Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Adventsgedachten over de Doorbreker

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Adventsgedachten over de Doorbreker

12 minuten leestijd

(3)

De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken en hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan en de Heere in hun spits. Micha 2 : 13.

Doorgebroken en door de poort uitgetrokken zijn de gevangenen. Daar blijven zij echter niet staan. Neen! wij moeten nog spreken over het land der vrijheid en de tocht er heen. Onze tekst zegt: „en hun Koning zal voor hun aangezicht henengaan en de Heere in hun spits."

De Doorbreker laat Zijn verlosten niet aan hun lot over na de uitleiding uit de gevangenis. — Als hun Koning trekt Hij nu voor hun aangezicht heen. Ja! ook God de Vader is in hun spits als oudtijds bij het volk van Israël in wolk-en vuurkolom. Onder zulke leiding durft ook een Mozes mee optrekken, een Mozes, die tot de Heere zeide: „Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken."

Met volkomen vertrouwen kan het kind van God zich overgeven aan zijn Leidsman: Hij richt zijn voeten op een weg7 waarop zelfs de dwaas niet kan dwalen.

En nu zijn er op die weg zeer grote gevaren. Waarlijk! Farao is niet de enige, die zijn ontkomen gevangenen weer in zijn macht zocht te brengen. Satan, zonde, en wereld vallen met verenigde krachten aan op hen, die aan de gebroken strik zijn ontkomen. Dreigingen, listen en lagen, zonder tal, worden in het werk gesteld. En onder die aanvechtingen en bestrijdingen kan 't zo benauwd zijn, dat het kind van God vreest te zullen bezwijken, en, gelijk zovele kinderen Israëls, te zullen vallen in de woestijn. Dan klimt op het angstgeschrei:

„Heer', ik voel mijn krachten wijken En bezwijken; Haast U tot mijn hulp en red."

Maar dan ook zal de Koning het tonen, dat Hij beschermt en bewaart allen, die door Hem zijn verlost. Hij geeft hun kracht tot de strijd. En wat meer is: Hij Zelf strijdt voor hen, zodat de vijanden op de vlucht slaan, en er weer reden is om te zingen vrolijke gezangen van bevrijding.

Op de weg achter de Koning aan zal 't ook niet zijn gebrek lijden. Zegt niet Gods Woord: „Zij zullen op de wegen weiden en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen. Zij zullen niet hongeren noch dorsten, en de hitte en de zon zullen hen niet steken: want hun Ontfermer zal ze leiden en Hij zal hen aan de springaders der wateren zachtjes leiden." Het volk des Heeren ontvangt van het levende Manna, van het Brood des levens, dat uit de hemel is nedergedaald. Zij worden gedrenkt uit de geestelijke Steenrots Jezus Christus; Deze is geslagen met de roede van Gods toorn, en nu vloeien er milde stromen van het water des levens uit, waardoor de matte, dorre ziel heerlijk wordt verkwikt. De Heere geeft de Zijnen nog wel eens wat te genieten. Wanneer zij als hongerenden en dorstenden tot Hem komen, worden zij nooit ledig weggezonden. Dan spijst en laaft Hij hen ten eeuwigen leven.

_ Het zijn echter niet alleen vóórrechten, - waarin de verlosten op de weg der bevrijding delen, zij hebben ook dure verplichtingen. Zij worden geroepen acht te geven op de bevelen van hun Koning, Hem in alles te gehoorzamen, onder Hem te strijden, tegen Zijne en hunne vijanden. Ten strengste is het hun echter verboden zich moedwillig te wagen. Zij mogen zich niet begeven in de verzoeking. Daarvoor zijn zij veel te zwak, en de vijand veel te machtig.

Ook déze verplichting rust nog op hen, onafwijsbaar, moeilijk, nochtans heerlijk: te vertellen de lof van hun Koning voor hun aangezicht, van de Heere in hun spits. Anderen aldus op te wekken: „Wij reizen naar die plaats, van welke de Heere gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons."

Zo dicht mogelijk bij de Koning, daar is hun plaats. En o! wat is 't daar goed. Als de Koning voor hun aangezicht henengaat, en de Heere in hun spits, dan zijn zij volkomen veilig. Zou de wijsheid van God de Vader, en van God de Zoon en van God de Heilige Geest niet voldoende zijn om alle dingen te doen medewerken ten goede? Is Hun macht er geen borg voor, dat vervuld wordt deze belofte: „Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken"?

„Achter de Koning aan, hoe gemakkelijk voor het zeer gewillige volk op de dag Zijner heirkracht. Nu heeft het slechts te volgen. De weg wordt aangewezen en het pad gebaand.

En toch! hoe goed, hoe veilig, hoe gemakkelijk het ook moge wezen, als de Koning voor het aangezicht van Zijn volk henentrekt, toch is het niet altijd blijdschap in de Heere. Dikwijls is het ook morren en klagen bij de tocht naar het land der vrijheid, 't Gaat alles zo tegen vlees en bloed in. En zo wordt er gemurmureerd over het moeilijke van de weg, zo nauw en zo steil, over zovele hinderpalen en bezwaren, over dorheid, waarvan men zelf de schuldige oorzaak is. Ja! wordt zelfs niet verdacht de trouw des Heeren, als de klacht over de lippen komt, oftewel leeft in het harte: „de Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten? " _

Murmureren doet Gods volk zo gedurig weer. En daarvan maken wereld en zonde gebruik om te lokken met heur sirenenzang. Hoe groot wordt dan somtijds de invloed, die de ijdele genoegens der wereld en de vermeende genietingen der zonde uitoefenen op het harte!

Als de Heere dan ook komt met Zijn •ontdekkend licht, door Zijn Woord en Geest, dan krijgt de verloste zichzelf tegen te vallen op de tocht naar het land der vrijheid.

Maar'gelukkig! de Koning blijft de Getrouwe. Hij blijft zofgen, blijft voor hun aangezicht henen trekken.

En waarheen gaat de tocht? Naar het Jeruzalem dat boven is! een plaats van verblijdende zaligheid en van verblindende heerlijkheid, en van volkomen vrijheid. Daar zal Gods volk geheel zijn bevrijd van alle knopen der ongerechtigheid, van alle strikken der wereld, van alle banden des duivels. Daar zullen ze vrij zijn, verlost ook van zichzelf en van hun zondig, hoogmoedig bestaan, gelijk dat hier wel

eens hun oprechte begeerte was. Daar zal het wezen de ware vrijheid in het dienen van de Heere dag en nacht, een dienen niet door uitwendige dwang, maar naar inwendige drang; een dienen, waarin ieder verloste zalig zal zijn. De enige en drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, alles en in allen. Dat is de vrucht van Christus' komst op aarde. Rijke adventsgedachten over de Doorbreker!

Zeer heerlijke dingen hebben wij mogen overpeinzen, u althans iéts mogen verklaren van de rijkdom, die in Christus Jezus is. En nu komen wij tot u, vlak voor Kerstfeest, met de vraag: hebt gij deel aan dit alles? Kent gij de Doorbreker, Jezus Christus? Zijt gij met en in Hem doorgebroken en uitgetrokken door de poort? Zijt gij op reis naar het land der vrijheid? Hoe staat het met u?

Ach! als gij nog voortleeft zonder Christus, dan staat het zo slecht met u. Gij kunt niet eens Kerstfeest vieren. Die dag van blijdschap klaagt u nog aan. Dat feest brengt aan zondaren deze verpletterende prediking: „Mensenkind! gij hebt een ontzaglijke schuld bij God, en geen penning om te betalen. Zonder Borg wordt gij straks geworpen in de ééuwige gevangenis."

O, die hoogmoedige mens! hij leeft maar voort in een bedriegelijke inbeelding: hij is immers niet gevangen, waarom dan gesnakt naar vrijheid? Hij is immers niet gebonden, waartoe dan verbreking van ketenen?

Weet dit echter, mijn medereiziger naar de eeuwigheid: naar uw inbeelding zal niet worden gevraagd. Als gij de Doorbreker niet leert kennen, blijft gij in uw vuile, donkere gevangenis en straks openen zich voor u de poorten der hel. Dan zal het zijn: voor eeuwig gevangen, voor eeuwig geboeid!

Gebruik toch de tijd der genade, de tijd, die zo kostbaar is, de tijd u niet gegeven om te verbeuzelen, maar om uit te kopen, tot bekering. Gebruik de tijd, die ons nog scheidt van het Kerstfeest. Vraag de Heere veel om ontdekkend licht, opdat ge moogt zien in welk een toestand gij verkeert, opdat ge de Doorbreker nodig krijgt.

Nog is het niet te laat. Nog verkeert gij in het heden. O, geboeide van een onbarmhartig tyran! rust niet, voordat gij zijt vrij gemaakt door de Zoon, door die grot eDoorbreker, - < fan Wie het naderend Kerstfeest spreekt.

Dat is bij ogenblikken de keuze van uw hart, gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste. Gij hebt het niet meer altijd even gemakkelijk in uw gevangenis. Gij beeft bij de gedachte, dat gij zijt in de macht van de satan. Gij treurt over uw wereldsgezindheid. Gij verfoeit uzelf wel eens vanwege uw zonden. Maar — ziende op de grote kracht uwer vijanden, op uw eigen doemwaardigheid, zodat gij moet erkennen: „ik heb niets beters Verdiend" — daarop ziende, zeg ik, wordt gij verschrikt door de gedachte: „ik zal wel nooit uit mijn gevangenis komen."

Hebt gij met reden zulke kleine gedachten van de macht en de genade des Heeren? 't Is waar: uw vijanden zijn sterk en geweldig. Maar de Doorbreker, de Koning der ere, is nog sterker, nog geweldiger. Ik zal het u niet betwisten: uw zonde is groot, schrikkelijk groot. Ja, ik roep het u toe: „ééuwige banden, die zijt gij waardig." Maar tevens vraag ik u: is de genade des Heeren niet nog groter?

Welnu dan, pleit in de dagen voor het Kerstfeest maar veel op de almacht van die God, bij Wie alle dingen mogelijk zijn, op Zijn genade, waarvan een arm zondaar nooit te veel kan verwachten.

Als dat bij u zo mag zijn, dan zult gij op het Kerstfeest staren op de Doorbreker voor uw aangezicht optrekkende, en u als met touwen der liefde getrokken gevoelen, om Hem te volgen.

Dat volgen uit de gevangenis, door de poort, naar het land der vrijheid, wat kan de gedachte er aan u een vreugde in het harte geven, kinderen des Heeren!

Wat heeft de Heere voor u en aan u al willen doen! Hij heeft door niets in ü bewogen, krachtens Zijn eeuwige liefde, de Doorbreker gegeven, gegeven tot in de bittere en smadelijke dood aan het kruis. En die Doorbreker was toch Zijn eigen, eniggeboren Zoon. Maar, hoewel Hij de Zoon was, heeft de Vader Hem toch niet gespaard, maar overgegeven voor u, een opstandeling, een kind des duivels!

Overdenk het werk van de Doorbreker toch veel. En val in aanbidding voor Hem neder. Vergeet toch niet, hoeveel Hij geleden heeft om uwentwille; hoe duur gij zijt gekocht.

Vergeet ook niet, hoe wederspannig gij lange tijd zijt geweest. De Heere riep, maar gij hieldt u als doof van Hem af. De Heere klopte, maar gij antwoorddet niet. Denk er met schaamte aan, hoe gij uw vuile gevangenis lief hebt gehad, zodat de Heere als 't ware smeken moest: „Mijn zoon! geef Mij uw hart." Als Hij niet had getrokken met onwederstaanbare kracht, zoudt gij dan de gevangenis wel hebben verlaten? Voorzeker, neen! Het is alles de vrucht van Zijn welbehagen, van het werk van Bethlehem en Golgotha, van de kracht des Geestes.

Wat moest dus nu uw leven niet zijn een leven van wederliefde, van dankbaarheid! Wat moest uw ziel niet bezwijken van verlangen naar het Kerstfeest, het feest, dat u herinnert aan de komst van de Doorbreker!

Hebt gij reeds met hartelijke blijdschap aan dat feest gedacht?

Hoe gaat gij de Kerstnacht tegen? Is 't voor u op dit ogenblik een nacht stikdonker, omdat wolken de hemel bedekken? Of glanst u tegen de star uit Jakob? Verkeert gij in het donker door uw zonden, werp u neder voor de Heere, om te smeken: „o, grote Doorbreker! bij vernieuwing heb ik U nodig om de ketenen der ongerechtigheid, om de strikken van wereld en satan te verbreken; maar ook, om als Zonne der gerechtigheid de duisternis te doorboren, de nevels op te klaren: o, schenk mij een Kerstfeest vol van rijk genot, tot ere van Uw Naam en tot zaligheid van mijn ziel."

Hier hebt gij telkens weer, o volk van Koning Jezus, bevrijding nodig. Op de tocht naar het land der vrijheid bestoken u de vijanden van alle kanten. Zelfs hebt gij een gevaarlijke vijand van binnen. Ziet dan met verlangen uit naar het land der vrijheid. Daar zult gij eens, achter de Doorbreker aan, doorgebroken zelfs door de poorten des doods, de Heere verheerlijken in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.

Zo gaat het aan op de grote einddoorbraak van de Doorbreker, de Heere Jezus Christus, Die als Doorbreker Zich telkens openbaart en verheerlijkt, maar het na de adventstijd der wereld, waarin wij nu verkeren, machtig en heerlijk zal doen tot de volkomen verlossing van al de Zijnen. Dan zal Hij doorbreken door al de machten der duisternis, om ze te werpen in de diepte der hel. Dan zal Hij doorbreken door de verleiding en het woeden van de antichrist. Dan zal Hij doorbreken door de macht van dood en graf. Allen zullen opstaan. De verlorenen tot de opstanding der verdoemenis. De Zijnen tot de opstanding des levens. En Hij zal hen allen door de grote dag des gerichts tot Zich trekken, om voor eeuwig vrij te zijn in de dienst van Vader, Zoon en Heilige Geest, in het land der vrijheid. O, welk een adventsgedachten over de Doorbreker! Verdiep er u biddend in.

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 december 1953

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Adventsgedachten over de Doorbreker

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 december 1953

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken