Bekijk het origineel

DE PROFEET ELISA

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE PROFEET ELISA

13 minuten leestijd

GODS WOORD VOLBRACHT

Zalf Hazaël ten koning over Syrië; daartoe zult gij Jehu, den zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israël. I Koningen 19 : 15 en 16.

Bij den Horeb had Jehovah Zich aan Zijn moedeloozen dienstknecht Elia geopenbaard, en hem een drievoudige opdracht verstrekt: lisa, de zoon van Safat, uit Abel-mehola, moest tot profeet worden gezalfd, om Elia's opvolger te zijn; en zoowel Hazaël als Jehu moesten tot koning worden gezalfd, de eerste over Syrië, de laatste over Israël. Wij hebben overdacht, hoe Elia aanstonds naar Abelmehola is getogen, en Elisa tot den profetischen dienst geroepen heeft (I Kon. 19 : 19 e.v.). Doch over Hazaël en Jehu vernamen wij niets. Was Elia in verzuim gebleven, en dus ongehoorzaam geweest? Neen, maar Jehovah Zelf vertraagde Zijn bevel, en verlengde én voor Benhadad van Syrië én voor Achab in Israël den genadetijd ter bekeering. Omtrent vijftien jaren waren sindsdien voorbijgegaan; toen was Gods lankmoedigheid ten einde, toen deed Hij Zijn gebod uitvoeren, toen is Zijn woord volbracht. Wij lezen er van in II Kon. 8 : 7—15 en 9 : 1—3.

„Daarna kwam Elisa te Damascus, als Benhadad, de koning van Syrië, krank was; en men boodschapte hem, zeggende: De man Gods is herwaarts getogen. Toen zeide de koning tot Hazaël: Neem een geschenk in uw hand, en ga den man Gods tegemoet, en vraag door hem den Heere, zeggende: Zal ik van deze krankheid genezen? Zoo ging Hazaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten, alle goed van Damascus, een last van veertig kemelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht, en zeide: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze krankheid genezen? En Elisa zeide tot hem: Ga, zeg: Gij zult ganschelijke niet genezen; want de Heere heeft mij getoond, dat hij den dood sterven zal. En hij hield zijn gezicht staande, en zette het vast tot schamens toe; en de man Gods weende. Toen zeide Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zeide: Omdat ik weet, wat kwaad gij den kinderen Israëls doen zult; gij zult hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doo-

den, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden. En Hazaël zeide: Maar wat is uw knecht, die een hond is, dat hij deze groote zaak doen zou? En Elisa zeide: De Heere heeft mij getoond, dat gij koning zijn zult over Syrië. Zoo ging hij weg van Elisa, en kwam tot zijn heer, die tot hem zeide: Wat heeft Elisa tot u gezegd? En hij zeide: Gij zult zekerlijk genezen. En het geschiedde des anderen daags, dat hij een deken nam. en in het water doopte, en over zijn aangezicht uitspreidde, dat hij stierf. En Hazaël werd koning in zijn plaats."

„Toen riep de profeet Elisa een van de zonen der profeten, en hij zeide tot hem: Gord uw lenden, en neem deze oliekriuk in uw hand, en ga heen naar Ramath in Gilead; als gij daar zult gekomen zijn, zoo zie, waar Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, is; en ga in. en doe hem opstaan uit het midden zijner broederen, en breng hem in een binnenst: kamer, en neem de oliekruik, en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zoo zegt de Heere: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël."

Aan ernstige roepstemmen van den Hemel heeft het in Benhadads leven niet ontbroken. De Schrift levert het bewijs. In I Kon. 20 staat, dat hij uittoog tegen Israël, en in snoevende bewoordingen zich van de overwinning zeker waande. Voor Jehovah had hij geen achting; Deze was immers een God der bergen, en niet een God der dalen — dit beduidde, dat Jehovah de macht miste om Zijn volk, wanneer het in de vlakte streed, te doen zegevieren. Doch Benhadad, de pocher, de godslasteraar, is verslagen, tot twee malen toe verslagen. Gaf dat hem niets te denken? Wederom sprak de Heere tot hem, toen zijn generaal Naaman gezond en wel in Damascus terugkeerde (II Kon. 5). Niemand was in staat, een melaatsche te reinigen; doch wat onmogelijk was bij de menschen, was mogelijk bij Israëls God. Gaf dat hem niets te denken? Nog eens trad de Heere vóór Benhadad, toen de koning hoorde, hoe zijn troepen, die Elisa te Dothan moesten arresteeren, met blindheid werden geslagen, en daarna niet gedood, doch gul onthaald werden (II Kon. 6). Gaf dat hem niets te denken? En tenslotte was er de bevrijding van Samaria (II Kon. 7). Benhadad zag de zegepraal dichtbij, de triomf kon hem niet meer ontgaan... Maar een geheimzinnige macht dreef zijn onverschrokken soldaten als een troep hazen op de vlucht. Gaf dat hem niets te denken? Als het ging om Israël en Israëls God stootte Benhadad steeds zijn hoofd; bij andere ondernemingen mocht hij fortuinlijk wezen, doch in zijn verzet tegen Jehovah was hij geregeld de verliezende partij. Gaf dat hem niets ts denken?

Waarlijk, de Heere heeft Zich niet onbetuigd gelaten. En wat was het vruchtgevolg? Ach, als grijsaard had hij nog zijn verharde, onbekeerlijke hart. De Allerhoogste heeft het hem — met eerbied gezegd — niet gemakkelijk gemaakt, om als een kind der duisternis ten onder te gaan; maar wanneer God Zijn hand op Benhadads schouder legde, heeft hij die halsstarrig afgeschud, als kwam een giftige slang hem te na.

Toen hij doodelijk krank was, ja, toen wilde hij gaarne een gunstige boodschap van Jehovah ontvangen; toen droegen een lange reeks kameelen groote schatten aan, waarvoor hij zijn herstel begeerde te koopen, maar — toen was de genadetijd voorbij, toen was het te laat. Vreeselijk was zijn uiteinde. Hazaël, zijn krijgsoverste, maakte hem eerst blijde met de leugenachtige tijding, dat hij nog volkomen zou genezen; maar den volgenden dag vermoordde Hazaël zijn vorst, en onder een natte deken stierf de grijsaard een benauwden verstikkingsdood.

Meermalen ben ik bij ernstige patiënten geroepen, die zich in in hun gezonde dagen om God noch Zijn gebod hadden bekreund. Ik heb dan wel eens aan Benhadad gedacht, die om een woordje van Elisa bedelde, en geen uitkomst vond. Ook bij zulke zieken heb ik nimmer kunnen constateeren, dat de Hemel hun nog openging. De waarschuwingen en noodigingen waren er wel geweest, doch zij werden in den wind geslagen — en toen tenslotte de angst hen aangreep voor de nimmer eindigende eeuwigheid, waren Gods vertroosting en ondersteuning verre; In de gestalte van den wanhopigen Saul, van den radeloozen Judas, gingen zij heen naar hun eigen plaats.

Even triest is het verscheiden van hen, die wèl neerzaten in de samenkomsten der gemeente, maar niet ter harte namen, wat de Heere hun liet aanzeggen. Verstandelijk stemden zij alles toe, wat hun werd voorgehouden, doch zij maakten er geen ernst mede; zij verbeuzelden het heden der genade, en stelden hun bekeering van dag tot dag uit: et was nog tijds genoeg, om den Heere te zoeken. Wie hen welmeenend vermaande, klopte aan een doovemansdeur. Ik heb dezulken op hun ziekbed zien liggen met bange oogen; zij knepen de handen in vertwijfeling tot vuisten, en smeekten: Och dominee, help mij toch." De donkere wolken scheurden echter niet, om een lichtstraaltje door te laten; wat Abraham zeide tot den rijken man in de gelijkenis, was ook op hen van toepassing: Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven" (Luk. 16 : 25). O, die Benhadads onder ons! Zij willen met Bileam leven naar het goeddunken van hun verdorven hart, maar vromelijk eindigen: Mijn ziel sterve den dood des oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne" (Num. 23 : 10). De Oppermajesteit laat echter niet met Zich spotten: ie de genade duurzaam versmaadt, roept de rookende toorn over zich in. De Schrift verzekert: Zie, dit alles werkt God tweeof driemaal met een man, opdat hij zijn ziel afkeere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden" (Job 33:29, 30). Eenige keeren in ons aardsche bestaan stelt God Zich nadrukkelijk vóór ons< —dat is een hoogtepunt. Er gaat een tijd van voorbereiding aan vooraf; dan loopt ons pad als het ware opwaarts naar het hoogtepunt toe. Doch wie de ure der ontmoeting onbenut laat, daalt weer naar beneden, daalt dieper van den Hemel weg dan tevoren. Elke vermorste vindenstijd maakt ons ontvatbaarder voor het heil; iedere versmade roepstem doet ons ongevoeliger aan Wet en Evangelie voorbijgaan. Lezers, lezeressen, neemt deze zaak niet lichtvaardig. Het kan wezen, dat de Heere Zich door middel van deze meditatie voor een uwer stelt, en dan is het: Heden, zoo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet." Heden! Weest er zuinig op. Wie waarborgt u dat er nog een heden voor u zal volgen? Neemt een voorbeeld aan den landman, die de waarde van het heden kent. Als de weersgesteldheid gunstig is, wacht hij niet tot morgen, maar zaait hij zijn winterkoren met spoed; en als de aren rijp zijn, haast hij zich om den akker te maaien. Op de pleinen der Italiaansche steden bevinden zich marmeren fonteinen; mannenen vrouwenfiguren laten het water door hun handen in een bekken glijden — de doode beelden beseffen niet, wat kostbaar vocht hun van oogenblik tot oogenblik ontglipt. Weest niet aan deze beelden gelijk; het heden der genade is oneindig kostbaarder dan het drinkwater, laat het dan niet achteloos en nutteloos aan u voorbijgaan, doch vraagt: Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen." Een wijs hart, geen Benhadadshart.

Terwijl Elisa tot 's konings afgezant sprak, vulden zich zijn oogen met tranen. Hazaël informeerde, waarom hij weende, en de profeet vertelde, dat hem een droeve toekomst was bekend gemaakt. Jehovah had aan Zijn dienaar getoond, hoe wreed Hazaël met niets-sparende felheid tegen Israël zou optreden. O, Elisa wist, dat de nieuwe vorst van Damascus een instrument, een tuchtroede was in Gods hand; zijn volk had zich de slagen, die vallen zouden, dubbel waardig gemaakt — niettemin droeg de man Gods er leed om, dat Israël zoo diep onder de kastijding door moest. Zijn tranen herinneren ons aan Luc. 19 : 41; toen de Zaligmaker op Palmzondag nabij Jeruzalem kwam, weende Hij over de stad, en zeide: Och, of gij ook bekendet nog in dezen uwen dag, hetgeea tot uw vrede dient." Christus voorspelde de ellende, welke enkele tientallen jaren later uitbreken zou. De Romeinen zouden de stad met hun legioenen omsingelen, en verschrikkelijk zou het lot der Joden wezen, zoo tijdens als na het beleg. Jehovah was recht in al Zijn weg en werk; de Joden hadden de gerichten verdiend vanwege hun afkeerigheid, die haar bekroning vond in de Messiasverwerping — maar al waren de smarten en rampen het gevolg van hun eigen schuld, toch was Christus er mede begaan, en vloeiden de tranen uit Zijn oogen. Het volk, uit hetwelk Hij was gesproten, voor zooveel het vleesch aangaat, laadde een zwaar oordeel op zich, en zulks doorvlijmde Zijn teedere ziel.

Lezer, lezeressen, wanneer de Hartenkenner ons aanziet, en op onze toekomst let, hoe zal het dan zijn? Met een glimlach van welbehagen, of met tranen? Duwt deze vraag niet terzijde; zij beslist over eeuwig wel, of eeuwig wee. Wij zijn

Hem een voorwerp van blijdschap, indien wij onze behoudenis in Zijn borgwerk mochten vinden — zoo niet. dan zijn wij tot een oorzaak van misnoegen. In Mare. 3 : 5 staat opgeteekend, dat de Heiland de Joden in de synagoge toornig aanzag, en dat Hij meteen bedroefd was over de verharding van hun hart. Naar heilig recht toornt Hij over de ongehoorzame werkers van het kwaad, doch tevens vervult Hem droefenis vanwege de halsstarrigheid, waarmede de zondaren de verlossing van zich stooten, en zichzelf in het verderf storten. Elisa's tranen hebben Hazaël niet vermurwt; onbekeerden, mochten Christus' tranen, op den Palmzondag geschreid, u vernederen en verteederen — dan zullen Zijn tranen van Gethsémané (Hebr. 5:7) u nog vertroosten en balsemen. Elisa's tranen over Israël, dat door zijn eigen schuld onder den wreeden Hazaël, Jehovah's dorschwagen, kwam, zijn schaarsch bij ons. Hoe onbewogen kunnen wij voortleven, ondanks de wetenschap, dat er velen in onze omgeving zijn. die om hun ongeloof rijpen voor het geduchte oordeel Gods. Hoe weinig waarschuwen wij hen met een toegenegen hart: oe zelden dragen wij hen met den drang der liefde aan den grooten Ontfermer op. Kennen wij wel bij bevinding den nood, waarin ieder Adamskind verkeert; kennen wij wel onderwerpelijk de weldaden, die Immanuël voor doemwaardigen heeft aangebracht? Onze zelfzucht, die tevreden is met eigen zaligheid, worde ons tot schuld; onze onbarmhartigheid, die geen leedwezen gevoelt over anderer ondergang, klage ons aan. De Geest des Heeren verwekke een bezorgdheid onder ons, welke uitgaat tot den naaste, en het woord van Jacobus op onze consciëntie bindt: , Wie een zondaar van de dwaling zijns weegs bekeert, die heeft een ziel van den dood gered."

Elisa had Achab aangezegd, dat Jehovah hem en zijn geslacht zou uitroeien. De koning kwam er onder den indruk van, en deed boete — al was het niet uit een door den Hemel verbrijzeld hart. Doch Izebel verzette zich uit alle macht; zij diende Baal te vlijtiger, en vervolgde Gods lieve volk. Achab betoonde zich een slappeling, dewijl hij den moed miste zijn goddelooze vrouw te wederstaan. Hij stierf in zijn strijdwagen, getroffen door een pijl. Het woord des Heeren ging letterlijk in vervulling. want in Naboths vroegeren wijngaard hebben de honden 's konings bloed gelekt. Izebel kwam er niet door tot bezinning; een heilloozen invloed had zij op haar gemaal geoefend, en ook voor haar beide zonen bleef zij ten verderve — voor Ahazia, die slechts kort regeerde, en voor Joram, die daarna twaalf jaren aan het bewind was. Met een triomfantelijken spotlach zal Izebel wel eens gezegd hebben: „Ik zie niets van den val van ons koningshuis, dien Jehova door Elia deed aankondigen!" De jaren gingen voorbij, de ongerechtigheid voerde den scepter, en Sion snikte: „Heere, tot hoe lange? Waar is Uw sterke rechterhand? Wanneer zult Gij den gruwel onder ons uitroeien? " De jaren gingen voorbij, en nog spaarde Gods lankmoedigheid het onheilige vorstengeslacht; nog zagen Joram en zijn moeder de teekenen, welke Johovah wrocht, om wederhoorigen tot inkeer, tot omkeer te leiden. Doch gelijk de Farao van Egypte zijn hart verstokte onder de plagen, zoo verging het Joram onder 's Heeren goedgunstigheden. Eindelijk — nadat het bevel om Jehu tot koning te zalven over Israël, ongeveer vijftien jaren was opgeschort — moest Elisa een der profetenzonen naar Jehu te Ramoth in Gilead sturen. En toen volgden de gebeurtenissen elkaar snel op; II Kon. 9 en 10 bieden een levendig verslag, hoe alle leden van Achabs geslacht aan het hoogste gericht vervallen zijn.

Bluft niet, o zondaars, als gij aanvankelijk ongehinderd en ongestraft naar de inspraken van uw hart kunt wandelen. Er is nog sparende genade, doch indien gij op het pad der boosheid volhardt, zal de genade tenslotte zich van u afkeeren. Het kruikje gaat zoo lang te water, tot dat het breekt; Gods molens malen langzaam, maar zij malen fijn, zij malen zeker.

Benhadad en Achabs huis roepen door de eeuwen heen — zij het niet tevergeefs voor ons: „Gewis, daar is een God, die leeft, en op deez' aarde vonnis geeft."

Utr.

E. v. M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 maart 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DE PROFEET ELISA

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 maart 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken