Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Heere, wie zal bestaan?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Heere, wie zal bestaan?

10 minuten leestijd

Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Psalm 130 : 3.

Het werkverbond is verbroken. De mens zelf heeft het gedaan. En toch willen wij altijd weer onze eigen gerechtigheid oprichten en onze eigen zaligheid uitwerken.

Zie het in Saulus van Tarsen. Met al de kracht, die in hem was, trachtte hij zich Gode welbehagelijk te maken. Een stipt Farizeër was hij, niet behorend tot de schare, die vervloekt is, omdat zij de wet niet weet. Gezeten aan de voeten van Gamaliël, had hij vol eerbied opgezien tot zijn wijze leermeester. Hij was overvloedig ijverig voor de vaderlijke inzettingen. Hij had een ijver tot God, al was het dan ook niet met verstand. Zo kwam hij er toe, om tegen de naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen te doen. Uitnemend zeer vervolgde hij de gemeente Gods.

Ja, mijn lezer, daartoe komt het, als gij door uw eigen werken zalig wilt worden. Menend Gods wil te doen, gaat gij er lijnrecht tegen in. Kunt gij u verschrikkelijker zelfmisleiding indenken?

En toch — hoevelen zijn er niet ook heden ten dage, die niet willen leren van het voorbeeld van Paulus, die Paulus niet willen geloven, als hij na zijn bekering tot het besluit komt: uit de werken der wet wordt geen vlees gerechtvaardigd voor God. Het getrouwe en alle aanneming waardige woord, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, wordt niet aangenomen.

Hoewel God de Heere het werkverbond had gesloten, heeft de mens het verbroken. Nu het genadeverbond is opgericht, wil de natuurlijke mens van genade niet weten. Hij wil werken. Maar ach! daarin juist, dat hij zichzelf een weg wil banen, verwerpt hij de enige weg ten leven door God Zelf gegeven, nl. Jezus Christus, de Middelaar Gods en der mensen.

Wat is het dus nodig, dat wij ontdekt worden door Woord en Geest! Wij moeten ook ontdekt worden aan de redding, die er is door en in Christus Jezus.

Die tweeërlei ontdekking hebben wij nodig bij de aanvang. Die tweeërlei ontdekking hebben wij nodig bij de voortgang. Tot aan het einde van ons leven hebben wij er behoefte aan. Het wordt ons in Gods Woord zo kras, zo aangrijpend voorgesteld, als ons wordt ingescherpt: Graaf maar dieper, o, mensenkind, en gij zult meer gruwelen vinden." Aan dat dieper graven komt in dit leven nooit een einde. Leve in ons hart die behoefte om dieper te graven, nu wij met elkander hebben te mediteren over Psalm 130 : 3:

Zo Gij, Heere de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?

Bij de behandeling van de twee eerste verzen van Psalm 130 werden wij bepaald bij de woorden: „Uit de diepten roep ik tot U, o Heere! Heere, hoor naar mijne stem; laat Uwe oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen."

Wij zagen bij de overdenking van die woorden:1. in de diepte ligt een verbrokene van hart, maar ook 2. uit de diepte roept een arme smekeling, en ten 3e: oven de diepte neigt God Zijn horend oor.

Gelukkig degene, die kennis mag hebben aan dat roepen uit de diepten, die met al zijn nood en ellende, naar lichaam en naar ziel, voor de tijd en voor de eeuwigheid, leert vluchten tot Hem, Die op zulke verbrokenen van hart, op zulke arme smekelingen in de diepte, acht geeft, naar ze luistert.

En wat wordt er nu uit de diepten geroepen door de Psalmdichter? — Dat vinden wij in onze tekst: „Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt."

Wij verdiepen ons nu eerst in de oprechte belijdenis van schuld, die hier uit het door schuldbesef verslagen hart oprijst.

„Zo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan? " — De Psalmist spreekt hier het schuldig uit over alle kinderen der mensen, maar het allermeest en het allerdiepst over zichzelf.

Wat nemen wij zulke diepe woorden gemakkelijk over! Hoe vaak komen zij over onze lippen alleen maar als klanken. Ja, zelfs zijn er mensen, die er behagen in schijnen te scheppen, te pas of te onpas, te spreken over hun diepe verdorvenheid, hun ellendigheid. Maar ach! gij, die dit doet, gij gevoelt en begrijpt zelf niet meer, wat gij zegt. Drong tot uw besef door, wat het betekent een zondaar te zijn, dan zoudt gij niet zo kalm en rustig kunnen blijven bij het toepassen van dit woord op uzelf.

Het is het verschrikkelijkste, wat wij ons denken kunnen, dat de mens een zondaar is, want een zondaar is een dienstknecht der zonde. Rijk had God de mens gezegend. Als profeet, priester en koning was al zijn denken, gevoelen en willen, gericht op de verheerlijking van zijn Schepper. Maar — dit alles verdween, toen hij kwam onder de macht der zonde.

Zal het wel met ons zijn of worden, dan moet dit ons worden een oorzaak van diepe smart.

En dit zal zo zijn, als de Heilige Geest ons leidt naar de spiegel der Wet, om ons in die spiegel ons beeld te laten zien. Melaats van de hoofdschedel af tot aan de voetzool toe! Dan wordt het doorleefd: „door de Wet is de kennis der zonde."

In de weg der ontdekking leert gij het de Psalmdichter nastamelen, naklagen, naschreien: „Zo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan? "

Nu zijn het geen koude klanken, die u zo gemakkelijk van de lippen rollen. Nu is het een klaagstem. Nu is het een noodgeschrei. Nu is het een zelfaanklacht. Uw stem stokt in uw keel. Uw ogen vullen zich met tranen. Uw hart is er verbroken onder.

Ja, zo wordt deze belijdenis wel eens afgelegd: „Zo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan? "

Door de werking des Geestes lééft zij in het diepst van uw ziel. Dan is het uit met al dat pogen om uw zonde en schuld te verbloemen.

Als deze belijdenis in waarheid de onze mag zijn, dan is er smart in ons hart. Het is die droefheid naar God, die werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. O, wat doet het u een pijn, dat gij zó gezon-

digd hebt tegen dat hoge, lieve Wezen, dat gij tegen al Zijn geboden zwaarlijk gezondigd, en geen derzelve gehouden hebt. Uw ongerechtigheden, ze zijn zo véle, ze zijn zo gróót. Met bittere tranen schreit gij er over.

Zo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat; Heere! wie zal bestaan? — Zo roept een ontdekte ziel uit. En zij doet het ook met diepe schaamte. Dat zien wij in een Ezra, als hij tot de Heere nadert met deze woorden: „Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God! want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel." < — Zo schaamt een zondaar zich, als hij voor God komt te staan, over zijn onreinheid, over zijn vuile klederen, over zijn schuld. „Zo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan? " < — Wiè zal bestaan? Zelfs de beste uit de besten niet. Zelfs de meest deugdzame niet.

Neen! er is alle reden om te klagen:

Zo Gij in 't recht wilt treden, O Heer', en gadeslaan Onz' ongerechtigheden. Ach, wie zal dan bestaan?

Daar ligt de zondaar neer onder het recht Gods. „Wiè zal bestaan? " — Niemand, volstrekt niemand. En ik, zo is het in de ziel van de ontdekte zondaar, die onder het recht Gods neerligt, wel het allerminst.

God, de Heere, is de Heilige, te rein van ogen, om het kwade te kunnen aanschouwen.

Hij is de Rechtvaardige, Die naar Zijn heilig recht niet ongestraft kan laten de zonde, die de ongerechtigheid is. „God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede" (H. Cat. vr. 12).

Hij is de Alwetende. Hij doorgrondt en kent mij. Hij weet mijn zitten en mijn opstaan; Hij verstaat van verre mijn gedachten.

Hij is ook de Almachtige. Wie zal Zijn hand kunnen afslaan, als Hij komt om te straffen? — Onze God is een verterend vuur.

Hoe meer wij door Gods Woord en Geest ontdekt worden, des te dieper van toon wordt de belijdenis: „Zo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wiè zal bestaan? "

Moge het zo zijn in de tijd van voorbereiding in ons leven. Zij er een waarachtige beproeving van onszelf, eer dat het te laat is. Ons Avondmaalsformulier zegt het zo treffend: „Ten eerste bedenke een iegelijk bij zichzelf zijn zonden en vervloeking, opdat hij zichzelf mishage, en zich voor God verootmoedige; aangezien de toorn Gods tegen de zonde zo groot is, dat Hij die (eer Hij die ongestraft liet blijven) aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood des kruises gestraft heeft."

De Heere God neemt het nauw met de zonde. En wij moeten de zonde te zien krijgen, tenminste enigermate, zoals Hij ze ziet. En dus moeten ook wij leren het nauw te nemen met de zonde. Dat is een moeilijke les. Wij willen altijd maar onze zonden ontkennen, de schuld op anderen werpen, zoals Adam en Eva dat al deden in het Paradijs. Ach, wat hadden zij het in zo korte tijd in die kunst al ver gebracht! Zij behoefden er niet voor op school te gaan. Dat brengt onze zondige aard en natuur al direct mee. Daarin hebben zelfs kleine kinderen het al ver gebracht.

En dus moeten wij oprecht gemaakt worden, en zo onze zonde en schuld eerlijk leren belijden, zoals de dichter van Psalm 32:

'k Bekende, o Heer', aan U oprecht mijn zonden; 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; Maar ik beleed, na ernstig overleg, Mijn boze daan; Gij naamt die gunstig weg.

Wij denken hier ook aan Psalm 51 en zovele andere, aan de tollenaar, aan de moordenaar aan het kruis, aan Petrus, aan Paulus, en vul het verder zelf maar aan.

O, wat brengt dat oprecht belijden van uw zonde en schuld al een verlichting. Wat kunt gij u dan opgelucht gevoelen, als het in verbrokenheid des harten mag zijn: „Zo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan? " — Dan is het gekomen tot een wanhopen aan uzelf en al het uwe, tot een toevallen van het recht Gods, om u voor eeuwig te verdoemen. Maar dan komt er door de wonderÜjke werking van de Heilige Geest ook een stille, blijde verwachting. Het is de verwachting van de vrije genade Gods in Christus Jezus geopenbaard. Dat blijkt ook in Psalm 130. Eerst is het:

Zo Gij in 't recht wilt treden, O Heer', en gadeslaan Onz' ongerechtigheden, Ach, wie zal dan bestaan?

Maar dan gaat de boeteling voort in dat hopen op Gods genade:

Maar neen, daar is vergeving Altijd bij U geweest.

Moge het ook bij u zijn of worden: wanhopen aan uzelf en al het uwe, een afgesneden zaak! Maar toch ook: hopen op Gods genade, echt uitzien naar de redding, die in Christus Jezus is. Die hoop beschaamt niet!

Z.

S. v. D.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 september 1953

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Heere, wie zal bestaan?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 september 1953

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken