Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

ADVENTSVERWAGHTING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

ADVENTSVERWAGHTING

12 minuten leestijd

En men zal te dien dage zeggen: Zie, Deze is onze God: wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken: Deze is de Heere, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.

Jesaja 25 : 9.

Een van de woorden, die voor ons een lieflijke klank hebben, is het woord: redding.

Groot is b.v. het gevaar voor de bewoners van een huis, dat in brand raakt, terwijl de bewoners in de diepe rust van hun eerste slaap zijn. Wat een voorrecht is het, als zij nog juist bijtijds gewekt mogen worden! Enige ogenblikken later wakker geworden, zouden zij allen met huis en have mee in de vlammen, of door verstikking, zijn omgekomen. Dezulken verstaan dat liefelijke woord „redding".

„Redding!" — de noodzakelijkheid en de heerlijkheid er van wordt ingezien door schipbreukelingen, die in nood zijn op een ontredderd schip. Welk een blijdschap is het voor hen, die reeds meenden in de golven hun graf te zullen vinden, de reddingsboot te zien naderen, er in opgenomen, er door gebracht te worden in behouden ha.ven. Voor hen is het woord „redding" een liefelijk woord.

„Naar „redding" wordt vurig verlangd ook door een gewonde, die op het slagveld ligt, bloedend uit gevaarlijke wonden. Wat al gedachten en overleggingen zullen zich bij zulk een vermenigvuldigen in hoofd en in hart! In korte tijd vliegt het gehele leven aan het geestesoog voorbij. Er is een herinnering zo-sterk als nooit te voren. Allerlei gedachten rijzen op. Gedachten aan allerlei idealen, die nu als rook vervliegen. Gedachten aan een vader of moeder, aan vrouw en kinderen, aan allen, die zulk een lief zijn; gedachten aan de eigen toekomst als straks de dood intreedt en de eeuwigheid daar is. Voor zulk een, die de dood voor ogen ziet, en reeds alle hoop had opgegeven, is het zo onuitsprekelijk heerlijk, als er ten langen leste toch nog hulp komt opdagen. Zijn leven lang zal hij niet vergeten, wat „redding" is.

Redding in allerlei opzicht is zulk een heerlijke zaak. Redding van de tijdelijke dood, redding van wie dreigden onder te gaan in de strijd om het bestaan, redding in zedelijk opzicht van wie op verkeerde paden waren geraakt, het is alles verblijdend en schoon. Maar, veel schoner is redding in geestelijk opzicht, de redding van de geestelijke en eeuwige dood, de redding der ziel. Ziel verloren is alles verloren. Ziel gered is alles gered.

Redding van verlorenen, daarvan spreekt ons de Adventstijd, die wij nu weer zijn ingegaan. De Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om ze te behouden, dat is het blijde Advents-Evangelie. O, dat velen naar die redding, naar die zaligheid, door Jezus Christus teweeggebracht, in deze dagen voor het Kerstfeest mochten uitzien. Leve de bede in uw hart: „och Heer', och wierd mijn ziel door U gered."

En dat Gods kinderen een blik terug mochten werpen, om er nog eens bij stil te staan, hoe hun ziel is gered geworden, hoe zij door de Heere Jezus met God zijn verzoendl

Op deze Adventsdagen zij ons niet vreemd, wat wij lezen in Jesaja 25:9: En men zal te dien dage zeggen: ie, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken-Dc.e is de Heere, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid."

In het begin van Jesaja 25 wordt ons getekend het oordeel, dat zou komen over Babel. Babel komt in de Schrift voor als vertegenwoordigster van de vijandige machten van alle eeuwen, die zich stellen tegen het Israël Gods. De vijanden van God en Zijn volk zullen hun oordeel niet ontgaan. De Heere toch is de arme een sterkte, een sterkte de nooddruftige, als het hem bang is, een toevlucht tegen de vloed, een schaduw tegen de hitte.

Daarna wordt ons van vers 6 af getekend de heerlijkheid van de Nieuw-Testamentische tijd. Onder het beeld van een vette maaltijd, niet slechts voor Israël, maar nu ook voor alle volken bereid, wordt ons voorgesteld het heil, dat door de Messias verworven zou worden voor hongerigen en dorstigen. Dan zou ook worden verslonden het bewindsel des aangezichts, waarmede alle volken omwonden zijn. Niet langer zullen zij dus in blindheid en duisternis en onkunde voortwandelen. Ja zelfs zal Hij de dood verslinden tot overwinning en de Heere zal de tranen van alle aangezichten der Zijnen afwissen.

Duidelijk worden wij hier gewezen op de komst van de Beloofde aan de vaderen in het vlees met de vruchtgevolgen er van. De vleeswording des Woords is van zo uitnemend gewicht. De kribbe van Bethlehem predikt ons. zulke heerlijke zaken. Ja, ten volle zal deze profetie eerst worden vervuld bij de tweede komst van onze Heere Jezus Christus, Zijn komst op de wolken des hemels, om te oordelen de levenden en de doden.

Aan beide, zowel aan Zijn eerste komst in Bethlehems kribbe, als aan Zijn tweede komst ten oordeel hebben wij ook te denken bij de stof, waarover wij nu gaan mediteren met elkander: „En men zal te dien dage zeggen: Zie, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken; Deze is de Heere; wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijne zaligheid.'

Deze woorden geven ons te mediteren over:1. Een blijmoedig belijder. 2. Een vertrouwend verwachten. 3. Een gelovig genieten.

En men zal te dien dage zeggen: „Zie, deze is onze God", en wederom: „deze is de Heere." Dat is een blijmoedig belijden, getuigen van de Zaligmaker.

Wie zijn het, die alzo zullen belijden? Wie zijn het, op wie van toepassing is het: „mèn zal te dien dage zeggen? " — Het zijn de beweldadigden in de vorige verzen bedoeld. Het zijn de gasten, die door Gods genade worden genodigd tot, en aanzitten aan die rijke Evangeliemaaltijd. Het zijn degenen, die in het geloof van de Christus mogen zeggen: „Zie, Deze is ónze God."

Wat ligt er veel opgesloten in die belijdenis: „Zie, deze is onze God!" Onze God, omdat Hij ons voor Zijn rekening genomen heeft met al onze zonden en schulden, naar Zijn mensheid en naar Zijn Godheid. Onze God, omdat Hij ons heeft opgezocht en naar Hem heeft leren zoeken. Onze God, omdat Hij door Zijn Heilige Geest het geloof in onze harten gewerkt en ons verzekerd heeft van ons aandeel aan Hem en Zijn heerlijk verlossingswerk. Onze God, omdat Hij Zichzelf met al Zijn volheid heeft gegeven aan ons in onze ledigheid. O, heerlijk voorrecht, op te mogen zien tot de Heere Jezus om dan blijmoedig te belijden: Zie, deze is onze God, Hij zal ons zaligmaken!" Is Hij ook uw deel reeds? Zijt gij Zijn eigendom?

„Zie, deze is onze God: deze is de Heere." De Heere, d.i. Jehova, eenswezens met God de Vader, als Hij: „Ik zal zijn, die Ik zijn zal", de eeuwig Getrouwe. „Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde, en tot in der eeuwigheid."

De Godheid van de Heere Jezus is van zoveel belang. Wij moeten er de nadruk op leggen vooral ook in onze dagen, nu er zovelen zijn, die de Christus verlagen tot een mens en niet meer, zij het dan ook een voortreffelijk mens. Dat is Majesteitsschennis. Gods Woord zegt: „en dat zij allen de Zoon eren, gelijk zij de Vader eren." Laat daarom tegen alle ontkenning, tegen alle loochening in de belijdenis vernomen worden: „Zie, Deze is onze God, Deze is de Heere." Ware Christus geen God, Hij zou ook geen Verlosser zijn. Omdat Hij God is, daarom alleen is Zijn offer van oneindige waarde. Omdat Hij God is, daarom alleen kon Hij dragen de ontzaglijke toorn Gods tegen de zonde. Omdat Hij God is, daarom alleen kon Hij fatan de kop vermorzelen. Omdat Hij God is, daarom alleen kan Hij zo wonderlijk liefhebben. Ja, als daarvoor het oog ontsloten is, dan is het de vurige begeerte die Christus blijmoedig te mogen belijden.

Het zijn dus de gelovigen, het is de gemeente des Heeren, aan wie wij denken, als er staat: „en men zal te dien dage zeggen: Zie, Deze is onze God, Deze is de Heere." Het is niet voldoende in te stemmen met deze belijdenis met onze lippen. Voor lippenbelijders is zulk een scherpe waarschuwing het woord van de Heere Jezus: „Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen." Aan het uitwendige niet meer genoeg te hebben, naar inwendige vernieuwing des harten te begeren, is zo nodig en zo heerlijk. Alleen delend in de genade van onze Heere Jezus Christus, zult gij bij ogenblikken blijmoedig belijden. vrijmoedig getuigen, ootmoedig aanbidden.

Maar dit is zeker, wie als een waarlijk hongerende en dorstende ten dis wordt geleid aan de vette Evangeliemaaltijd, die zal niet altijd kunnen zwijgen, die móét wel eens belijden. Op hem of op haar is ook wel eens van toepassing het: „en men zal te dien dage zeggen: zie, Deze is onze God, Deze is de Heere."

De Heere leert stommen spreken. Geloven en spreken zijn nimmer geheel van elkander te scheiden. Een zeker verband blijft er altijd bestaan tussen hart en mond. Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met de mond belijdt men ter zaligheid. Liefhebbers van Jezus onder onze lezers, hoe staat het bij u met dat blijmoedig belijden? Spreekf gij nog wel eens over die grote Profeet, over die enige Hogepriester, over die eeuwige Koning?

En men zal te dien dage zeggen: „zie, Deze is onze God, Deze is de Heere." O, let toch op dat woordeke: „zie", „zie, Deze is onze God." Gedreven door de Heilige Geest, gedrongen door de liefde van Christus, roepen de belijders van onze tekst het toe aan ieder, die zij bereiken kunnen: „Zie, Deze is onze God."

Zo wekken zij élkander op, elkander wijzend op de grote schat, die zij in Christus hebben. „Zie, Deze is onze God", daarin ligt hoogachting, bewondering, aanbidding. Er ligt in een aanvuren van elkander: „o, dat wij toch steeds staren op God, onze Zaligmaker. Zijn heerlijkheid is zo groot, dat het oog niet wordt verzadigd van zien.

„Zie, Deze is onze God." Dat durft gij ook de wereldling wel eens toeroepen. Medelijden met hem hebbend in zijn armoede, in zijn ellende, in zijn liefde, tot allerlei afgoden, die hem niet kunnen redden, wijst gij hem op de Christus: „Zie, Deze is onze God, Deze is de Heere." Deze is onze God, door Wie wij naar de ziel worden gespijsd en gelaafd ten eeuwige leven; Deze, Die arm is geworden, daar Hij rijk was, opdat wij door Zijn armoede zouden rijk worden, Die honger en dorst heeft geleden, opdat wij zouden aanzitten aan een vette Evangeliemaaltijd en eens zelfs aan een eeuwig Bruiloftsmaal. Ja, zo is het, alsof de wereldling wordt gevraagd: „Zie, Déze is onze God, Deze, zo goed, zo mild, zo machtig, en wat is nu de wereld? en wat geven de afgoden? Het is alles ellende, zwijnendraf, en dat, terwijl aangeprezen wordt een vette maaltijd, een maaltijd van reine wijn, van vet vol merg, van reine wijnen, die gezuiverd zijn."

„En men zal te dien dage zeggen: „Deze is onze God, Deze is de Heere."

Te dien dage, wanneer is dat? — Dat is geweest in de volheid des tijds, bij de geboorte van de Heere Jezus. Toen werd de Evangeliemaaltijd aangericht. Toen heeft men de Christus verheerlijkt. Maria zeide vol van diepe blijdschap: „Mijn ziel maakt groot de Heere; en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker." De oude Siineon ziet in het Kindeke in Zijn armen „een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Zijn volk Israël". En van Anna, de profetesse, die God diende dag en nacht, lezen we: „En deze, te dierzelver ure daarbij komende, heeft insgelijks de Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten." Het was de tijd der lofzangen. Te dien dage heeft de een voor, de ander na, in zijn lied vertolkt de blijmoedige belijdenis: „Zie, deze is onze God, deze is de Heere."

„Men zal te dien dage zeggen." Te dien dage, wederom zal dit woord in vervulling gaan in het laatste der dagen, als de dood zal worden verslonden tot overwinning en als de Heere Heere alle tranen van de aangezichten zal afwissen. Als de verheerlijkte Middelaar zal verschijnen op de wolken des hemels, dan zal er blijdschap zijn bij Zijn volk. Welk een vreugde zal er zijn over Zijn Majesteit! Te dien dage zal men eerbiedig, verheugd, aanbiddend zeggen: „Zie, deze is onze God, deze is de Heere."

„En men zal te dien dage zeggen." Te dien dage, wanneer is dat? zo vragen we nogmaals. Dat is niet slechts in de volheid des tijds bij Jezus' geboorte te Bethlehem. Dat is niet slechts bij de wederkomst op de wolken. Te dien dage, dat is ook, als Christus komt tot uw ziel, om haar te roepen uit het graf van zonde en ongerechtigheid, als Hij de geestelijke dood verslindt tot overwinning en Zich openbaart als de Opstanding en het Leven, als Hij de tranen afwist van het aangezicht eens treurende over zijn zonden, als het de volheid des tijds, als het Kerstfeest is in de ziel. Te dien dage zal men niet kunnen zwijgen. Dan zal men belijdend zeggen: „Zie, Deze is onze God, wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de Heere. Wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid."

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 december 1954

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

ADVENTSVERWAGHTING

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 december 1954

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken