Bekijk het origineel

DE OPSTANDING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE OPSTANDING

12 minuten leestijd

„De Heere is waarlijk opgestaan!!' — zo begroetten in vroegere tijden de christenen elkander op Paaschmorgen. Die Paaschgroet is tegelijkertijd het rijke Paaschevangelie.

Wilt gij het horen met de eigen woorden van de Verrezene? Luister dan ne^ir wat Hij heeft gesproken tot Johannes, de ziener op Patmos: „Vrees niet, Ik ben de eerste en de laatste. En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen.

En Ik heb de sleutel der hel en des doods." (Openb. 1 : 17b en 18).

Al schéén de Heere Jezus door de dood voor goed neergeveld te zijn, al lag Hij ontzield in het graf, nochtans was Hij niet overwonnen. Niemand nam het leven van Hem; Hij heeft macht hetzelve af te leggen, en hetzelve wederom te nemen.

In glansrijke heerlijkheid, in ontzagwekkende majesteit staat Hij aan de Paaschmorgen voor Zijn duurgekochte Kerk.

De sleutels van hel en van dood zijn in de handen van de verrezen Heiland. Hij heeft er vrijelijk over te beschikken. Zelfs de machten der duisternis en des doods zijn aan Hem onderworpen.

Welgelukzalig degene, die onder de bearbeiding des Heiligen Geestes in verootmoediging en verbrijzeling met een Johannes neervalt aan de voeten van zulk een Overwinnaar!

Het Paaschevangelie bevat zo veel troost voor zondaren, die de dood om zich, en in zich, hebben leren kennen. Zucht en treurt ge over uw ongerechtigheden, over uw doodstaat? Dan roept de Verrezene het u toe: in Mij is de gerechtigheid, in Mij is het leven." — In Jeremia's profetieën lezen wij: en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem noemen zal: De Heere onze gerechtigheid" (Jer. 23 : 6). En de apostel Paulus schrijft met blijdschap, en uit eigen ervaring: Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking" (Rom. 4:25). En de Heere Jezus Zelf heeft met zoveel nadruk verklaard: Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij." (Joh. 11:6). Wat is er dan in de Levensvorst niet te vinden voor zulken, die dood zijn door de zonden en door de misdaden! Het Paaschevangelie bevat ook zo veel troost voor een christen, die iij zware druk verkeert. Wordt dan door Woord en Geest het oog gericht op de Man van smarten, Die werd de Heere der heerlijkheid, dan moogt gij geloven: et gaat door lijden tot heerlijkheid. Des avonds vernacht het geween en des morgens is er gejuich.

Werkt de Geest des Heeren dat geloofsvertrouwen in uw harte, dan heft gij het hoofd omhoog, en gij zingt, duivel,

wereld en zonde ten spijt! „Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d'eerkroon dragen, Door U, door U alleen, om 't eeuwig

welbehagen. Dank zij de opstanding van Christus zal het einde ook van de donkerste bedelingen der voorzienigheid voor Gods kind toch zijn: licht en heerlijkheid. Het gaat immers met al de Zijnen, gelijk het met de grote Doorbreker Zelf ging: door de duisternis tot het licht, door lijden tot heerlijkheid; door de dood tot het leven!

Troost ligt er in Jezus' verrijzenis voor al Zijn volk ook voor de ure van het sterven. Wat kan op het sterfbed rijk worden genoten, als de stervende daarin wordt ingeleid!

Door de opstanding van de Verlosser heeft de dood zijn prikkel, het graf zijn overwinning verloren. De dood is verslonden tot overwinning. Al is dus de scheiding van ziel en lichaam zeer pijnlijk, wat nu gescheiden wordt door de dood, zal straks worden herenigd. „De opstanding van Christus, " — zoo belijdt de christen in de catechismus - — is een zeker pand van onze zalige opstanding." (H. Cat. Z. 17).

Voorwaar het heilsfeit van de opstanding is van grote betekenis. Komt, laten wij met elkander overpeinzen de beschrijving er van, die ons is opgetekend in Marcus 16:1 1.7.

1. En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jacobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen, en Hem zalfden.

2. En zeer vroeg op de eerste dag der week kwamen zij tot het graf, als de zon opging.

3. En zeiden tot elkander: Wie zal ons de steen van de deur des grafs .afwentelen?

4. (En opziende zagen zij, dat de steen ' afgewenteld was) want hij was zeer groot.

5. En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling zittende ter rechterzijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden

verbaasd. 6. Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus, de Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan, Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden.

7. Doch gaat heen, zegt Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.

Op de sabbat, waarop de Heere Jezus naar het lichaam neerlag in het graf, rustten de vrouwen naar het gebod.

Welk een sabbat zal dat voor haar zijn geweest! Het was een sabbat van uitwendige rust. maar van inwendige onrust. In het hart der discipelen en discipelinnen rolden de golven van smart en van twijfel heen en weer. 't Was daar van binnen vol van teleurstelling, van allerlei vragen, en overleggingen. De ergernis van het kruis was zo benauwend.

En de overpriesters en schriftgeleerden, zouden zij rust gehad hebben op deze rustdag? Zouden zij vrede hebben gehad bij al hun offerdiensten, bij hun verklaren van de wet? Immers neen! De goddelozen hebben geen vrede, zij zijn als een voortgedreven zee.

Sabbatsruste was er alleen in het graf van Hem, Die de strijd had volstreden, Die had kunnen uitroepen: „Het is volbracht!"

Vergeet deze waarheid toch niet, o, verontruste zielen!

Maar, als de sabbat voorbij is, verrijst de Verlosser uit het stof des doods. God de Vader heeft Hem opgewekt, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van dezelve dood zou gehouden worden:

Jezus leeft!, al weten de vrouwen dit ook nog niet.

Het opstandingsevangelie naar Marcus

16 : 1 —7 geeft ons stof om te denken over:1. De Paaschvraag. 2. De Paaschtijding. 3. De Paaschtaak.

1. Van het graf wedergekeerd, hebben de vrouwen specerijen en zalven bereid, om het lichaam van de Heere Jezus, dat voorlopig was verzorgd, na de sabbat beter te verzorgen.

Toen de sabbat voorbij was, op Zaterdagavond dus, hebben de vrouwen nog meer specerijen gekocht en bereid. Daarmede waren zij druk het verdere van dien avond.

Zij gingen die nacht wel naar bed, maar ik geloof niet, dat zij veel zullen hebben geslapen. Zij verlangden naar de morgenstond.

Een sterke trekking ging er uit van het graf in Jozefs hof.

Lankzaam kropen de minuten, de kwartieren, de uren, voorbij. Eindelijk konden zij dan wel opstaan, en op weg gaan, al was het nog duister. Door den Evangelist Marcus worden met name genoemd, Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jacobus, en Salome, de moeder van Johannes en Jacobus.

De vrouwen begaven zich op weg, opdat zij kwamen, en Hem zalfden. Het was dus haar bedoeling met alle macht te strijd den tegen de vertering en ontbinding van de dood.

Groot is de liefde dezer vrouwen tot de Heiland. Allerlei bezwaren, om naar dit graf te gaan, op dit vroege uur, tellen zij niet. Heur hart dringt haar om te doen, wat zij doen. Zij kunnen niet anders.

Groot is de liefde der vrouwen. Maar wel is er veel vleeselijks in. In verband daarmee is dan ook klein haar geloof. Het woord der Schrift, het woord van de grote Profeet Zelf, zij slaan het in de wind. Zij leven bij en op haar gevoel, gelijk ook zo menigeen in onze tijd. En toch is dat leven op het gevoel gevaarlijk.

Zeker, het geeft tijden van heerlijke opwekking, van hoge blijdschap, maar ook van doffe, van diepe droefheid. Niet het leven op het gevoel, maar het leven des geloofs geeft vastheid en zekerheid. En waar door de Geest des geloofs mag zijn het leven des geloofs, daar zal ook het gevoel niet onberoerd blijven, daar worden alle vermogens van de mens beinvloed.

De vrouwen kwamen tot het graf om de Heere Jezus te zalven. Zij dachten voor Hem te moeten strijden tegen de werking van de dood.

Hier zien wij het al weer, wij willen de Heere Jezus dienen en helpen. Als de vrouwen hebben wij er nog zo weinig oog voor, dat Hij niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Aan die les is heel wat te leren. Telkens en telkens moet gij haar weer overleren.

Wat is ónze dienst, óns hulpbetoon! De hulpe moet van Hèm komen, en van Hem alleen. De vrouwen konden Hem niet beschermen tegen de macht van de dood.

Hij alleen is de Overwinnaar van de dood. Hij, Die is de opstanding en het leven. Wij kunnen de Heere Jezus niet verlossen van de machten, die Hem ook thans nog in het graf willen houden. Hij moet ons verlossen van dood en graf en hel. Hij moet dat doen bij de aanvang, bij de voortgang, tot de voleinding toe.

De vrouwen kwamen tot het graf, als de zon opging. — Het was de tijd van de eerste morgenschemering in de natuur. Er was hier overeenstemming tussen natuur en genade. Ook in de harten der vrouwen was het geen nacht meer, maar het was ook nog geen dag. Zij waren zeker niet zonder licht. Maar het was niet het heldere, stralende licht van de middagzon. Het was het licht van de zon, die aan het opkomen is. Het was het licht van de zon, die nog niet wordt gezien, maar haar stralen vooruit werpt, zodat de morgenschemering ontstaat.

En in die morgenschemering ligt toch, al weet de ziel zelve dit nog niet, de profetie van de klaarlichte dag. De dagen der duisternis zijn wel vele, maar toch is, in de grond der zaak, het pad van de rechtvaardige gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe.

Geen nacht meer. Maar ook geen dag nog. Hoe vaak is dit de toestand der ziel. De zon is aan het opgaan, als gij krijgt te zien, dat gij hebt gezondigd tegen een heilig en rechtvaardig God, want er is licht voor nodig om dat op te merken. De zon is aan het opgaan, als ge wel eens een belofte van de Heere moogt ontvangen, als gij wel eens moogt genieten van Zijn genadevruchten.

De zon is aan het opgaan, als gij ziet, dat gij de Heere Jezus nodig hebt, als gij tot Hem vlucht ais een vermoeide en belaste. De zon is aan het opgaan, als gij het niet meer kunt houden bij de vijanden van de gekruiste Christus, als gij in oprechtheid zoekt het gezelschap dergenen, die de Heere vrezen.

Worden deze en dergelijke zaken bij u in de ziel gevonden, dan is het geen nacht meer.

Maar! — het is ook nog geen dag. Ook gij roept uit: „Wachter! wat is er van de nacht? wachter! wat is er van de nacht? De wachter zeide: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht."

Het is nog geen dag. Gij kent de Heere Jezus nog niet als uw Borg en Zaligmaker. Gij weet nog niet, dat Hij ook voor u leeft en bidt. Gij mist nog het zalige besef van schuldvergiffenis, van verzoening met God.

Maar toch, geen nood voor zielen in de morgenschemering der genade! Daar is die God aan het werk. Die de doodsschaduw verandert in de morgenstond. In de morgenschemering, bij het opgaan der zon, gaan de vrouwen naar het graf. Plotseling komt bij haar op de gedachte aan de grote steen, die was gewenteld voor de deur des grafs. Dan is het: „wie zal ons de steen van de deur des grafs afwentelen? — Die steen is zo zwaar. Zelf kunnen zij het niet. O, die zwakke vrouwen, zij hebben onderweg getobd met die grote steen, die zij niet weg konden krijgen. D

Er kunnen zulke zware stenen liggen tussen ons en de Heere Jezus, stenen, die ons beletten tot Hem te komen, stenen zo groot, dat wij ze niet weg kunnen wenv D C telen. Daar is de steen, die de wetenschap voor het graf wentelt. Daar is de steen, die ons ongeloof er voor werpt. Daar is de steen van zonde, van traagheid, van hardheid. Daar zijn nog zo vele andere stenen. Het zijn stenen, waarover gij tobt, die gij niet van hun plaats kunt krijgen, waarmede gij het zó moeilijk hebt. dat gij angstig vraagt: „Wie zal ons die steen

afwentelen? " De vrouwen denken zich de Heere Jezus nog achter die grote steen. Zij zoeken Hem nog in het graf. En nu is de ernstige Paasvraag voor haar, maar ook voor zo menigeen in ons midden: „Wat

zoekt gij de levende bij de doden? " „Wat zoekt gij de levende bij de doden? " — O vrouwen, houdt toch op met dat zoeken in het rijk der doden naar een Verlosser, Die leeft. Gij zoekt op de verkeerde plaats. Gij klaagt en treurt, alsof uw Meester dood is, en niet leeft.

„Wat zoekt gij de Levende bij de doden? " — gij, die onder uw schuld gebukt gaat, hetzij voor het eerst, hetzij opnieuw, en die zucht, alsof er geen kwijtschelding ware. Geen kwijtschelding! — zo zou het zijn, als de Heere Jezus in het graf was gebleven, bij de doden. Maar nu Hij leeft, nu is er vergeving en gerechtigheid.

O, leer dan vluchten met al uw schuld tot de levende Heiland! Zucht niet zo ongelovig, alsof Hij nog was bij de doden. Wat zoekt gij de levende bij de doden? Och, dat op dit Paasfeest een arm en ellendig volk mocht zingen:

Zo Gij in 't recht wilt treden O, Heer', en gadeslaan Onz' ongerechtigheden, Ach, wie zal dan bestaan? Maar neen! daar is vergeving Altijd bij U geweest; Dies wordt Gij, Heer', met beving. Recht kinderlijk gevreesd.

„Wat zoekt gij de levende bij de doden? " — O, dat die Paasvraag ons maar, tot zelfonderzoek dringend, beschamend, op het hart gebonden worde! Dat wij leed leren dragen over dat denken, over dat spreken, over dat leven, alsof er geen levende Zaligmaker was, Die het leven is, en het leven geeft.

Zij, of worde het onze bede: „Heere, leer mij Hem te zoeken, niet achter de steen, niet in het graf, niet bij de doden, maar leer mij Hem te zoeken en te kennen als de opstanding en het leven, opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding."

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 maart 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DE OPSTANDING

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 maart 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken