Bekijk het origineel

MARIA MAGDALENA

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

MARIA MAGDALENA

19 minuten leestijd

En Maria stond buiten bij het graf, weenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf, en zag twee engelen in witte kleederen zitten, één aan het hoofd, en één aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En die zeiden tot haar: rouwe, wat weent gij? Zij zeide tot hen: mdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben. En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan; en zij wist niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: rouwe, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, meenende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: eere, zoo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Jezus zeide tot haar: aria! Zij, zich omkeerende, zeide tot Hem: abbouni! (hetwelk is gezegd: eester). Jezus zeide tot haar: aak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: k vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. Maria Magdalena ging en boodschapte aan de discipelen, dat zij den Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had. Johannes 20:11 —18.

I.

Laat ons deze geschiedenis, als met den vinger er bij, nauwgezet lezen. Zegene de Heilige Geest onze overdenking voor hart en leven, wanneer wij achtereenvolgens bepaald worden bij

I. ongetrooste droefheid, II. opzoekende genade, III. hooge blijdschap, IV. goddelijke onderwijzing.

I.

Maria Magdalena heeft Paaschfeest mogen vieren, toen zij door den Opgestane bij haar naam werd geroepen, en als antwoord haar „Rabbouni" stamelde.

Aan die ure van hemelsche ontferming en zoete weelde is allerlei voorafgegaan.

Daaraan is voorafgegaan: en leven in de ongerechtigheid. Marcus (16:9) bericht: En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had." En Lucas (8:1.—3) vermeldt onder de vrouwen, die den Heiland dienden van haar goederen, Maria, genaamd Magdalena, „van welke zeven duivelen uitgegaan waren". Zeven is in de taal der Schrift het getal der volheid. De Magdaleensche moet dus een rampzalig slachtoffer van den satan zijn geweest; onbeschaamd en hardnekkig bedreef zij haar kwaad. Menigeen zal haar angstvallig vermeden hebben, en hoofdschuddend hebben gezegd: Van dat mensch komt niets terecht; het is vergeefsche moeite haar nog te vermanen en te waarschuwen."

Doch Christus redde haar verzondigde leven van het verderf. Zij was een dergenen, welke de Vader Hem gegeven had. Hij, die was gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was, had dan ook naar de verdorven vrouw uit Magdala omgezien. Zijn goedertierenheid reikte verder dan haar afdwalingen, Zijn mededoogen reikte dieper dan haar val, Zijn verlossing reikte hooger dan de berg van haar schuld. Hij hief haar op uit het slijk, uit den afgrond, en deed haar ervaren, dat er genezing is onder Zijn Middelaarsvleugelen. Hij reinigde haar hart, en vernieuwde haar gemoed, zoodat de slavin van den booze herschapen werd in een kind van God. Schoone dagen waren gevolgd; zij mocht wandelen in de vreeze van 's Heeren naam, en had lust tot het waarnemen van Jehovah's geboden. Geen wonder, dat zij haar Goël innig lief had gekregen vanwege de overvloedige barmhartigheid, aan haar geschied.

Aan Maria's Paaschfeest is ook voorafgegaan: et pijnlijke gemis van den Heiland. Met smart en verslagenheid had zij op Golgotha en in Jozefs hof gestaan. „En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder, en Zijner moeders zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena" (Joh. 19:25). „En Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden, waar Hij gelegd werd (Mare. 15:47). Zij had gezien, hoe de wondkoorts Zijn gelaat kleurde, en hoe daarna het doodelijk bleek Zijn aangezicht overtoog. Zij had gehoord Zijn roep: Het is volbracht"; in haar ooren klonk het niet als een overwinningswoord, doch als een laatste jammerkreet; want daarna boog Hij het hoofd, en gaf Hij den geest. Haar adem stokte... zij had geen Jezus meer. Zij volgde Jozef van Arimathea en Nicodemus, die 's Heeren lichaam wegdroegen naar een grafspelonk; en het was, of de zware steen, die vóór den ingang werd gewenteld, op haar hart drukte. Eindelijk < — de naderende sabbat drong er toe — was Maria met rood-geschreide oogen naar Jeruzalem weergekeerd. Welk een verlatenheid was over haar gekomen. Hoe triest was de wereld rondom haar; hoe troosteloos was haar ziel in haar.

Nog slechts een enkele daad van eerbetooning kon zij aan den Geliefde verrichten; Zijn lichaam zou zij zorgvuldiger balsemen, dan het in der haast op den Vrijdagnamiddag geschied was. Tergend langzaam kropen de uren van den grooten, feestelijken Paaschsabbat voor de rouwende Magdaleensche voorbij. Des Zondags, bij het ochtendkrieken, had zij met enkele vriendinnen (Mare. 16:1) den moeilijken gang naar Jozefs hof reeds ondernomen. Daar bemerkte zij tot haar verbazing en ontsteltenis, dat de grafsteen, waarover zij zich onderweegs zorgen hadden gemaakt, afgewenteld was, en dat 's Heeren lichaam er niet meer Jag. Wat moest dit beduiden? Maria vreesde het ergste: e vijanden hadden Jozefs spelonk zeker een te deftige begraafplaats voor den gehaten Nazarener gevonden, en Hem daarom elders, in een onaanzienlijken achterafhoek, geborgen. Zij kon het bij de open, ledige groeve niet uithouden; zij liet haar vriendinnen in den steek, en vluchtte weg: u was haar zelfs de plek nog ontroofd, waar haar dierbare Meester rustte!

Aan Maria's Paaschfeest is bovendien voorafgegaan: het ontvangen der teekenen van 's Heeren verrijzenis.

Toen zij de andere vrouwen in haar radeloosheid had verlaten, ontmoette zij Simon Petrus en Johannes, en deed hun verslag van haar bevindingen (Joh. 20 :

2). De beide jongeren spoedden zich daarop naar het graf, doch Maria bleef rusteloos her en der omdwalen. Jozefs hof trok haar echter onweerstandelijk aan, en zoo stond zij na eenigen tijd wederom bij de geopende spelonk. Haar vriendinnen waren er toen niet meer, de twee discipelen ook niet; zij lette daar evenwel niet op, geheel vervuld als zij was van haar schrijnend leed en gemis. Zij dacht aan niemand en niets, dan aan Hem, dien zij voor altoos kwijt meende te zijn..

„En Maria stond buiten bij het graf, weenende", zoo begint onze tekstgeschiedenis. Zij bukte zich voorover, om nog eens te zien naar de plaats, waar, terzijde van den ingang, haar Heere gelegen had. Daar zaten een paar engelen aan het hoofd-en aan het voeteneinde. Gelijk de Joden een wacht geplaatst hadden bij het graf, zoo bestelde God de Vader Zijn wacht in het graf. De hemelboden richtten de vraag tot Maria: „Vrouwe, waarom weent gij? " Snikkende gaf zij ten antwoord: „Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem hebben gelegd." Overigens bekommerde zij zich evenmin om de aanwezigheid der engelen, als om de afwezigheid van haar vriendinnen. De treurende Maria gaf zich geen rekenschap, van wat zij zag en hoorde; zij verkeerde als in een droomtoestand. Zij ontroerde er niet van, toen engelen haar aanspraken, en zij beantwoordde hun vraag, als ware het de gewoonste zaak van de wereld.

Evenwel... engelen in een graf is niet de gewoonste zaak van de wereld! Het graf predikt onze vernedering en vloek; daar wordt Gods vonnis aan ons voltrokken: Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeeren; de bezoldiging der zonde is de dood." Doch de plaats van onze schande en afbraak was op den Paaschmorgen een voorportaal des hemels: ngelen troonden daar, niet in het somber gewaad der rouw, maar in het blinkend witte kleed (Luc. 24:4) van overwinning en blijdschap. Evenals in den Kerstnacht, waren engelen op den Paaschmorgen uitgezonden om te verkondigen, dat Gods ontferming zich neerboog tot een schuldige aarde, en Gods machtige genade zich spreidde over den nood der wereld.

„Zij zag twee engelen in witte kleederen zitten, één aan het hoofd, en één aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En die zeiden tot haar: Vrouwe, wat weent gij? " De engelen waren niet star, gelijk standbeelden, doch verplaatsten zich. Soms waren zij buiten, soms binnen het graf; nu eens werd er slechts één, dan weer werden er méér gezien.

Op de arke des verbonds stonden twee gouden cherubijnen. Het was, of zij het heilgeheim van het verzoendeksel begeerden te doorgronden: hoe de hooge God gemeenschap kan hebben met laag-gezonken menschen. Evenzoo zaten de beide engelen in de grafspelonk, begeerig om in te zien in het wonder, dat Jezus Christus gestorven is voor de zonde, en opgewekt is ter rechtvaardigmaking.

„Vrouwe, waarom weent gij? " In de vraag lag een stil verwijt. Hoe was het mogelijk, dat Maria zielsbedroefd tranen stortte, terwijl haar Heere en Zaligmaker Zijn overwinning vierde? Het was de derde dag na Zijn kruisiging, en was zij dan Zijn voorzegging vergeten, dat Hij ten derden dage weder zou opstaan ? In de vraag lag bovendien vertroosting. De Hemel zag naar haar om; Maria werd uitgenoodigd, haar hart uit te storten, en dan had de Heere zekerlijk balsem voor de wonden harer ziel.

Verwondert het u, dat Maria Magdalena in haar droefenis volhardde, dat zij niet gerustgesteld en vertroost werd, dat zij niet geloofde en den Paaschpsalm aanhief? Zij kreeg allerlei teekenen van de opstanding des Heeren Jezus: de afgewentelde steen, het ledige graf, de zorgvuldig opgerolde lijkdoeken, de engelen... was dat alles nog niet overtuigend genoeg voor haar, die Christus herhaalde malen over Zijn sterven en herrijzen had hooren spreken? Neen, het was niet genoeg. Valt Maria niet hard! Bij de teekenen was noodig een oog, om op te merken, en een hart, om te verstaan; en deze zaken heeft een mensch niet van zichzelven. Bij de teekenen was noodig de onderrichting, de verklaring, welke alleen de Heere Zelve kon geven. Daarom is tenslotte aan Maria's Paaschfeest voorafgegaan: de opzoekende genade - — doch daarover hebben wij straks nader te handelen.

Al blijven er op ondergeschikte punten velerlei verschillen •— toch vinden Gods kinderen zich, wat de hoofdzaken betreft, in de Magdaleensche terug.

Ook hun weg begint met een leven in de zonde. Van nature zijn wij, evenals Maria, door den satan gebonden. Wij zijn slaven van den vader der leugen, die een menschenmoorder is. Onze ongerechtigheden mogen al of niet ergerlijk worden geheeten — in het wezen der zaak zijn zij één: wij staan met den rug naar den Heere God toe, onwillig en onmachtig om Hem welbehagelijk te zijn. Daarom liggen wij, gelijk Maria, voor Hem in de schuld, dragen wij Zijn toorn, rijpen wij voor het oordeel.

Het is een gunstbetooning, zoo ons oog voor deze harde waarheid opengaat. Dan is het met onze gerustheid en zelfgenoegzaamheid gedaan; maar dan is tevens de voorwaarde geschapen, om van onze ellende te worden bevrijd, en om barmhartigheid te verkrijgen en geholpen te worden ter bekwamer tijd.

De Schrift leert, dat de kennis aan ons verzondigd leven noodzakelijk is. Wie daarvan niet weten wil — en ons aller vleesch verzet er zich tegen — zal nimmer geraken tot de verlossing, die in Christus Jezus is.

Hij, die door de ontdekking des Geestes tot een aanvankelijke zelfkennis tegenover een heilig God kwam, zal trachten zich te beteren, en zijn schuld af te boeten. Het is een verootmoedigende en bittere ervaring, dat wij met het werkverbond geen stap vorderen, dat wij niets waarlijk herstellen, dat wij geen enkele offerande vermogen aan te bieden, welke in Gods oogen zuiver wordt bevonden. „Is er geen middel ter ontkoming? " — zoo roept de in het nauw gedreven, doodgewerkte ziel. En dan is de reddende hand des Heeren nabij. Hij trekt uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht; Hij stelt in de ruimte, en geeft een nieuw lied in het hart. De mond roemt in schuldvergiffenis en vrije gunst; de ziel gevoelt zich innig verbonden aan den Heere. Het is lente in het gemoed; de bloesems van geloof, hoop en liefde breken open.

Maar er volgen andere tijden; tijden van bestrijding en afdwaling, van verflauwing en magerheid. Het is, of de Heere terugwijkt, ja, of Hij geheel verdwenen is. De donkerte, welke op den goeden Vrijdag over Maria kwam, omwikkelt de ziel. De blijdschap is weg, de lente is weg, het geloof is weg. Men kan nergens meer bij, en gedenkt zuchtende de vroegere dagen der eerste minne. Met de Magdaleensche wordt geklaagd: „Ik zocht Hem, dien mijn ziel liefheeft, maar ik vond Hem niet; ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet."

Zijn de gunstgenooten ganschelijk verstooten? Neen, neen, er zijn nog wel teekenen van 's Heeren trouw en ontferming. Het Woord mag in de binnenkamer gelezen, en in de samenkomsten der gemeente beluisterd worden. Andere kinderen Gods getuigen, van hetgeen de Hemel aan hun ziel heeft gedaan. Er zijn leidingen in het leven, welke nopen tot de erkentenis: „Hier is Gods vinger, hier zijn 's Heeren voetstappen." Doch de bedrukte heeft aan de teekenen niet genoeg, hij heeft Jezus Zeiven noodig. Al sprak een engel ons toe, het zou ons evenmin baten als Maria. De smeeking van de bruid uit het Hooglied wordt bij inleving verstaan: „Keer om, mijn Liefste; word Gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether." Het bedroefde Maria-hart wordt alleen door Christus' opzoekende genade getroost en verkwikt. * * *

„Maria stond buiten bij het graf, weenende.'' Zij „stond" er; het was geen haastig, vluchtig bezoek, neen, zij kon zich van de plaats niet losmaken; haar liefde, haar smart, haar gedachten hielden haar aan die plek gebonden. „Weenende" stond zij er. Zij schreide, omdat zij haar Jezus kwijt was, en zelfs niet wist, waar Zijn lichaam lag. Zulke tranen zijn dierbaar in Gods oog, en worden in Zijn flesch vergaard.

De onbekeerden zijn vreemd aan Maria's zielegestalte, en de oppervlakkigen halen de schouders op over hen, die deel hebben aan Maria's smart. Hoe vaak hooren wij het woord „ziekelijk" mompelen, wanneer een weleer begenadigde ziel terneergebogen en in het zwart gaat. Heel wat hedendaagsche kerkmenschen vergenoegen zich met een geloof, dat zij zichzelf hebben toegelegd; zij kunnen altijd danken en zingen, want de Heere is im-

mers steeds nabij. Korzelig wenden dezulken zich af van een, die met Maria klaagt: , , 'k Heb U voorwaar in 't heiligdom voorheen beschouwd met vroolijk' oogen; maar thans is Jezus weg uit mijn Bijbel, uit mijn gebed, uit mijn leven, uit mijn hart."

Lezers, lezeressen, het staat niet goed met u, indien gij onkundig zijt aan het Maria-leed; want wie Jezus nimmer mist, heeft Hem nooit waarlijk bezeten. Liever de tranen van de Magdaleensche, dan de liederen van de gerusten in Sion, en de gestadige opgeruimdheid der zekeren op den berg van Samaria.

„Als zij dan weende, bukte zij in het graf." Zalig bukken! Want wie in 't stof ligt neergebogen, wordt door Hem weer opgericht. De Hoera-christenen verachten de Maria-houding van het bekommerde volk; zij zijn veel fermer, en steken dag aan dag het hoofd fier omhoog. Het is een ongezonde bekrompenheid of dweepzucht, zoo oordeelen zij, om het hoofd te laten hangen, alsof Jezus dood ware.

Lezers, lezeressen, bij die „stoere" geloovigen gevoel ik mij niet op mijn gemak. Hebben zij de Schrift wel op hun hand? Is er wel een waar werk door den Hemel in hen gewrocht? Het is beter met Maria en al Gods lievelingen te reizen, dan met de kordate bedillers; wie genade kennen, kennen ook de klacht van Job: „Ga ik voorwaarts, zoo is Hij daar niet, of achterwaarts, zoo verneem ik Hem niet."

II.

Toen Maria Magdalena door zeven duivelen geboeid was, zocht de Heiland haar op, en dit sloot in zich, dat haar heilzon ging dagen. Door de gebeurtenissen van Golgotha lag zij andermaal gekneld in banden van den dood, en er zou geen uitkomst wezen, tenzij de opzoekende genade zich bij vernieuwing aan haar verheerlijkte.

„En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan; en zij wist niet, dat het Jezus was. En Jezus zeide tot haar: Vrouwe, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, meenende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zoo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen." Het gesprek met de engelen werd niet voortgezet, en Maria bleef ten prooi aan haar hopelooze verlatenheid. Wellicht hoorde zij eenig gerucht achter zich, dat haar deed omkijken. Daar stond iemand. Het was de Verrezene, doch zij herkende Hem niet. Zij herkende Hem ook niet, toen Hij haar aansprak. Wel een bewijs, dat zij 's Heeren opstanding allerminst verwachtte. Maria veronderstelde, dat het de hovenier was, die den tuin van Jozef van Arimathea moest onderhouden, en zeide: „Mijnheer, zoo gij Hem weggedragen hebt..." Zij gaf niet duidelijk aan, Wien zij bedoelde; och, voor haar bestond er op dat oogenblik maar één „Hem", en zij gaf er zich geen rekenschap van, of de vermeende hovenier haar wel begreep.

„Ik zal Hem wegnemen"; waarschijnlijk was zij van zins. het lichaam haars Heeren terug te brengen in de spelonk. Niet haar verstand, enkel haar liefde was aan het woord; want zij overwoog niet, dat zulk een last te zwaar voor haar schouders zou wezen.

Maria Magdalena vergiste zich. toen zij den opgestanen Christus voor Jozefs tuinman hield. En toch is Hij de Hovenier. Als zoodanig heeft Hij Zichzelven geteekend in de gelijkenis van den onvruchtbaren vijgeboom (Luc. 13:6—9). De eigenaar van den wijngaard was voornemens den boom, die niets opleverde, te laten omhakken; doch de tuinbaas, de wijngaardenier, pleitte: Mijnheer, laat hem ook nog dit jaar." Zóó treedt Christus in, zóó is Hij de Voorspraak bij den Vader, ten behoeve van een volk, dat Hem oneer aandoet, ondanks al Zijn trouwe zorgen. De Heere Jezus is de Wijngaardenier, de hemelsche Hovenier. Als zoodanig heeft Hij Zich aan de Magdaleensche geopenbaard. Toen zij weenende bij het graf stond, was haar ziel dor en doodsch, gelijk een tuin in den winter; er geurde geen bloem, er kleurde geen fruit, en een kille wind speelde zijn wreede spel met het eenig levende, dat er nog was: en schreiende liefde. Doch de opzoekende genade van den Hovenier verrichtte wonderen; Maria, een voorwerp van deernis, werd een toonbeeld van geluk. Jes. 35 : 7 vond bevestiging: In de woningen der draken — het barre oord, waar niets wil gedijen — zal gras met riet en biezen zijn." En 's Heeren stem mocht nooden: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schoone, en kom! Want zie, de winter is voorbij, de bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt" (Hoogl. 2 : 10 e.v.).

Zoo is het nog: de opzoekende genade van den hemelschen Hovenier verdrijft den dood, en wekt het leven. Kostelijke waarheden liggen in deze weinige woorden besloten. O, als de Sionieten er van gaan vertellen, zijn zij niet spoedig uitgepraat.

Om te beginnen: de groote Hovenier heeft den bodem toebereid; want van nature ontbreekt de teelaarde, en steken naakte rotsblokken hun punten omhoog. Het was een zwaar werk, toen Christus, gedurende de dagen Zijns vleesches in deze wereld de plaats formeerde, waar Zijn Kerk zou worden geplant; het heeft Hem tranen en zweet, ja, Zijn hartebloed gekost.

Wij mogen het ook anders zeggen: door de zonde is de wereld wanschapen tot een verwilderden, gevloekten hof, vol doornen en distels. De groote Hovenier heeft den strijd aangebonden tegen de woekergewassen; Hij droeg er zelfs een spotkroon voor, die Zijn heilig hoofd meedoogenloos verwondde. Doch het vruchtgevolg is, dat voor een doorn een denneboom, en voor een distel een mirt zal opgaan.

Met betrekking tot de toebereiding van den hof mocht Christus naar waarheid verklaren: „Het is volbracht." En nu kwam Hij aanstonds op den Paaschmorgen in opzoekende genade den arbeid Zijner ziel toepassen aan Maria Magdalena. De Hovenier heeft Zijn werk voortgezet in Simon Petrus, in de Emmaüsgangers, in de elven... in een schare, welke niemand tellen kan.

De opzoekende genade wijdt haar aandacht aan al, wat zij in den hof heeft geplant. Christus waakt over de eikeboomen der gerechtigheid, de ceders en de palmen; de lagere heesters ontgaan niet aan Zijn oog; en ook de onaanzienlijke kleintjes, die onze voet zoo licht vertrapt — het madeliefje, de hondsdraf en het mos — zijn bij Hem geenszins vergeten. Wat beteekende Maria Magdalena naar wereldschen maatstaf, vergeleken bij Kajafas, Pilatus of Rome's keizer? Bitter weinig! Maar de Hovenier oordeelde anders; Hij zocht haar op, zelfs nog eerder dan de discipelen.

De opzoekende genade verschaft aan elk gewas, wat het noodig heeft. Sommige planten vragen veel zon, andere tieren het best op een beschaduwde plaats; deze heeft overvloedig water noodig, gene verlangt droge aarde. O, daarom is er zulk een verscheidenheid in Gods leidingen met Zijn Sionieten. Al naar dat de Hovenier het nuttig acht, zet Hij Zijn gekenden beurtelings in voor-of tegenspoed, en geeft Hij hun een ruime genieting van Zijn heilsgoederen, of een karig deel. Mort niet, ziet niet afgunstig naar anderen, doch vertrouwt de wijsheid en goedheid van den Hovenier.

De opzoekende genade zal niet toelaten, dat eenige vijand de gewassen in 's Heeren hof vernielt. Toen Maria weenende bij het graf stond, knaagde een worm wreedaardig aan de wortels van haar zieleleven. Maar Christus bevrijdde haar van de doodelijke bedreiging. Nog maakt Hij Zijn woord waar: Opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik den wijngaard bewaren nacht en dag" (Jes. 27:3). En wederom: Ik zal om uwentwil den opeter schelden, dat hij u de vrucht des lands niet verderve" (Mal. 3:11). De opeter — dat zijn stieren van Basan, everzwijnen en vossen, die in den hof willen doordringen; maar ook rupsen, luizen en schimmels, die niet minder gevaarlijk zijn.

De opzoekende genade gedoogt niet, dat de hof kaal wordt. Gestadig vallen boomen, heesters en planten uit. Wij vreezen soms, dat de plaatsen, door lieve kinderen Gods bezet, na hun ontslapen ledig zullen blijven. Doch de vrees is ongegrond. Wanneer Maria Magdalena en Kleopas en Johannes zijn heengegaan, verwekt de Hovenier nieuwe gewassen, waarin Hij Zijn verlustiging vindt. Wel heeft de hof niet altoos een even weelderig aanzien. Naar het ons voorkomt, beleven wij een in geestelijk opzicht schralen tijd. Onze smeeking worde er door aangewakkerd: Ontwaak, Noordenwind, en kom, gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, opdat zijn specerijen uitvloeien" (Hoogl. 4 : 16).

De hemelsche Hovenier heeft het geheel voor Zijn rekening. Wat een rust!

De Heere roept Paulus en Apollos, om te planten en nat te maken, doch van Hem is de wasdom (I Cor. 3:6). Onze inspanning en ons overleg kunnen geen grassprietje doen groeien. De opzoekende genade evenwel waarborgt, dat onze arbeid in den Heere niet ijdel zal wezen. Wat een rust! Wij zullen doen, wat onze hand vindt om te doen; en voorts mogen wij ons te slapen leggen (Mare. 4 : 27), want Christus vernieuwt het gelaat des aardrijks, en onderhoudt Zijn hof door de kracht Zijner opstanding. En... hoe zal het Ginds wezen, in de gaarde, die gelegen is aan de rivier, klaar als kristal!

Gelukkig, wie met Maria den Hovenier mag ontmoeten.

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 april 1952

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

MARIA MAGDALENA

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 april 1952

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken