Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bede om schuldvergiffenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bede om schuldvergiffenis

13 minuten leestijd

(3)

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Matth. 6 : 12.

„Vergeef ons onze schulden", dat is een bede, die dagelijks moet worden opgezonden, ook na ontvangene genade. Wel is het waar, dat de rechtvaardigmaking door het geloof alleen niet, als bij de heiligmaking, bij trappen geschiedt, maar terstond volkomen is, daar zij bestaat in de toerekening en in de aanneming van Christus' gerechtigheid. Maar toch, daar de gelovigen telkens weer zonden bedrijven, moeten zij gedurig weer worden gebracht in de behoefte, om opnieuw te ontvangen de verzekering van de vergeving van die God, Die vergeeft menigvuldiglijk. Het niet leven tot ere van de Heere kan het hun herhaaldelijk zó bang maken, dat zij er aan gaan twijfelen, of er wel iets in hen is gebeurd. Met angst en vreze vragen zij zichzelf af: zou het ook mogelijk zijn, dat het alles inbeelding is geweest? Zo wordt hun vertrouwen ernstig geschokt.

Vandaar, dat zij opnieuw behoefte gevoelen aan de vertroosting van Gods vergeving. En dan is het hun niet genoeg uit Gods Woord te horen, dat de Heere is gaarne vergevende. Dat kan u wel eens tot bemoediging zijn om uw smeekgebeden maar weer neer te leggen voor het aangezicht des Heeren; maar het vertrouwend rusten in Gods ontferming hebt gij daardoor nog niet. Daarvoor is nodig, dat de Heere door Zijn Heilige Geest Zijn Woord inbrengt in het harte en alzo tot de verontruste ziele spreekt met macht: , , Ik ben uw heil."

Op de noodzakelijkheid van het dagelijks weer vragen om vergeving van schulden wijst ons ook het dagelijks morgen-en avondoffer voor het volk van Israël. Iedere dag weer moest er, èn des morgens, èn des avonds, een lam worden geofferd, om het volk er bij te bepalen, dat zij dagelijks verzoening bij de Heere moesten zoeken.

Als de christen vraagt: „vergeef óns ónze schulden", dan heeft hij natuurlijk daarbij in de allereerste plaats op het oog de zonden door hem zelf bedreven, èn die van de gemeente des Heeren, waarmede hij vormt één lichaam, één huisgezin, één volk. Allen, die daartoe behoren, van de eerstbeginnenden af tot de verstgevorderden toe, hebben vergeving nodig, zolang zij zijn in het lichaam der zonde en des doods. Een zegen is het elkander te gedenken voor Gods aangezicht.

Maar de ware bidder heeft verder aldus ook te bidden voor vreemdelingen van de genade, ja, zelfs voor zijn vijanden. Zelfs over hen moet hij Gods ontferming inroepen. Dit is naar het bevel van Christus, dat alduis luidt: Maar Ik zeg u: ebt uw vijanden lief, zegent ze, die u vloeken; doet wel dengenen, die u haten, en bidt voor degenen, die u geweld doen en die u vervolgen" (Matth. 5:22). En het voorbeeld hiervan heeft de Heere Jezus Zelf hun gegeven, toen Hij aan het kruis voor Zijn vijanden bad: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen." Heerlijk is het te mogen bidden met een ruim, een liefdevol, een gunnend hart.

Aan de bede: „Vergeef ons onze schulden", voegt de grote Profeet nog toe: „gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren." Als hier wordt gesproken van schuldenaren, dan begrijpt een ieder, dat wij daarbij niet hebben te denken aan mensen, die u geld schuldig zijn, die zó bij u in de schuld staan, en dus uw schuldenaar zijn. Neen, dan zou er wel staan: gelijk ook wij kwijtschelden onze schuldenaren. Ook het verband wijst duidelijk aan, dat hier niet wordt gesproken van schuldenaren in geldzaken. Het eerste gedeelte van de 5de bede is immers: „Vergeef ons onze schulden". Dat ziet niet op geldelijke schulden, maar op zonden, op misdaden, op de boosheid, die ons altijd aanhangt. Als de Heere Jezus Zijn discipelen dus leert te bidden: „En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren", dan worden met schuldenaren blijkbaar bedoeld mensen, die tegen u misdaan hebben, die zich op welke wijze dan ook tegen u bezondigd hebben, en die dus schuldig staan tegenover u.

Maar daarbij moet niet worden vergeten, dat hier dan ook wordt gedacht aan schuldenaars, die hun schuld kennen, hun schuld belijden en om vergeving vragen. Dezulken, die u om vergeving vragen, moet gij die vergeving ook schenken. De grote Profeet, Jezus Christus, leert ons dat met klaarheid en met ernst, als Hij vermaant: Indien uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en indien het hem leed is, zo vergeef het hem. En indien hij zevenmaal tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u wederkeert, zeggende: et is mij leed, zo zult gij het hem vergeven" (Luc. 17:3 en 4). Ja, nog sterker drukt de Heiland zich uit, als Petrus tot Hem komt, en zegt: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? tot zevenmaal? " Dan antwoordt de Heere met beschamende kracht: Ik zeg u niet, tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal!" (Matth. 18 : 21 en 22).

„Schuldenaars!" wij zijn "het allen tegenover Gód. Gelukkig degene, die zichzelf als zodanig leert kennen, en die daardoor wordt door de ontdekkende kracht van Gods Woord en Gods Geest een ongelukkig mens, een arme zondaar. Gelukkig? en dat zulk een ongelukkig mens, die zichzelf moet veroordelen en een mishagen krijgt aan zichzelf? Ja, dat zijn de gelukkigen in al hun ongeluk. Want de Middelaar Gods en der mensen leert ze bidden, leert ze bedelen. Uit hun schuldige ziel, uit hun verbroken en verslagen hart, doet Hij opstijgen de bede: „En vergeef ons onze schulden." En deze bede wordt niet afgewezen door een rechtvaardig, maar ook barmhartig God, van Wie wij lezen, dat Hij is gaarne vergevende, en groot van goedertierenheid.

„Schuldenaars!" zijn wij ook allen tegenover onze naaste. Wie heeft gehouden al de geboden van de 2de tafel van Gods heilige Wet? Wie moet niet, als hij tot zichzelf mag komen, belijden: Ik heb tegen al die geboden zwaarlijk gezondigd, en ik ' heb geen derzelve gehouden? O, wat zitten wij bij onze naaste in de schuld! Ook dat moeten wij te zien krijgen. Zonder dat

gaan wij voort met onszelf vrij te pleiten, en al de schuld te werpen op de ander.

Maar, als wij goed krijgen te zien onze schuld tegenover onze vrouw, onze man. onze vader, onze moeder, onze broeder, onze zuster, onze buurman, onze buurvrouw, of tegenover wie dan ook, dan moet de oprechtheid daarvan blijken in het erkennen van die schuld, en het vragen om vergeving. Als dit meer mocht gebeuren, wat zou dat geheel andere, betere toestanden geven in het huwelijk, in het huisgezin, in de familie, in de kerk, in de school, in de maatschappij, ja, op elk terrein!

„Schuldenaars!" — zijn er natuurlijk ook tegenover ü. In dit opzicht hebben wij schuld bij onze naaste, maar onze naaste omgekeerd bij ons. Er zijn beledigende woorden gesproken. In bitterheid heeft men zich tegen u gericht. Achter uw rug heeft men lelijke dingen van u verteld. Vuige laster zelfs heeft men van u verspreid. Men heeft u om kléine verschillen geworpen uit de Kerkeraad, uit de Kerkvoogdij, uit het bestuur van een vereniging. Ja, op zo vele, vele manieren kan men zich schuldig maken tegen u, en dus uw schuldenaar worden. Dat is pijnlijk. Daar hebt gij het moeilijk mee. Dat kan u het leven bitter maken. Gij kunt er niet overheen komen Gij vermijdt die schuldenaars. Ge loopt ze voorbij, alsof gij ze niet ziet. Gij weigert de hand. Gij zoekt misschien zelfs die schuldenaar ook te treffen, en wat u is aangedaan met gelijke munt te betalen. In zulke gevallen wordt zo duidelijk de waarheid gezien van de tekening yan de Schrift: „in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende". En dit leidt somtijds tot verschrikkelijke tonelen, ja zelfs tot misdaden, die voor de rechter, en in die gevangenis brengen.

Van geheel andere dingen spreekt ons de 5de bede, die de Heere Jezus Zijn jongeren leert: „En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren."

Vergeving ontvangen, dat gebeurt niet óm uw vergeven van uw schuldenaren. Dat is de bedoeling van deze 5de bede zeker niet. De Goddelijke vergeving geschiedt niet op grond van enige verdienste uwerzijds. Zij valt u te beurt uit louter genade, om niet, om niet. „En worden om niét gerechtvaardigd, uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is" (Rom. 3:24). Vergeving is er, zoals wij reeds zagen, alleen om des bloeds van Christus wille. Maar wij mogen toch niet vergeten, dat de Goddelijke vergeving en de menselijke vergeving niet van elkander gescheiden mogen worden, dat die . twee ten nauwste moeten samenhangen. Hoe zult gij met vrijmoedigheid de Heere om vergeving kunnen vragen, als haat, toorn, bitterheid, wraakgierigheid in uw hart op de troon zitten? Zegt de Heiland niet: En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve" (Mare. 11 : 25).

En in 1 Tim. 2 : 8 lezen wij: Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting." Het is hier als bij het Avondmaal. Met een onverzoenlijk hart moogt gij niét gaan zitten aan de dis des Heeren. Maar, in boosheid en nijdigheid levende, is voor u ook geen plaats voor de troon der genade. Als er nog enige schuchterheid in het heilige, enige teerheid der ziel bij u is, dan zult gij zo bitter, zo onverzoenlijk niet durven te naderen tot de grote Hartenkenner. Of, als gij de vorm nog behoudt, dan zal toch uw hart u slaan. Dan is het ook bij u: Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen".

„Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren." Dat is dus niet een pleiten op uw vergevingsgezindheid. Neen, het is een toevallen van het recht en van de eis des Heeren. Het is een erkennen, dat Hij dat vergeven van uw schuldenaren met recht van u mag eisen. Het is het afleggen van een gelofte, nl. dat het de begeerte van uw hart, het voornemen van uw wil is, uw naaste te vergeven, wat hij tegen u heeft misdreven. De 5de bede is ook een openbaring van ootmoed, daar gij erkent een veel groter schuld bij God te hebben dan uw naaste heeft bij u. Daar zijn bij zulk een bidder twee vurige, innige begeerten: de eerste is, dat God u zal vergeven al uw grote schulden, die gij bij Hem hebt gemaakt; de tweede is, zelf te mogen vergeven, wat uw schuldenaar u aandeed. En die twee innige, ootmoedige, dringende beden zijn onafscheidelijk aan elkander verbonden. Zij zijn geen van beide vrucht van eigen akker. Die akker brengt voort doornen en distelen. Zij zijn beide vrucht van Gods genade, van bekering en geloof, van de Heilige Geest. Waar die Geest in beginsel het ene werkt, daar werkt Hij in beginsel ook het andere.

De Heilige Geest, een van de drie Goddelijke personen, rekent natuurlijk met beide tafelen van Gods Wet, met de eerste, dat wij God zullen liefhebben met al onze krachten, met de tweede, dat wij onze naaste lief zullen hebben als ons zelf. En met betrekking tot de beide tafelen werkt Hij een beginsel van liefde in het hart van zulken, die van nature God en de naaste haten en Gods geboden met gedachten, woorden en werken overtreden. Dan wordt het: Hoe lief heb ik Uwe Wet, zij is mijn betrachting de ganse dag" (Psalm 119:97).

Het is dus het getuigenis van Gods genade, waarop gepleit wordt. Het is het toevallen van het recht Gods in al zijn eisen. Het is het bidden door de Heilige Geest om schuldvergiffenis, om de rechte verhouding tot God, en om de rechte verhouding tot de naaste. Het is het afleggen van een gelofte der dankbaarheid door dezelfde Geest. Het is de openbaring in het gebed van liefde tot het gebod. Liefde tot God, liefde tot de naaste, zij komen in de 5de bede zo duidelijk aan de dag. Daar wordt een beginsel, een klein, maar een waar beginsel van gevonden in het hart van hem of van haar, die door de Heilige Geest leert bidden: „Onze Vader. Die in de hemelen zijt." En dat komt ook uit in de rijke bede, vol van zelfveroordeling, maar ook vervuld van liefde de bede: „En vergeef ons onze" schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren."

* ^ * * Is deze bede, die spreekt van zulk een machtige verandering in hart en leven, die spreekt bij een, die geneigd is God en de naaste te haten, van een beginsel van liefde tot God en tot de naaste, die èn in het eerste lid èn in het tweede openbaart het getuigenis van Gods genade, is deze bede ook üw bede reeds geworden? Is het niet alleen op uw lippen, maar ook in uw hart: „En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren"?

Ach, leer het toch te bedenken met angst en ontzetting, als deze bede de mijne niet is, dan ben ik nog geneigd God en mijn naaste te haten, dan sta ik schuldig aan de ganse Wet Gods, aan haar beide tafelen; dan zal het eens tot mij klinken: „Ga weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt; Ik heb u nooit gekend!" Wat moet dat niet zijn: van God verstoten, te moeten lijden tot straf het eeuwig verderf van voor Zijn aangezicht! Bid dan Cm de Geest der uitbranding en des oordeels. Bid om de Geest der genade en der gebeden. Bid om het getuigenis van Gods genade in uw hart. Nog is het niet te laat. Maar... hoe lang nog?

En wie zo zich zelf leert kennen en zo leert bidden, wie zo leert 'vragen naar genade en geen recht, naar een Middelaar en Verlosser, die zal het ondervinden, dat God is een Hoorder en Verhoorder van het gebed. Dat te ervaren zij uw deel, zoekende, worstelende ziel. Worde het maar al dringender in uw verlorenheid: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent." < |

„Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren." Dat is en blijft de bede van een arm en ellendig volk, dat op de naam des Heeren vertrouwt. Genade, altijd maar weer genade, dat hebt gij nodig. De christen in de Catechismus bidt u voor, bidt gij met hem mee: Wil ons, arme zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus' wille niet toerekenen, gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is, onze naaste van harte te vergeven." — Léve dat gebed in uw en mijn hart!

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 oktober 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Bede om schuldvergiffenis

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 oktober 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken