Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kan men wel terecht van een toeleidende weg spreken?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kan men wel terecht van een toeleidende weg spreken?

9 minuten leestijd

(2)

In het vorige nummer van ons blad hebben we vastgesteld, dat Calvijn inderdaad een toeleidende weg kent.

Hoe stelt Comrie dat nu voor? Op dezelfde wijze als Calvijn. In zijn „Verhandeling over enige eigenschappen des zaligmakenden geloofs" is de tweede preek gewijd aan de rechtvaardigmaking. Daar beschrijft Comrie wat er aan de rechtvaardigmaking voorafgaat en hoe God de zondaar voor Zijn vierschaar roept. Daar is heel geen sprake van een beginnen met Christus of met de kennis van Christus. Daar is sprake van de predikers, die aan de ziel haar zonde en Gods oordeel bekend maken. Comrie spreekt niet minder van de Heilige Geest, die de ziel een klaar en overtuigend gezicht van haar zonde en ellende geeft. De Geest legt de zonde als een last op de ziel en geeft een allerpijnlijkst gevoel van smart oVer de zonde. Angsten doet Hij ons aangrijpen. Zulks is noodzakelijk om de zondaar een zieke voor de grote Medicijnmeester Christus te maken. Is dit geen toeleidende weg? Comrie zegt: „Elk moet er in zulk een trap zoveel van hebben, om hem een verbrokene van hart te maken en verslagene van geest, zo hij tot jaren van onderscheid gekomen is, eer hij de rechtvaardigmaking ondervonden heeft". De H. Geest werkt bijzonder op het gevoel van vrees. Benauwdheid en verdrukking bevangt de ziel. De Geest zorgt, dat de ziel zeer bang en bekommerd blijft, zodat zij nergens rust kan vinden. Daardoor moet de mens tenslotte voor God verschijnen. Hoe komt hij daar. Als een mens, die de gerechtigheid van Christus ontvangen-heeft? Daar leest men bij Comrie niet van. Mogelijk heeft God ze hem toegerekend , maar de mens heeft ze niet aangenomen en dus heeft de mens er geen troost noch profijt van in zichzelf. Hoe komt hij wel? Als een, die beladen is met een zware last van zonde en ongerechtigheid, terwijl hij de bitterheid daarvan proeft. Hij komt met grote schaamte en walging van zichzelf. Hij beeft en siddert onder het oog van een heilig God.

Daarbij klaagt de Wet Gods hem aan. Zijn gevoelen vliegt hem in 't gezicht, want zijn geweten kiest de kant van God. En wat wordt de zondaar nu gewaar van de gerechtigheid van Christus in zich? Niets. Wat wordt hij gewaar van een wedergeboorte en nieuw leven? Niets. Wat wordt hij dan gewaar? Het vonnis des doods, dat hij in zich toestemt. Dat vonnis gaat over zijn persoon en zijn mooiste daden. Hij houdt zichzelf voor een kind des toorns van nature. Hij acht zichzelf waardig om voor eeuwig van voor Gods aangezicht verstoten te worden. De schuld van zijn ellende neemt hij volkomen op zich. Hij zegt: Heere, gij zijt rechtvaardig, al zoudt gij mij voor eeuwig verdoemen. En nu komt er bij Comrie een puntje, waar we al eens meer over geschreven hebben en dat het volgende behelst: „Uw aandacht kan zien, dat wij niet willen, dat de mens daartoe zou moeten komen om even gewillig te zijn om verloren te gaan als behouden te worden; dat is een gevaarlijke dwaling tegen Gods Woord en onze natuur strijdig; maar daartoe moet hij (wel) komen, om God te billijken en te rechtvaardigen."

Hoe komt hij verder? Hij belijdt voor God zijn zonden, dat ze meer zijn dan zandkorrels op het strand en zwaarder dan de bergen en dat ze om wraak roepen. Hij weent de hele dag. Hij is een treurende en gebrokene van hart. O, wat is het moeilijk.

Ook wordt zijn ziel vernederd, zodat alles wat zich verheft tegen de kennis van Christus en de zalige weg van vrije genade met de grond gelijk gemaakt wordt, hij wordt een smekeling om genade. O God, zegt hij, zijn er bij U niet vergevingen, opdat Gij gevreesd wordt? Hij roept om genade als een veroordeelde om gratie, als een, die in het water ligt om hulp.

En wat doet nu Christus. Zegt Hij tot de zondaar, dat Zijn gerechtigheid reeds lang hem geschonken is. Zegt de Christus tot de Vader dat deze zondaar bekleed is met Zijn gerechtigheid? Niets daarvan. Wat doet de Christus? Hij bidt: Vader, ik zie daar een arme verloren zondaar en hij voelt dat.

Ik hoop. dat hij klaagt en rouwt. Ik heb groot medelijden met hem. Vader. Och. laat hem in het verderf niet nederdalen, ik heb verzoening voor hem gevonden. Dus hoever is deze man nu? Hij is op de rand van het verderf. Daar is hij gebracht wat het inzicht betreft. Kent hij de Christus? Neen, maar deze maakt zich nu aan hem bekend? Hij maakt zich bekend als Een, die volkomen kan zaligmaken. Dit verwekt in de zondaar, die om hulp riep als een verdrinkende onuitsprekelijke begeerten om deel en gemeenschap aan Jezus te hebben. Denk maar aan Hoop. hoe hij op een morgen ontzettend bedroefd was. bedroefder dan ooit te voren en hoe hem toen de Borg geopenbaard werd. Maar de mens is nu zeer bekommerd of de Zaligmaker iemand als hem zou willen hebben. De Heiland maakt daarom zijn bereidwilligheid nader bekend. De mens wordt overreed, dat hij zich maar heeft over te geven. Dat gebeurt. De zondaar kiest de Christus, legt zijn schuld op de Borg en neemt zijn gerechtigheid aan. Hij raakt zichzelf zo kwijt, dat hij het eigendom van een ander wordt. Hier is Zondag 1 vraag 1 begonnen, en een gegrond fundament krijgt hier de zondaar om in leven en sterven getroost te zijn.

Nu komt het vonnis. God spreekt de zondaar vrij van de schuld der zonde en geeft hem een recht op het eeuwige leven. Wat is de grond van dit vonnis? Niets van de mens, want hij staat daar als een goddeloze, maar alleen de genoegdoening van Christus. Hoe krijgt de zondaar de zekerheid van dit vonnis, de mededeling? Het wordt afgekondigd in het Woord, waarin geopenbaard is, dat wie in Christus gelooft, het leven heeft. Het wordt ook aan de gerechtvaardigde bekend gemaakt, 't zij middellijk, 't zij onmiddellijk. Middellijk betekent, dat Gods Geest de ziel verlicht om de kenmerken te zien, die God in Zijn Woord geeft, van degenen, die gerechtvaardigd zijn en hem die in hun eigen ziel doet zien. Zo getuigt de Geest met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.

Onmiddellijk maakt de Geest het vonnis bekend als Hij de vrijspraak zo krachtig op de ziel drukt, dat zij het ten volle gelooft. En wat is nu het middel van deze rechtvaardigmaking? Dat is het geloof, waardoor de ziel zich Jezus Christus toeeigent. Dat geloof is een horen, een zien, een komen en een aannemen. Wanneer de zondaar in de staat der ellende is, hoort hij inwendig de roepende stem van Jezus. Als hij deze hoort en de beloften, wordt zijn ziel bereid te komen. God geeft ook een bijzonder zien. God openbaart met Zijn bovennatuurlijk licht zijn eigen Zoon in de ziel van de ellendigen. Zij zien in Hem een weergaloze schoonheid, voortreffelijkheid, gepastheid en noodzakelijkheid. Daardoor krijgt de Heiland waarde en wordt de liefde werkzaam. De mens begint Hem te kiezen. Hij begint te vluchten en tenslotte omhelst de mens Jezus als Borg. Dat is de lijn die Comrie volgt. Is

het nu zo ernaast als wij op de gevelbalk van een getimmerte onlangs schreven: , , De toeleidende weg". Is dit geen toeleidende weg? En wat wordt er nu in het hart geboren? Vrede met God. De Heere draagt de ziel als in Zijn armen. Hij leidt ze in al het heerlijke en volle, dat in Hem voor de ziel is.

De mens geniet zo'n rust en zo'n vrede, dat het niet uitgezegd kan worden en daar is vrede met dieren en mensen. Wat is dan vervolgens de raad, die Comrie aan de bekommerden geeft. Hij wekt ze niet om te bedenken, dat zij de gerechtigheid van Christus hebben, doch om tot Jezus te vlieden. Begint het nu met Christus of eindigt de ontdekte in Christus? Ik wou maar voorstellen om het er voor te blijven houden, dat er een zoeken is van Christus en een weg tot Hem. Maar eèn wens zij er bijgevoegd. De Heere mocht ons onze zonde zo doen kennen en zo zwaar op de ziel doen wegen, dat we het er niet zonder stellen kunnen. Comrie zegt: „Alleenlijk ken uw ongerechtigheid, opdat gij gerechtvaardigd wordt". Dus een toeleidende weg tot de rechtvaardigmaking!

Ja maar, zal nu misschien iemand nog willen zeggen, hoe moeten wij het dan verstaan, dat Brahé en Comrie eerst spreken van de toerekening van Christus' gerechtigheid. Wanneer deze aan de zondaar is toegerekend, heeft hij ze toch? Zo is het klaarblijkelijk niet bedoeld. De zondaar bezit de gerechtigheid van Christus als hij haar heeft aangenomen. Men leest ook bij Comrie niet, dat hij tot de zondaren in hun ellende en benauwdheid zegt: houd het er voor, dat u de gerechtigheid van Christus reeds geschonken is. Integendeel,

hij spreekt er van, dat de Borg eerst bij de Vader pleit, ziende de vernedering die in de zondaar is en dan Zichzelf aan hem bekend maakt. De toeleiding tot Christus wordt niet in in verband gebracht met de schenking van de gerechtigheid, doch de laatste is veel meer te zien in verband met de uitverkiezing. Gelijk nu de uitverkiezing het lijden en sterven van Christus ten volle noodzakelijk laat, zo laat deze toerekening de voorbede van de Borg in de dadelijke toepassing ten volle noodzakelijk. Waarom beginnen dan Brahé en Comrie met de toerekening? Om de gedachte uit te sluiten, dat ons geloof de grond is van onze zaligheid. Wat volgt er echter op de toerekening volgens de eigen woorden van Brahé en Comrie? Daar volgt niet op de schenking van Christus in het hart, doch van de Geest der overtuiging en ontlediging. Ik hoef er toch niet voor te waarschuwen, denk ik, dat men het niet omkere: wie diep of minder diepe overtuigingen heeft, houde het er voor, dat hem de gerechtigheid _ van Christus geschonken is. Hij zou er bedrogen mee kunnen uitkomen. Immers de overtuigingen, hoe diep ook, kunnen nimmer de grond van ons geloof in Christus zijn en in de toerekening van Zijn gerechtigheid. Daar zijn zoveel algemene overtuigingen. Dus het blijft er bij: alleenlijk ken uw ongerechtigheid — niet opdat gij wete, dat gerechtigheid van Christus u toegerekend is, maar opdat gij gerechtvaardigd worde. Wie wordt er gerechtvaardigd? Die tot Christus, tot het aannemen van Christus is gebracht in een weg van ontdekking!

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 november 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Kan men wel terecht van een toeleidende weg spreken?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 november 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken