Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Samaritaansche vrouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Samaritaansche vrouw

14 minuten leestijd

i.

Jezus antwoordde en zeide tot haar: en ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten; maar zoo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Joh. 4:13, 14.

Het verhaal begint heel eenvoudig. De Heere Jezus reisde met Zijn jongeren door Samaria. Toen Hij te Sichar was gekomen, gingen de discipelen het stadje binnen, om inkoopen te doen. En de Heiland bleef op hen wachten, in de schaduw der palmen gezeten bij een bron. Er naderde een vrouw met een kruik op haar hoofd, die water wenschte te putten. De Heere vroeg haar om eenige lafenis; en de vrouw, die aan Zijn kleeding wel zag, en aan Zijn spraak wel hoorde, dat Hij een Jood was, zeide in een mengeling van verbazing en onwil: „Begeert Gij van mij te drinken? "

Deze dingen zijn op zichzelf niet bijster gewichtig. En toch groeit de ontmoeting bij de bron tot een belangrijke gebeurtenis uit, want... Jacus Christus is er bij betrokken, en de vrouw is een dergenen, die Hem van den Vader gegeven zijn.

Bij den aanvang van ons teksthoofdstuk bevond de Zaligmaker Zich te Jeruzalem. De Joden bemerkten, dat Hij een nog grooteren aanhang verkreeg, dan Johannes de Dooper. Zij waren daarover verbitterd, en zochten Hem te grijpen. Maar Hij ontweek hen, niet uit vrees, doch omdat Zijn ure nog niet was gekomen. Toen Zijn tijd daar was, trad Hij in Gethsémané den vijand tegemoet, en

leverde Hij Zich aan hem uit (slot van Joh. 10, begin van Joh. 18).

De Heere verliet dan Jeruzalem, om weder te keeren naar Galilea. „En Hij moest door Samaria gaan" (Joh. 4:4). Waarom? De Joden, die van het Zuiden naar het Noorden des lands trokken, vermeden het daar tusschen gelegen Samaria uit afkeer van de bevolking, en kozen liever den omweg door het Overjordaansche. Waarom reisde Christus door Samaria? Omdat Hij „moest"; omdat de Vader Hem zond, omdat er eeuwigheidswerk voor Hem te doen was, omdat Hij een verdoold schaap tot Zijn kudde zou leiden. De Middelaar moest door Samaria gaan, anders zou de vrouw, op wie het gemunt was, niet met Hem in aanraking zijn gekomen. Een onwedergeboren zondaar heeft geen behoefte aan en geen verlangen naar Immanuël. Het zou een afgesneden zaak zijn, zoo Christus niet de Alpha en de Omega ware, de Eerste in opzoekende genade en de Laatste in bewarende trouw. Een iegelijk, die eenigermate kennis aan de waarheid kreeg, zal dit van harte beamen.

Het is begrijpelijk, dat de Joden geen sympathie gevoelden voor de Samaritanen. De bewoners van Samaria waren immers verbasterde Joden; hun voorgeslacht had zich door huwelijken vermengd met de heidenen, en toen waren ook in hun godsdienst heidensche bestanddeelen binnengedrongen. Zij lazen de vijf boeken van Mozes, maar het overige van den Bijbel was geen Heilige Schrift voor hen. Ook bouwden zij een tempel op den Gerizim, hoewel Jehovah Sion tot Zijn woonstede verkoor. Bovendien zat er bij de Joden een oude wrok, omdat de Samaritanen hen hadden gedwarsboomd, toen zij na den terugkeer uit de Babylonische ballingschap Jeruzalem herbouwden. Een en ander maakte begrijpelijk, dat de Joden geen sympathie hadden voor de Samaritanen, maar hen verachtten en schuwden; van nature huizen in ons allen dezelfde vijandige gevoelens jegens den naaste. Doch Christus handelde anders. Hij moest door Samaria gaan; niet om aan de bewoners Zijn minachting te toonen, maar om ook aldaar te noodigen tot de bruiloftsvreugde. Het was overeenkomstig Zijn uitspraak, dat Hij nog andere schapen had, die van den stal Israëls niet waren, en die Hij eveneens moest toebrengen. Geen vleesch zou behouden worden, zoo in Christus de gezindheid ware, welke de Joden vervulde en ook ons bezielt.

De Zaligmaker kwam te Sichar. Volgens sommigen beduidt deze naam „leugen". In elk geval woonde er een volk, dat aan den vader der leugen onderworpen was, en op doolpaden ging. Christus moest door Samaria naar Sichar gaan, om er de waarheid Gods te doen uitschitteren, ter beschaming van de drogreden der hel. Een ieder, die ten leven gewekt is, heeft te belijden, dat hij in het heidensche Samaria, in het Sichar der leugen woonde; en dat hij daar onherroepelijk zou zijn omgekomen, indien de Heere niet in grondelooze barmhartigheid ware overgekomen om het verlorene te zoeken en zalig te maken.

Bij Sichar lag het stuk land, dat Jacob aan zijn zoon Jozef gaf. Bij Sichar had Jozua aan het einde van zijn loopbaan de Israëlieten samengeroepen, en hun voorgesteld den zegen en den vloek, zeggende: „Kiest u heden, wien gij dienen zult." Christus moest door Samaria gaan, om als de meerdere Jacob rijk te maken niet met een weide of akker, maar met geestelijke schatten; om als de meerdere Jozua den vloek op te heffen, en den zegen te gebieden.

Hij, die bij den Vader in de heerlijkheid troonde, éér de wereld was — Hij moest door Samaria gaan. Welk een vernedering: voorttrekken door het half-heidensche land; welk een nederbuigende goedheid: zich bewegen onder menschen, die op een godsdienstig laag peil stonden. In de oogen der Farizeën waren de Samaritanen een minderwaardig geslacht; doch in 's Heeren oogen lagen Farizeën en Samaritanen tegader op één hoop, dervende de heerlijkheid Gods. Voor Christus maakte het geen verschil, of Hij te Jeruzalem, dan wel te Sichar vertoefde. Het heilgeheim van den Kerstnacht is, dat het Woord vleesch werd, dat de eeuwige Zoon de menschelijke natuur aannam en ons in alles gelijk werd, uitgenomen de zonde. Hij was waarachtig en rechtvaardig mensch, om voor zondaren < — voor Joden en Samaritanen, gelijk voor de gekenden uit alle natiën en talen — de schuldovernemende Borg en Verlosser te zijn. Hij was waarachtig mensch; daarop wijst de evangelist door zijn mededeeling, dat de Heiland vermoeid bij de bron zat en dorst had. Niet alleen Zijn reis naar Sichar, doch Zijn gansche omwandeling op aarde was een vermoeiende tocht. Hij ging een weg van lijden en sterven, om aan Gods gerechtigheid te voldoen, om in plaatsbekleeding den eisch der Wet te volbrengen en de straf der Wet te dragen. „Hij moest door Samaria gaan" — lezers, lezeressen, ziet in deze woorden Christus' lastbrief van het begin Zijner menschwording tot het einde Zijns levens opengelegd. De geheele aarde is één Samaria, één land van geestelijke onkunde en zedelijke verwording, van godsdienstig verval en van ongehoorzaamheid aan 's Heeren ordinantiën. Hij moest door Samaria gaan; ook wanneer Hij in Galilea werkzaam was, of in Jeruzalem verwijlde, ging Hij door „Samaria", het geschandvlekte land. En Hij heeft het gedaan, totdat Hij uitriep: „Het is volbracht", totdat de Vader Hem op den Paaschmorgen met eere en heerlijkheid heeft gekroond.

Het tekstverhaal toont verder aan, dat Christus overal en altoos bereid is tot Zijn werk des behouds. Geen plaats achtte Hij er ongeschikt en geen tijd ongelegen voor.

Geen plaats ongeschikt. Vergelijkt eens Joh. 3, het gesprek met Nicodemus, en Joh. 4, het gesprek met de Samaritaansche vrouw. Toen was Hij in Jeruzalem, de stad van Jehovah's tempel; nu is Hij in Samaria, het half-heidensche gebied. Toen werd Hij expresselijk opgezocht door een leergierig man, die gedurig bezig was met de hoogere dingen; nu ontmoet Hij iemand, die aanvankelijk niet de minste belangstelling voor Hem en Zijn boodschap heeft. Toen sprak Hij in een passende omgeving — in een stille kamer, bij zacht lampeschijnsel — over de geheimen van het koninkrijk Gods; nu tracht Hij bij een put, waar zoo vele zoutelooze praatjes werden gehouden, nieuw leven te wekken in een botte ziel. Waarlijk, geen plaats achtte Hij ongeschikt voor Zijn gezegenden arbeid. Gisteren in een woonvertrek, heden bij een bron, morgen aan het zeestrand of op een berghelling, overmorgen aan een ziekbed of op een bruiloft of in de synagoge. Allerwegen stichtte Hij Bethels, waar onder een geopenden hemel gedankt werd voor de menigerlei genade Gods.

Nog gaat Christus door Woord en Geest onder de menschen rond. Nog zoekt Hij hen op, niet alleen in de kerk, maar ook in hun huis, maar ook op den weg, om hun te brengen wat tot den eeuwigen vrede is dienende. Hebt gij het nooit ervaren? Als gij leest in den Bijbel, of verzonken zijt in het gebed, kan het gebeuren, dat uw geprangd gemoed verruimd en uw bedrukte hart verblijd wordt. Maar datzelfde gebeurt ook wel, zonder dat de Schrift opengeslagen voor u ligt, of uw handen gevouwen zijn. De dingen, die Boven zijn, kunnen zich als "een grootsche werkelijkheid onweerstaanbaar aan u opdringen midden onder uw bezigheden, in een uur van verpoozing, gedurende een zondig bedrijf, tijdens den nacht. Het is de Heere, die u ontmoet; Hij, die geen plaats ongeschikt acht voor Zijn Heilandswerk.

En geen tijd komt Hem ongelegen. Toen Christus bij de Jacobsbron neerzat, schenen de omstandigheden voor de verkondiging van het Evangelie niet bijster gunstig. Gaat maar na. Hij was op doorreis van Judea naar Galilea. Slechts kort vertoefde Hij in Samaria. Waren die luttele, vluchtige uren nog te benutten voor arbeid in Gods wijngaard? Voorts was de Heere Jezus vermoeid. Hoe welkom zal het Hem geweest zijn, dat ook de discipelen Hem een wijle verlaten hadden om spijze te koopen. Zoo kon Hij Zich ongestoord verkwikken in de gemeenschap met Zijn Vader. Zou Hij Zich dan inlaten met een ingezetene van Sichar? Bovendien was het de zesde ure, twaalf uur 's middags, wanneer de zon op het felste stond te branden, en mensch en dier verademing zochten, om later weer aan het werk te tijgen. Voor den Heere is geen tijd ongelegen. Ook de uren van de doorreis, ook Zijn rustuur, ook het afmattende middaguur wilde Hij wijden aan Zijn taak.

Op elke bladzijde bewijzen de evangeliën, dat geen tijd Hem ongelegen was. Nicodemus mocht tegen middernacht ko-

men, en Levi-Mattheüs, de tollenaar van Kapernaüm, was in den prillen ochtend het voorwerp van Zijn zorg. Wanneer was het Hem te vroeg of te laat, om menschen te helpen? Wanneer heeft Hij ze ongeduldig, liefdeloos weggezonden? Hij stond getrouwelijk in 's Vaders dienst en werkte, zoo lang het dag voor Hem was. Eerst toen Hij aan het kruis Zijn hoofd tot sterven boog, legde Hij Zijn taak neer. Neen, Hij heeft haar niet neergelegd. Want op den Paaschmorgen aanvaardde Hij haar weer, en nog altoos gaat Hij voort met Zijn Middelaarswerk. Hebt gij het nooit ervaren? De Heere is er, bij dag en bij nacht is Hij er, om Zijn heil te doen zien.

Geen plaats acht Hij ongeschikt en geen tijd ongelegen tot openbaring van Zijn deugden. Werden Zijn heiligheid en genade ook in u verheerlijkt? Onder degenen, die deze meditatie lezen, zullen er velen zijn, van wier leven geldt, dat het de zesde ure is; zij hebben de middaghoogte bereikt. Gij hebt den morgen van uw leven misschien doorgebracht zonder Hem; gij gaat op den middag voort zonder Hem; gij zult straks ook in den avond uws levens zijn zonder Hem, als er niets verandert. Houdt op! Niet verder alzoo! Let toch eindelijk op Hem, die u tegentreedt op allerlei plaatsen, op allerlei tijden, om het verlangen naar Zijn gunstbetooning in u op te roepen, en de gewekte behoefte te bevredigen.

Christus roept in de keurlingen het verlangen naar Zijn gunstbetooning op. Dat doet Hij op verschillende wijzen. Wij bepalen ons thans tot de middelen, welke Hij in het onderhoud met de Samaritaansche vrouw gebruikt heeft.

Hoe vaak zal deze vrouw wel niet gegaan zijn den weg van Sichar naar de Jacobsbron, en van de bron naar Sichar terug. Gisteren en eergisteren kwam zij met haar kruik, évenals op den dag van ons tekstverhaal; morgen en overmorgen zal zij ook weer komen. Zij moet eiken dag putten, want dan is de kruik weer leeg, en er is weer nieuwe dorst. Toen zij op die gedenkwaardige zesde ure de stad verliet, bedoelde zij enkel water te halen. Wellicht hoopte zij ook een andere vrouw aan te treffen, met wie zij de laatste nieuwtjes kon verhandelen. Doch hooger reikte haar begeerte niet.

De Samaritaansche is ons aller beeld. Gelijk zij eiken dag hetzelfde pad ging om in haar nooddruft te voorzien, zoo hebben wij dagelijks dezelfde bezigheden en zorgen met het oog op onze behoeften. De landbouwer grijpt zijn spade, iederen morgen dezelfde spade; de ambachtsman hanteert zij gereedschap, iederen morgen hetzelfde gereedschap; de winkelier staat achter zijn toonbank, iederen morgen dezelfde toonbank; de ambtenaar zit op zijn kantoor, iederen morgen hetzelfde kantoor; de huisvrouw heeft haar plichten in kamer en keuken, iederen morgen dezelfde plichten. De avond brengt wat variatie; dan volgt de nacht, en morgen zal het weer zijn als gisteren, overmorgen als heden. Wij loopen in een tredmolen van opstaan, eten, werken, rusten. Zoo verglijden de weken, maanden, jaren, zonder dat we ons veel bekommeren om de hoogere dingen. Wij zijn gevangen in den dagelijkschen sleurgang, gelijk de Samaritaansche; schier machinaal begeven wij ons met de telkens ledige kruik naar de bron van stoffelijke goederen.

Bij de waterput trof de vrouw een vreemdeling aan, die haar vroeg: „Geef Mij te drinken." Hij vertelde haar verder van levend water, dat Hij kon geven, en dan zou zij nooit meer dorst hebben. Daar begreep de vrouw niets van. Het ontging haar, die slechts van het alledaagsche vervuld was, dat de vreemdeling niet sprak over gewoon water voor het lichaam, doch over lafenis voor de ziel. Zij kon niet loskomen uit haar laag-bij-degrondsche bestaan, en vroeg verwonderd: „Deze put is diep, Gij hebt geen kruik, hoe zult Gij dan water scheppen? In den wijden omtrek is er ook geen andere bron. Zou er beter water zijn, dan dit? Aartsvader Jacob heeft al uit deze bron met zijn vee gedronken." Met zijn vee! Deze toevoeging openbaart zonneklaar de platvloerschheid der vrouw. Een mensch stond volgens haar weinig boven een dier.

De vrouw begreep aanvankelijk niets van 's Heeren woorden. Toch heeft er, tijdens het gesprek met den vreemdeling, een verandering in haar plaats gegrepen. Een gevoel van onvoldaanheid maakte zich van haar meester, zij ging de voosheid van haar bestaan beseffen. Dit blijkt uit haar verzoek: „Heere, geef Mij het water, dat Gij hebt, opdat ik hier niet telkens moet komen om te putten." Hier geregeld komen en putten had haar nooit gehinderd; maar nu zag zij op eenmaal het vermoeiende, het trieste van den altijd weer nieuwen dorst, van de altijd weer leege kruik, van het altijd weer gaan naar de bron. Dit inzicht was het zwakke begin van het nieuwe leven, hetwelk in haar zou opbloeien. Vanwaar deze verandering? Wel, de vreemdeling was Jezus Christus; door Hem kwam zij in aanraking met een hoogere wereld, en toen ging zij de armoede van haar eigen bestaan zien.

Wij allen gaan voort, gelijk de Samaritaansche, langs plat-getreden paden. Elke dag is een herhaling van gisteren en eergisteren. Dat blijft zoo, totdat de Heere ons opzoekt in onze bedrijvigheid - — Hij, voor Wien, geen plaats ongeschikt en geen tijd ongelegen is, om Zijn Heilandswerk te verrichten. Christus zegt geen kwaad van onze bron. Neen, want Hij weet, dat wij de aardsche goederen niet missen kunnen; Hij heeft Zelve ons geleerd te bidden om het dagelijksch brood. Maar Hij verzekert, wijzende op onze bron: „Een iegelijk, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten." Christus zegt geen kwaad van ons dragen van de kruik. Neen, want Hij weet, dat wij moeten arbeiden om door de wereld te komen.

Maar Hij bepaalt ons bij het verdrietige feit, dat de kruik altijd weer leeg raakt en de dorst altijd weer terugkomt.

Jezus Christus maakt ontevreden met het leven, zooals het reilt en zeilt. In Gen. 3 lezen wij, dat de vader der leugen door zijn vragen Eva, midden in haar goddelijken overvloed, ontevreden maakte; dat was een duivelsch ondernemen. Jezus Christus maakt met Zijn opmerkingen over kruik en bron ook ontevreden, doch dan is het een hemelsch werk. Want uit deze heilige ontevredenheid doet Hij geboren worden het verlangen naar het goed, dat nimmermeer vergaat.

Door Zijn Woord en Geest wekt de Heere de behoefte aan het ééne noodige. Daartoe wees Hij de Samaritaansche vrouw op het ontoereikende der aardsche goederen. Hij gebruikte ook nog een ander middel. Maar daarover de volgende maal.

Utr.

E. v. M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 augustus 1954

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De Samaritaansche vrouw

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 augustus 1954

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken