Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het gebed uit de lijdensnacht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het gebed uit de lijdensnacht

14 minuten leestijd

En omtrent de middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen, en de gevangenen hoorden naar hen.

Handelingen 16 : 25.

(2)

De vorige week mochten wij met elkander mediteren over de beproeving van de lijdensnacht. Dat moest gebeuren in verband met het: En omtrent middernacht" van Handelingen 16 : 25. Dat is toch allereerst wel omtrent de middernacht in de natuur, omtrent het middernachtelijk uur met z'n twaalf indrukwekkende slagen, als alles ademt stilte en rust, wat het uitwendige betreft tenminste. Maar het is ook de tijd, waarop op zo menig bed zoveel wordt overpeinsd, tot moe wordens toe, zoveel wordt afgetobd en afgeworsteld. Dan komt zo menigmaal alles op u aan, waarover gij zorg hebt. En omtrent de middernacht wordt zo vaak de zorg bezorgdheid. Gij kunt het niet van u afzetten, niet kwijt raken. Welke middelen gij ook gebruikt, tot het tellei. van misschien wel tot honderd toe, tot het opzeggen van psalmen en geestelijke liederen toe, zo menigmaal mag het niet baten. En in uw angst dat de nacht zo zal voorbijgaan, neemt gij misschien de toevlucht tot een of ander verdovend middel.

„En omtrent de middernacht" — dat doet ons dus allereerst denken aan de plechtige, maar nu hamerende slagen, van klokke twaalf, van de nacht in de natuur.

Maar er ligt in dit woord dieper diepte, een angstwekkend perspectief. Wij stonden er bij stil, dat er zo velerlei soorten van nacht zijn. Er is zoveel duisternis op de aarde, in uw leven, in uw huwelijksleven, in uw zakenleven. Er is zoveel donker van het omtrent de middernacht in het leven der volkeren, met betrekking tot de staatkunde, de maatschappij, de school, en zoveel meer.

En dan vooral, als wij denken aan de kinderen Gods, dan rijst vanzelf de gedachte op aan zoveel gééstelijke duisternis, als de bittere vrucht van uw aardsgezindheid, van uw wereldgelijkvormigheid, van uw vele, vele zonden, van uw biddeloosheid, van uw ongeloof, van uw gebrek aan hoop en aan liefde. En o, als dan de Heere Zijn vriendelijk aangezicht voor u gaat verbergen, wat wordt het dan donker! Menigmaal wordt er in de Heilige Schrift gesproken over die verberging van Gods aangezicht, b.v. „Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen? " (Ps. 13:2) of: O, Heere! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid? " (Ps. 10 : 1). In die benauwdheid komt het dan tot het gebed:

Mijn hart zegt mij, o Heer', van Uwentwege: Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht; (Dat wil, dat zal Ik doen; ik zoek de zegen Alleen bij U, o Bron van troost en licht.

Verberg toch niet Uw oog van mij, o Heer', Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer.

Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet; O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.

Ja, daar moeten wij het zoeken als het is, uitwendig of inwendig, voor dit leven of voor het toekomende, „omtrent de middernacht". Wij moeten het zoeken, door gebeden zoeken, met ernst zoeken, bij Gods aangezicht. Dat zal dan weer over u lichten. Zo alleen wijkt de duisternis, en wordt het weer licht. In Psalm 80, in een en dezelfde Psalm, wordt daarom gesmeekt door de dichter, die het in het donker niet meer kon uithouden, tot tweemaal toe met dezelfde woorden:

Getrouwe Herder, breng ons weer! Verlos ons; toon ons 't lieflijk licht Van Uw vertroostend aangezicht.

Ja, dat hebt gij dan nodig, dat God in Christus u toont 't lieflijk licht van Zijn vertroostend aangezicht. En dat hebt gij niet eenmaal nodig, maar iedere keer weer, als het door uw schuld voor de zoveelste maal zo donker is, want de dagen der duisternis zullen vele zijn. Niet onze goede voornemens zijn voldoende, maar alleen Gods genade, Zijn kracht en Zijn trouw. Dat blijkt ook uit de geschiedenis van een eenvoudig christen, die door pijnlijk lichaamslijden vaak zeer ongeduldig werd. Op zekere avond kwam hij hoogstgelukkig en opgewekt uit een godsdienstige samenkomst. „Vrouw", zei hij, „vandaag heb ik het zo goed gehad, dat ik gaarne alles wil dragen, wat de Heere mij oplegt, en ik wil niet meer ongeduldig en heftig worden, als mijn pijnen komen.

Wij hebben gezongen, en elkaar de hand gegeven! Liever zévenmaal de smeltkroes, Dan van U gescheiden, Heer'! Vrouw, schrijf dat vers op de kamerdeur, doA schrijf niet 7, maar 70."

Z'n vrouw schreef zeventig. In de nacht echter kwamen bij onze vriend de pijnen, al zwaarder en smartelijker, zodat hij zich kromde als een worm. Een poos hield hij zich goed; zonder klagen en morren, en keek onafgewend naar het vers op de kamerdeur. Maar tenslotte hield hij het niet langer uit. „Vrouw", riep hij, „wis de nul uit, wis de nul uit!"

Hier zien wij: et is beter aan de Heere over te laten het getal der smeltkroezen, in welke Hij ons louteren wil. Ons getal valt meestal óf te klein, óf te groot uit. En dan met dit alles tot de Heere, al is het omtrent de middernacht. De grote Hoorder van het gebed nodigt ons Zelf zo dringend: Roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren" (Ps. 50 : 15).

Wij keren nu terug tot Paulus en Silas in de gevangenis van Filippi. Wij willen nader kennis maken met deze gevangenen in de nacht van zo grote beproeving. Paulus en Silas omtrent de middernacht met bebloede ruggen, in de binnenste kerker, met de voeten in de stok, zijn door God geleid in de beproeving van een donkere lijdensnacht. Hoe zijn zij daar toch wel onder? Moedeloos? Twijfelziek? In opstand? In zenuwachtige angst?

Wij zoeken het antwoord in onze tekst. Wat lezen wij daarin? — En omtrent de middernacht baden Paulus en Silas." — Paulus en Silas baden uit de lijdensnacht. Zij zoeken het bij hun Gód. Voor Hém leggen zij hun toestand bloot. Zij smeken als de Jeruzalemse gemeente weleer: „En nu dan, Heere! zie op hun drei-, gingen."

Paulus en Silas bidden. Wat zouden zij toch wel gebeden hebben? — Ongetwijfeld hebben zij gebeden om ondersteuning, want hun krüis was zwaar, en hun kracht klein. En omdat zij ook méns waren met een menselijk hart, voor smart

gevoelig, hebben zij stellig ook gebeden om vertroosting. Zij hebben ook wel niet vergeten te bidden voor hun vijanden. — En vooral geloven wij, dat zij gebeden hebben, dat het Evangelie zijn loop mocht hebben, dat het Koninkrijk Gods mocht komen, dat de aarde vol mocht worden van de kennis des Heeren gelijk de wateren de bodem der zee bedekken. Zij waren echte zendelingen, brandend van liefde voor de zielen der heidenen, en bovenal voor de naam en de zaak des Heeren.

Wij kregen al medelijden met Paulus en Silas, toen wij dachten aan dat afscheuren van hun klederen, die bloedige geseling, die binnenste kerker, die voeten in de stok. Maar nü, nu wij mochten letten op hun gebéd uit de lijdensnacht opstijgend, nu zijn wij jaloers op ze. — Die kerker is niet geslóten, neen! er boven is een geopende hemel, een vrije toegang tot de troon der genade. Die geboeiden zijn niet gebonden: op de vleugelen des gebeds mogen zij zich verheffen, hoog en vrij, tot God in de hemel. Al is het omtrent de middernacht, het is niet donker in die binnenste kerker. De ladder Jakobs is daar opgericht, en de engelen klimmen daarbij op en neder. Biddende in de gevangenis is oneindig veel beter dan biddeloos in een paleis.

Wat is het in de nacht van lijden en smart menigmaal anders! — Uit die duisternis klinkt op het dreigen, het schelden van mensen en machten, die kwalijk behandelden, het murmureren tegen en vloeken van God, Die met Zijn oordelen komt. < — In die nacht zit menigeen moedeloos neer, zonder levenskracht en levensmoed. Hoevelen ook lopen rusteloos rond, gelijk in onze dagen, in angstige bezorgdheid, in slopende zenuwachtigheid!

O, arme mens, die niet weet, wat bidden is, bidden niet slechts met de lippen, maar met het hart! Arme mens in dagen van voorspoed zelfs, want, al hebt gij nog zoveel, gij mist het voornaamste. Onder uw vele parelen wordt niet gevonden de parel van grote waarde, de parel van het bidden dus ook in Jezus' naam. Arme mens vooral in dagen van tégenspoed en beproeving, die niet weet, wat bidden is, bidden uit de lijdensnacht. Al tracht gij u groot te houden, al probeert gij uzelf te troosten, gij zijt, en blijft diep ongelukkig, omdat gij geen toevlucht hebt, omdat gij zijt: „zonder God in de wereld". Wij hebben diep medelijden met u. Moge de Heilige Geest u aan uw armoede ontdekken!

Uit de nacht van het lijden klimt niet altijd het gebéd op, zelfs niet bij Gods kind. Ach, wat kunt gij biddeloos zijn in moeilijke dagen! Wat kan het koud, onrustig van binnen zijn! Geen vertedering, maar murmurering. Gij beschuldigt, als Asaf, de Heere van onrecht. Maar ook daar kunt ge geen vrede bij hebben. Gij, die andere tijden hebt gekend, gij gevoelt, dat donker van binnen is veel erger dan het donker van buiten.

„Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde." O, dat de gedachte aan Paulus en Silas in de kerker u opwekke! Met alles tot de grote Hoorder des gebeds. Tot Hem vrijmoedig voor al wat u ontbreekt. Zo liefelijk wekt u daartoe op de man Gods van de oude dag:

Vertrouw op Hèm, o volk! in smart; Stort voor Hem uit uw ganse hart; Gód is een toevlucht t' allen tijde.

Wij hebben een nog veel heerlijker voorbeeld dan dat van Paulus en Silas, nl. het voorbeeld van de Man van Smarten, Jezus Christus. In de nacht, waarin Hij verraden werd, in de lijdensnacht van Gethsémané, valt Hij met Zijn aangezicht ter aarde, en Hij bidt: „Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan. - — Doch niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede."

Welk een zégen is het, als bet daartoe komen mag, tot dat uitspreken van uw smart voor God, tot dat rusten in Zijn wil en welbehagen! Het is zo smartelijk misschien geen mens te hebben, aan wie gij uw hart kunt openbaren. Als uw hart in u overstelpt is, dan doet het u zo goed, als er een mens is, aan wie gij uw leed kunt klagen. Maar, hoe kostelijk is het dan niet voor Góds troon eens uit te mogen klagen, ervarend: „Mijn klaagstem drong tot in Gods troonzaal door." Dat doet goed. Dat maakt kalm. Dat geeft innerlijke rust.

Welk een zegen voor een vólk in de lijdensnacht ook, als er nog bidders gevonden worden, — en ze ontbreken in Nederland toch nog niet, - — bidders, die in de dag der benauwdheid, uit de macht van het lijden, de Heere aanroepen voor land en voor volk.

Moge het door de werking van de Geest der genade en der gebeden zijn, of worden onder ons, gelijk de oude hofprediker, Ds Weiter, die, meelevend met Vorstin en volk, op 90-jarige leeftijd, de 13e Mei 1940 dichtte, naar aanleiding van het vertrek van onze Koningin, in bange uren:

Neen, 't was geen vlucht, die U deed gaan, Maar vólgen, waar God riep! 'k Vraag niet, wat in U is doorstaan, Een strijd, hoe zwaar, hoe diep...

Wij knielen naast, en met u neer, Tot God de blik de hand: Geef Neêrland aan Oranje weer, Oranje aan Nederland!

En kome dan, wat komen mag, W' aanbidden, zwijgen stil.

De nacht zij zwart, omfloerst de dag, Geschiede, Heer', Uw wil.

Onder het kruis leren wij door de Geest, Die het als middel vaak gebruikt, dieper nadenken, dieper bidden. Er komt meer ernst in onze zièl, in ons léven. Door het gebed in de lijdensnacht wordt het geloof versterkt, zodat gij meer van alles en allen afgebracht, leert lopen met lijdzaamheid de loopbaan, die u voorgesteld is, ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Die voor de vreugde, die Hem voorgesteld is, het kruis heeft verdragen en de schande veracht. Zo aanschouwt gij in de donkerste nacht een liefelijk licht, het licht van vriendelijk aangezicht. Gods

Ja, er gaat kracht uit van het gebed uit de lijdensnacht. Onder zulk een gebed wordt gevoeld de nabijheid des Heeren, wordt genoten Gods verborgen omgang. Weet ook gij reeds, wat het is omtrent de middernacht te bidden? Hebt gij dat wel eens mogen doen? Hebt gij de verlichting, de troost, de kracht er van, wel eens ervaren in bange dagen?

Omtrent de middernacht bidden, zoals Paulus en Silas, „en omtrent de middernacht baden Paulus en Silas", dat blijft niét onopgemerkt in de hemel. Daar gaat kracht van uit. Zulk bidden blijft niet zonder antwoord. Wij denken aan Jakob toen hij gehoord had, dat Ezau hem tegemoet trok en 400 mannen met hem. In de nacht deed Jakob zijn vrouwen, zijn elf kinderen en al wat hij had, over de Jabbok trekken. Doch Jakob bleef alleen over, en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. Gij weet, dat Jakob die plaats Pniël noemde; want, zeide hij: „ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest." Ja, dat is groot omtrent de middernacht in gebedsworsteling met de Heere te mogen zijn, in de nood van uw leven, in de nood vooral van uw ziel. Gelukkig degenen, die er kennis aan mogen hebben. Er zijn hier naast Paulus en Silas, naast Jakob en zo vele bijbelheiligen, en vooral achter de biddende Hogepriester, onze Heere Jezus Christus aan, zoveel anderen biddende geweest omtrent de middernacht. Als dit zo mag zijn, dan is de Heere Jezus zulke zielen in nood zeer nabij. Ik denk hier aan die nacht, waarin de discipelen zich bevonden zonder hun Meester op het schip midden in de zee, zijnde in nood van de baren, want de wind was hun tegen. Het was ook hier weer „omtrent de middernacht". De Heere Jezus was geklommen op de berg, alleen, om te bidden. Het was al geworden de vierde wake des nachts.

O, welk een nacht, in meer dan één opzicht, „Maar", en het is een heerlijk „maar", het is het „maar" van de ontferming, van de trouw des Heeren, Hij laat de Zijnen niet omkomen. Hij is bij hen niet alleen alle de dagen, maar ook alle de nachten. „Maar", ter vierder wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee, en Hij openbaarde Zich aan die vreesachtige jongeren met Zijn: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet" (Matth. 14 : 27).

Wat is dat een wonder van genade als de Heere tot ons komt omtrent de middernacht. Dan maakt Hij het weer waar: Op uw noodgeschrei deed Ik grote wonderen." En dan wordt het ervaren: Ook verduistert de duisternis voor u niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht" (Ps. 139 : 12).

Omtrent de middernacht baden Paulus en Silas. Dat is heerlijk. Dat is om jaloers op te worden.

„Maar „omtrent de middernacht" zoner God in de wereld, dat is vreselijk. Geen toevlucht te hebben in nood en ood. Ik hoop, dat gij het vreselijke daar-

van te zien zult krijgen. Want zonder ontdekking en zonder redding, zonder het geloof in de Heere Jezus Christus, zal het vooral in de ure van uw sterven zijn „omtrent de middernacht". Zo is de dood de bezoldiging der zonde. Zo is de dood een doorgang tot de eeuwige dood, tot de buitenste duisternis, waar is wening en knersing der tanden. Maar nu is het, Gode zij dank! nog de tijd voör het gebed uit het „omtrent de middernacht" van het verloren gaan in uzelf, en voor het stralen van het licht der wereld, van de Zonne der gerechtigheid. Koop die tijd toch uit, want er is maar als één schrede tussen ons en de dood.

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 22 August 1953

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Het gebed uit de lijdensnacht

Bekijk de hele uitgave van Saturday 22 August 1953

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken