreven worden naar de tafel Zijns oordeels en zullen er den beker Zijns toorns moeten drinken. De volkeren worden op een hoop gedreven en het Lam met de zeven hoornen zal er doorheen stooten tot verdervens toe. De vergelding was en is en zal almeer ontzettend - zijn, , want het is bloed voor bloed en leven voor leven, schuimende wrake tegen schuimende goddeloosheid. De toorn van het Lam kleurt den beker der grimmigheid, maakt den toornstoot verdervend. Millioenen weeën zullen de natiën treffen, ongekende verschrikkingen losbreken. Eenmaal hebben zij Hem kunnen tarten en het scheen dat Hij zweeg en geen kracht tegen hen wilde gebruiken ter vernietiging, maar de maat is vol en de tijd der vergelding gekomen, tot aan het bittere einde moet de toorn voortgaan...

O die dag, die dag van loon! O die dag, die dag der wraken! Als de Richter op den troon Van den vollen toorn zal blaken! - i

Ziet, de gansche hel is voor al de boozen; de droesem voor den droesem der menschheid; het bittere voor de bitteren; de toorn voor de erfgenamen des toorn. Degerechtigheid wordt klaar gezien, maar de schrik verspreidt een troosteloozen nacht, door geen ster verlicht.

Wordt het u bang te moede? Hebt gij de kracht van het Lam niet gekend, Hem niet ontmoet als... de hoorn des heils? Gedronken uit dien hoorn? Met olie uit dien hoorn gezalfd, als een amechtig schaap door hitte verlamd en uitgedroogd! Ziet, dan grijpen wij in onze zwakheid de hoornen van het Lam, de zeven hoornen, en belijden: ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft. Ik zal door des

vijands zwaard niet sterven, maar leven en de werken des Heeren vertellen. Arm en ellendig in mijzelf, sterk in den Heere. In Hem zijn vrijheid en macht ons deel geworden, de hoornen der rechtvaardigen zullen verhoogd worden (Ps. 75 : 11).

Hebbende zeven hoornen en zeven oogen welke zijn de zeven Geesten Gods. Naast de hoornen worden zeven oogen genoemd. Zoo zag Johannes het Lam staan. Het oog wordt ons vaak in de Schrift genoemd, als hét orgaan om de stoffelijke wereld te leeren kennen. En zegt Salomo niet: het oog wordt niet verdigd van zien, noch het oor van hooren. Wat we echter niet kunnen met ons oog? De dingen wezenlijk doorschouwen, zoodat wij niet slechts de meerdere of mindere schoonheid zien, maar de wezenheid der dingen, die zich aan ons voordoen. Om dat te kunnen is een bijzonder licht noodig, dat ons in staat stelt de dingen te doorschouwen in wezen en werking. Ons gezichtsveld is verder zeer beperkt in afstand en omvang. We kunnen niet zien wat in Soest nu gebeurt, welke planten daar groeien en welke boomen reeds kaal zijn en hoe de herfstbladeren worden voortgedreven door den wind. We kunnen slechts een klein stukje van de schepping zien en doorzien in het geheel niet.

En nog minder kan ons oog doorschouwen de diepten van de menschenziel, hoewel het oog ook orgaan van ons verstand is. Het is waar: het oog is de spiegel der ziel en in dat oog kunnen we soms allerlei lezen eri opmerkèn. Doch het meest innerlijke van den mensch kunnen wij uit het oog toch niet aflezen.

Nu is in de Schrift niet alleen sprake op vele plaatsen van het oog van mensch en dier, doch ook van het oog des Heeren. Dat is dan menschvormig gesproken over God. En toch moeten we ernst maken met de waarheid: zou Hij, die het oor plant niet hooren en die het oog formeert niet zien. De Schrift spreekt zoo over den Heere niet, opdat wij van Zijne hemelsche majesteit aardschelijk zouden denken, maar om aan ons beperkt menschelijk begrip tegemoet te komen.

Het oog is orgaan om te zien, en toch zijn er tal van schepselen, die wij niet kunnen zien, b.v. de bacteriën. Alleen met bepaalde hulpmiddelen kunnen deze zichtbaar worden gemaakt. Ook zien wij met onze oogen alleen het licht dat de voorwerpen uitstralen en niet de voorwerpen zelf. Is alle licht afwezig dan zien wij niets! Maar er zijn bovendien nog allerlei stralen, die wij niet met ons oog kunnen zien: ultra-roode en ultra-violette stralen, X-stralen, radiumstralen, en evenmin kunnen wij zien de radio-golven, die het luchtruim doorklieven met ongekende snelheid en al deze stralen hebben hun beteekenis in de schepping. Gedeeltelijk worden zij gebruikt in de geneeskunde. Maar de werking is ook daar beter bekend dan hun wezen, dat schuil gaat achter het scherm van het mysterie der schepping.

Maar als ons oog verlicht is door den Heiligen Geest zien we ook geestelijke dingen. Doch. hoor nu wat Johannes zegt van het Lam: hebbende zeven oogen...

Die zeven oogen spreken van Zijn alomvattende kennis van het geschapene, Zijn volmaakt weten en doorzien der dingen. Zijn oogen doorloopen de gansche aarde, en nu niet als God alleen, doch als Zoon des menschen in onze natuur.

Wie de heele wereld wil regeeren moet haar ten allen tijde geheel en in alle onderdeden waarlijk zien en doorzien, niet alleen de menschen, maar ook hun innerlijke gesteldheid. Doch ook de vlieg, die langs den spiegel loopt in ons huis, zonder dat wij weten of kunnen vermoeden waarom die vlieg nu juist zóó en niet in andere richting zich beweegt langs dien spiegel.

Een veldheer, die een groot leger moet leiden, staat in verbinding met alle onderdeden en als zijn toestellen niet werken is hij afgesneden van de troepen.

Zoo gaat het onzen Jeaus niet! Hij heeft zeven oogen... Hij doóftechouwt alle deelen en onderdeden va» db natuur met al haar werkingen en krachten; den hemel met zijn sterren en zonnen; de zeeën en elk vischje dat de pad£n der zeeën doorwandelt. Hij aanschouwt alle menschenkinderen, met Zijnaeven oogen; let op alle hunne werken; verstaat hun opstand en kent hun beraamde plannen. Hij wordt nooit overrompeld, ia geen hinderlaag gelokt, want... Hij heeft zeven oogen... We staan hier voor eene diepe verborgenheid, want, hoewel hij lichamelijk alléén in den hemel is aan de rechterhand des Vaders, zoo ziet Hij toch in onze natuur alle einden der aarde en alle schepselen en Hij doorziet deze alle tezamen en ieder afzonderlijk. Er is geen raad en er is geèn wijsheid en geen verstand tegen den Heere. Het Lam heeft den sleutel van alle verborgenheden. Ook is Hij niet onbekend met den n$pd en de onwaardigheid van Zijne sdïapen als de opperste herder der kudd& orHij ziet den vermoeide en beladene. Hij aanschouwt de moeite en het verdriet. $pdat men het in Zijne hand geve. Ja, Hij-^jft met Zijne genade, majesteit en Geest altijd bij ons, gelijk Hij beloofde toen Hij opvoer ten hemel. 6j.

Hebben wij dan zulk eeiv oudste Broeder, zulk een Immanuël, God met ons? Ja, Hij heeft oogen als wij, doch verheerlijkt en die oogen zien met goddelijk licht de wereld door. En met al die kennis van God en mensch schaamt Hij zich niet ons broeders te noemen. Kom, hoe denkt ge hierover, mijn lezer? Kent ge die sprake der liefde: Ik zal raad geven mijn oog zal op u zijn? Zijn oog zag ons, toen niemand ons kende, en toen Hij ons zag kende Hij ons. Dat is mijn verloren schaap, zoo sprak Hij en Hij boog zich over ons heen en nam ons op met Zijne armen en legde ons op Zijnen schouder. Tusschen die zeven oogen woont de eeuwige liefde, en daarom: geef dat mijn oog het goede aanschouwe; het goede Uwer uitverkorenen, verblijd mij met de blijdschap uws volks. Zie, wij roepen niet vergeefs: aanschouw mijn moeite en verdriet. Het Lam, hebbende zeven oogen.

Een almachtige, alwetende Zaligmaker vol ontferming over allen, die tot Zijn schapen behooren en die tevens beval: predikt het Evangelie allen creaturen.

Hebbende zeven oogen welke zijn de zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.

Dus, die zeven oogen zijn de zeven Geesten Gods.

Nu moeten we even terug gaan tot het vierde hoofdstuk. Daar lezen we in vers 5: en uit den troon gingen uit bliksemen, en stemgeluiden en donderslagen. En zeven lampen van vuur waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. En vóór den troon was als een glazen zee, gelijk aan kristal.

Het wereldgericht gaat uit van den troon Gods. Zijn grootheid, kracht en majesteit openbaren zich ook in de bliksemstralen, stemmen, donderslagen, die van Zijn troon uitgaan. Met stemmen worden allerlei geluiden aangewezen, onderscheiden van het rommelen van den donder. De zeven lampen van vuur, dat wil zeggen, geheel vuur zijnde lampen, die enkel licht en vuurgloed straalden, zijn de Heilige Geest; de Heilige Geest in al zijn werkingen, die de wereld doorstraalt. En nu moet ge u voorstellen dat ge een oogenblik reeds waart in den troon met den Zoon, en van daaruit het wereldleven zaagt, alles doorlicht, zooals in een donkeren nacht, in het eenzame veld, wanneer een zwaar onweer losbreekt waar het vuur niet van de lucht is. En toch... in een niet eens zoo ver afgelegen streek hebben ze van donder en bliksem niets gehoord of gezien. Doch deze zeven lampen voor den troon brandende zetten niet alléén den hemel in gloed en glans, maar zij doorstralen de gansche schepping. Zeker, dat kunt ge alléén zien in den troon, achter en toch in het licht der lampen, zonder te verblinden.

Zouden we daar iets van kunnen zien? Niet de volle werkelijkheid, want dan zouden wij zeker sterven, maar wel iets in het geloof, daar wij immers met Christus gezet zijn in den hemel. En dat moet toch iets beduiden in ons leven. Staan aan Gods zijde, bij het door-lichten met de zeven lampen voor den troon van de gansche schepping! Tevens is het ons profetie dat wij eenmaal bij onzen Heere, als de eerste dingen zullen zijn voorbijgegaan en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde daar zal zijn waarop gerechtigheid wonen zal, wij dat licht van de zeven lampen zullen kunnen verdragen en er in staan en er door zien, den hemel en de aarde door. Wat al ongekende mogelijkheden openen zich hier voor de toekomst. Maar putten wij alvast den troost voor het heden in het wereldwee onzer dagen. De lampen gaan uit, zeggen ze in deze wereld, het wordt donker. Neen, mag en moet de Kerk zeggen met eenparige stem, de lampen gaan niet uit, de zeven branden nog voor den troon. Wij hebben iets van dat licht opgevangen en daarom kunnen wij verstaan, dat gij zegt: de lampen gaan uit.

De lampen branden, de zeven... En die lampen, die zeven, zijn de Heilige Geest, zooals Hij woont in Zijne gemeente met

gaven en krachten, dch ook zooals Hij de schepping levend houdt en werkt in al haar krachten. De zeven lampen zijn de Heilige Geest. De zeven Geesten. De volheid van werkingen van den Geest wordt in het zevental lampen verzinnebeeld. Merkwaardig is dat de Heilige Geest in de tweede plaats werd genoemd en het Lam eerst optreedt in hoofdstuk vijf, dat ons bezig houdt. Dat staat ongetwijfeld hiermee in verband dat het goddelijk hemelpaleis hier als de Israëlietische tabernakel of tempel is gedacht ('vgl. 7:15).

Gods troon staat als in het heilige der heiligen. En vandaar uitgaande kwam men eerst in het heilige, en daar, vlak vóór het voorhangsel, dat het heilige der heiligen en het heilige scheidde, stond de gouden kandelaar met zijn zeven lampen. Dan pas kwam men in den voorhof waar het brandofferaltaar zich bevond en de dienst der verzoening, als schaduwachtige afbeelding van den verzoeningsarbeid van den Heere Christus werd uitgericht. Daar stond ook het waschvat (Ex. 30 : 18—21) dat in I Kronieken 7 zee wordt genoemd.

Daarom zal, laat ik dit in het voorbijgaan nog opmerken, daarom zal bij de zee, in het zesde vers van hoofdstuk 4 genoemd, wel gedacht moeten worden aan dat gevulde waschvat, waarin de priesters zich handen en voeten wieschen. Zoo is het dan gevuld met het bloed des Lams, waarin alle hemellingen hunne kleederen hebben wit gemaakt. Daarom is het als een glazen zee; uit deze zee opgeklommen, zijn ze rein en wit; ja, wit als het licht, als kristallyn, zoo klaar. Of wel wij hebben daar de voorstelling van een gladden, geheel doorzichtigen, vloer, die zich uitstrekte vóór Gods troon, aanduidend dat niets voor God verborgen is, en Hij door alles heenziet.

In ieder geval blijkt ons dat vanuit den troon Gods alles doorzichtig is in den hemel en op de aarde. En dat God ziet door Christus heen.

Doch nu ons textvers. Het Lam had zeven hoornen en zeven oogen, zoo hoorden en overdachten wij, en... van die zeven oogen wordt nu gezegd: dewelke zijn de zeven Geesten Gods. Alzóó, de Vader werkt door den Geest, en de Zoon ontving dienzelfden Geest. Eén en Zéven, in al Zijn volheid om Zijn middelaarsbediening te vervullen en Zijn taak als wereldrechter te volbrengen.

De Zoon in onze natuur, ziet wereld en menschheid door de oogen van den Geest. De zeven Geesten Gods rusten op Hem (Jes. 11 : 2). Zij vervullen Hem, naar al de volheid Zijner krachten (1:4; 3:1; 4:5).

En deze zeven Geesten staan den Christus als het Lam ten dienste, bij gericht en genade. Christus doet den Heiligen Geest werkzaam zijn over de gansche aarde, en maakt haar tot Zijn Koningsgebied.

De zeven Geesten Gods, die als lampen branden vóór den troon, die als zeven oogen staan in het hoofd van het Lam, zijn uitgezonden in alle landen, zegt onze text. Doch laat u toch niet ontgaan dat de zeven lampen, voor den troon brandende, die hemel en aarde verlichten en doorlichten, staan als zeven oogen in het hoofd van ons dierbaar Lam, die Sions zonde op zich nam.

Het zijn oogen, vervuld met den Geest, door wier licht Jezus de schepping en Zijn koninkrijk ziet, en... diezelfde Geest nu woont in Zijne gemeente, die Hij kocht met Zijn dierbaar bloed. Maar... dan zie ik nu verbonden in den Geest, den Vader en den Zoon en door dienzelfden Geest is de Kerk verbonden met God drieëenig. Kom wat dichter bij de lampen, die branden voor den troon; kom, zie naar die zeven oogen in het hoofd van het Lam, en hoor dienzelfden Geest nu op dit oogenblik spreken in ons hart: Abba, Vader, als Geest der aanneming en onderpand van onze erfenis.

We staan toch niet buiten het wereldbestuur onzes Heeren?

Hier is de uitwerkende voorzieningheid in de gansche schepping, door den Geest van Christus. Die Geest zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Zoo komt de macht van Christus uit in vriend en vijand.

Zoo worden wij in de geschiedenis geworpen, doch alles gaat van den troon en den Zoon uiL Er zijn geen rampen zonder dat deze fakkels er licht op werpen. Het moet alles passeeren langs den Geest Gods, en het staat alles in het brandende licht van dien Geest, die als oogen staan in het hoofd van het Lam, gelijk Hij als olie der zalving Zijn aangezicht blinkende maakt en Zijn hart vroolijk. De raad des Heeren strekt zich uit in al zijn wijze bedoelingen, het gansche wereldleven door. Ook gij, die verstrikt zijt in Zijn raadselachtig doen... de hand op den mond. Wat is er toch achter de werkelijkheid, die wij zien, ja, in de werkelijkheid van dit leven met al zijn raadsels? Kunnen wij daar nu nooit achter en in komen? Zij het ons genoeg dat God er in komt en er achter is, want de zeven lampen branden voor den troon en die zeven lampen zijn de oogen van den Zoon, als het Lam dat geslacht is. Voor God is alles glashelder bovendien, als die glazen zee voor den troon. Achter het gebeuren, achter de geschiedenis zingt de Kerk in den hemel en de schepping zingt voor den troon. Zullen we een beurtzang aanheffen... vóór den troon èn hier beneden! Zullen wij de plaats der aanbidding vinden?

Zoo is in Jezus een volheid van leven en kracht, van bewustzijn, van bewuste krachten, die ook stootkracht is, volheid van heerschende kracht.

Tevens zijn die zeven oogen een lichtkracht die de wereld doordringt. Deze kennis zal het Lam in staat stellen de wereldgeschiedenis te leiden, de zegelen van het boek open te breken.

En de mensch woelt zichzelf bloot, komt openbaar in dat licht, en ergert zichzelf van nature aan deze ontdekking, maar wanneer wij het merkteeken van het bloed des Lams dragen is er iets van die stootkracht van Christus in ons, en geven Zijn zeven oogen licht in onze ziel, en de droefenis is in heil omgezet.

Het Lam heeft overwonnen, om het boek te nemen en zijne zegelen open te breken. Wie ooren heeft om te hooren, die hoore

wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 november 1949

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Het Lam Gods in de heerlijkheid

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 november 1949

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken