Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

LEVENDE EN LEVENDIGE GEMEENTEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

LEVENDE EN LEVENDIGE GEMEENTEN

13 minuten leestijd

Handelingen 9 : 31.

Met de gemeente van Corinthe stond de apostel Paulus in nauw contact. In het bijzonder door middel van het huisgezin van Chloë werd hij op de hoogte gehouden van alles, wat er in de gemeente omging. Het waren niet altijd aangename, verblijdende zaken, die de apostel moesten worden meegedeeld. Dat bedroefde hem, omdat hij het goede zocht voor de gemeente van Corinthe. Het is zo pijnlijk van gemeenten, waarin ge meegeleefd hebt, waaraan ge u door allerlei banden verbonden gevoelt, minder goede dingen te vernemen.

Zo hadden die van het huisgezin van Chloë Paulus ook met droefheid op de hoogte moeten brengen van de grote verdeeeldheid, die er in de gemeente van Corinthe heerste. Dat smartte de apostel aan zijn hart. Hij wist het: daar hebben de duivel en de vijanden schik in, dat doet ontzaglijk veel schade aan de zielen, daardoor wordt de Heilige Geest bedroefd. Met grote ernst schrijft de apostel: „Ik bid u, broeders! door de naam van onze Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in eenzelfde zin, en in eenzelfde gevoelen. Want mij is van u bekend gemaakt door die van het huisgezin van Chloë zijn, dat er twisten onder u zijn." Paulus is goed ingelicht. Hij legt dan ook de vinger op de wondeplek: „En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos, en ik van Cefas, en ik van Christus.'' En dan vraagt hij zo beschamend en ontdekkend, een vraag ook voor onze tijd, een vraag voor u en voor mij: „Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of zijt gij in Paulus' naam gedoopt? "

Droevige toestanden daar in de gemeente van Corinthe al in die eerste tijd! Droevige toestanden zo dikwijls op allerlei plaatsen, in alle tijden. Droevige toestanden ook thans in zo vele gemeenten, en in alle kerken. Dat is van en uit de mens, en uit de geestelijke boosheden in de lucht. Maar door Gods genade, en door Zijn kracht, door de machtige invloed van Gods Woord en Geest, zijn er toch ook andere toestanden, bloeiende en tot jaloersheid verwekkende toestanden, die, tot lof en prijs van de naam des Heeren, en tot beschaming en opwekking van anderen, genoemd mogen en moeten worden. Die tot ootmoedige dankbaarheid stemmende toestanden, door de trouwe Gods, als vrucht van Zijn eeuwige, genadige verkiezing, ontbreken zelfs in onze donkere, geesteloze tijden niet. Wij mogen de zegeningen, die de Heere, ondanks al onze ellende, nog schenkt, niet vergeten, maar blij gedenken, de deugden Gods verkondigend.

Van zulke rijke, Godverheerlijkende zaken spreekt ons ook in deze tijd na Pinksteren het Schriftwoord, dat wij nu met elkander gaan overdenken. Wij vinden het in de Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 9 vers 31: „De gemeenten dan door geheel Judea en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd."

Na de dood van Stefanus, die zo wreed werd vermoord, maar toch zo zalig in Jezus mocht ontslapen, brak er voor de eerste christenen een zeer moeilijke, maar toch ook een zeer gezegende en heerlijke tijd aan. Dat moeilijke, dat bange zelfs, èn dat gezegende en heerlijke, zien wij in de geschiedenis van Christus' Kerk op aarde telkens terugkeren, ten nauwste aan elkander verbonden. Het moeilijke, het bange is er, in de beginselen, ook nü weer. Wij mogen de Heere wel volhardend bidden en smeken, dat Hij, door de onwederstandelijke kracht van Zijn Heilige Geest, en de machtige werking van Zijn dierbaar Woord, ook het tweede moge geven, bij het al meer naderen, en zich aankondigen in de tekenen der tijden, van de eindworsteling. O, mocht er nog eens een opwekking, een Réveil, gegeven worden, waarin wij ook zelf mogen delen! Het ziet er echter donker uit. Al sterker, al menigvuldiger worden de tekenen van de vervulling van dit woord van de Heiland: Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? " (Lucas 18 : 8b). Na de dood van Stefanus dan werd de haat van de Joden tegen de gemeente des Heeren nog sterker. Ook daarin zien wij het weer: als de Heere God een tempel bouwt, dan zet de duivel er een kapel naast. Krachtig werkte de Heilige Geest in de martelaar Stefanus. Hij gaf hem ogen om te zien, zodat hij mocht zeggen: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods." De Geest der genade en der gebeden gaf deze stervende martelaar te bidden, te bidden voor zichzelf: Heere Jezus! ontvang mijn geest", te bidden zelfs voor zijn vijanden, vallende op de knieën, riep hij met grote stem, en met zijn laatste krachten: Heere! reken hun deze zonde niet-toe." En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.

In deze in de enige troost beide in het leven en sterven heengaande Stefanus zien wij ons als voor ogen geschilderd, wat het betekent in Christus ontslapen te zijn (1 Cor. 15:15), of, zoals het in 1' Thess. 4:14 staat: n Jezus ontslapen te zijn. Wat een liefelijke uitdrukkingen voor het verschrikkelijke gebeuren van de dood! Het is voor een kind des Heeren in Christus te ontslapen, te ontslapen in Jezus. O, volk van God, als gij het zo te bezien krijgt, dan wordt de vrees voor de dood weggenomen, dan moogt ook gij wel eens zeggen, zoals wij dat bij menig sterfbed hebben gezien: Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? "

Het is geen wonder, dat zulk een sterven een diepe indruk maakte op velen. Maar ook, dat anderen nog vijandiger werden, in het bijzonder de vorst der duisternis. Wij zien die vijandschap uitbreken in een grote vervolging tegen de gemeente, die te Jeruzalem was. Zó vreselijk was het, dat al de christenen moesten vluchten; zij werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samaria. Behalve de apostelen! Die bleven op hun post. Dat was wel heel moeilijk, want Saulus verwoestte de gemeente, gaande in de huizen zelfs; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. Dat

is wat, mijn lezer, en dan nog in Gods kracht staande te blijven! Dat is genade, rijk en vrij.

Maar ook dat vluchten van velen moest onder Gods leiding nog ten goede medewerken. De duivel breekt, als het er op aankomt, zijn eigen werk nog af. Want wat gebeurde? — „Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord." Wij lezen met name van Filippus, dat hij afkwam in Samaria en met grote zegen hun Christus mocht prediken, en velen werden gedoopt in de naam van de Heere Jezus.

Dit was ze sterk, dat de Apostelen te Jeruzalem het hoorden, dat Samaria het Woord Gods had aangenomen, en zij zonden tot hen zelfs Petrus en Johannes. Welk een blijdschap bij de toegebrachten èn bij de Apostelen! Dezen afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij de Heilige Geest ontvangen mochten. Toen legden Petrus en Johannes hen de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest.

En, alsof dit nog niet genoeg was, mocht Filippus ten zegen worden gesteld, op die woeste weg, die van Jeruzalem afdaalde naar Gaza, voor een heiden, een zwarte Moorman, een machtig heer van Candacé, de koningin der Moren, die over al haar schat was, haar minister van financiën zo ongeveer, die was opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem. Hem mocht Filippus de Heere Jezus verkondigen naar aanleiding van Jesaja 53, dat de Moorman op zijn reiswagen zat te lezen. Door de toepassende bearbeiding van de Heilige Geest kwam de Moorman tot het geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is, en ook voor hem was geworden de Man van smarten. Nu werd het zó, dat van hem getuigd mocht worden: „Hij reisde zijn weg met blijdschap."

En nog zijn wij niet aan het einde. Het voorafgaande staat allemaal in Handelingen 8, gij moet het maar eens in z'n geheel nalezen. Maar nu komt Handelingen 9. En dat is, zoals al onze lezers wel weten, het hoofdstuk van de bekering van Saulus op de weg naar Damascus. Wat is de Heilige Geest toch machtig, en wat werkt Hij onwederstandelijk! Zelfs Saulus, een echte Farizeër, „een Farizeër, en eens Farizeërs zoon" (het zat er dus diep in), zoals hij zelf zegt, die was blazende dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, tot in het buitenland, tot in Damascus toe, wordt neergeworpen, leert de gehate Nazarener ootmoedig vragen: „Heere! wat wilt Gij, dat ik doen zal? " Van hem wordt uit de hemel door de verhoogde Zaligmaker getuigd: „Zie, hij bidt." De wolf is in een lam veranderd. Dat is genade, louter genade. — En Saulus predikte terstond Christus in de synagogen.

Dit alles, nl. wat wij overdachten uit Handel. 8 en 9, bleef natuurlijk niet zonder uitwerking. Het bloed der martelaren werd ook toen het zaad der Kerk. Van die machtige uitwerking door de kracht des Heiligen Geestes lezen wij in Handelingen 9:31: De gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd."

Dat zijn geen geringe zaken. Dat zijn grote wonderen van Gods almacht en genade. Vrede, stichting, een wandelen in de vreze des Heeren en in de vertroosting des Heiligen Geestes, en een vermenigvuldigd worden. „Palma, sub pondere crescit", de palm groeit onder de druk. Als alles vernietigd schijnt te worden, als de vijanden woeden en vervolgen, dan zorgt de Heere op bijzondere wijze voor Zijn Kerk. Juist in de allermoeilijkste tijden van de Kerkgeschiedenis, èn van de persoonlijke geschiedenis van elk van Gods kinderen, bij het woeden van satan, bij het vervolgen van de wereld, in het bijzonder de vrome wereld, toont de Heere Christus het: Heb goede moed. Ik heb de wereld overwonnen", en wederom: De poorten der hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen. Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." Dat zien wij toén, daar in Judea, Galilea, en Samaria. Dat zien wij nü in de vervolgde Toradja-gemeenten, in de Jappentijd, en thans bij het woeden van bloeddorstige guerillabenden. Gods weg is in de zee, en Zijn pad in grote wateren, en Zijn voetstappen worden niet bekend. O, dat ook wij, nu donkere wolken zich boven ons samenpakken, alles alleen van Hem verwachten, dat het moge zijn of worden: Bij U schuil ik" (Ps. 143 : 9).

De gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vréde. Vrede, dat is een liefelijk woord. Het is een woord, dat ons, na twee verschrikkelijke wereldoorlogen, en onder de voortdurende dreiging van een atoomoorlog, als opwekkende muziek in de oren klinkt. Zoveel en zo velerlei oorlog op allerlei terrein, tussen landen en volken, tussen werknemers en werkgevers, tussen de partijen in de staat, tussen de richtingen in de kerk, tussen de wereld en de kerk, tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, tussen de kinderen van één huisgezin, zelfs tussen mensen, die toch de Heere vrezen, het is alles wel in-droevig.

En nu in zulk een tijd te mogen mediteren ov, er een liefelijk, opwekkend woord als dit: De gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vréde", dat is toch wel groot. Dat is alleen te danken aan het werk van de Vredevorst, dat is enkel en alleen een vrucht van het werk des Gesetes. De Vredevorst toch is het, Die verzekert aan de Zijnen: Mijn vrede laat Ik u. Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd; en zij niet versaagd" (Joh. 14 : 27). En van de Heilige Geest getuigt de Apostel Paulus: Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vréde, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid"(Gal. 5 : 22).

„De gemeenten dan, door geheel Judea, en Samaria, hadden vréde." Toen Saulus bekeerd was, de voornaamste vervolger, gaf de Heere de gemeenten een tijdperk van verademing, van rust. Calvijn schrijft, naar aanleiding van dit woord „vrede": „Deze vrede is niet van blijvende duur. maar het betekent, dat God Zijn kudde voor korte tijd enige verlichting toestond. Een weldaad, die niet te versmaden is, als de kerken vrede hebben." En Da Costa heeft gezegd in zijn Bijbellezingen: „De vervolging is in de bekering van Saulus gebroken... Een Sabbatstijdperk tot nieuwe opgadering van krachten voor telkens nieuwe strijd." — Wat zorgt de Heere toch voor de Zijnen! Hij weet, dat de drukking van de melk nodig is, zal er boter voortgebracht worden. Door vele verdrukkingen moeten Zijn keurlingen ingaan in het Koninkrijk der hemelen. Ook de moeilijke tijaen, ook de vervolgingen zelfs, zijn een uitvloeisel van Gods liefde. Die Hij liefheeft, kastijdt Hij. O, dat gij, die een weg van verdrukking moet gaan, dat gij ook die drukwegen mocht zien liggen in het licht van Gods liefde, van Zijn vriendelijk aangezicht. Wat wordt zelfs het donkere dan lichtl

Maar, wat zijn ook de tijden van verademing, van vrede, nodig en nuttig! En wat zijn zulke tijden van verlichting vaak gezegend ook in dit opzicht, dat gij daarin weer nieuwe krachten moogt ontvangen voor uw arbeid en voor uw strijd. De Heere geeft alles, èn de drukwegen, èn de tijden van verlichting, van vrede, op Zijn tijd. Och, dat wij dan ook in waarheid mogen erkennen: „Mijn tijden zijn in Uw hand."

„De gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vréde." Niet alleen doordat hun vijanden niet zo briesten, niet alleen doordat die grote vijand, Saulus, bekeerd was, niet alleen doordat het bleek, dat de doodsvijand, de duivel, is een hond aan de ketting. Neen! Let maar op die namen Judea, Galilea, Samaria. Ze spreken van veel verdeeldheid, twist, verwerping. En nu door het geloof in Christus, de Vredevorst, en nu door het bloed der verzoening, onderlinge vréde. Moge het zo zijn, zo worden ook onder ons bij degenen, die leven en strijden onder de scepter en onder de banier van Koning Jezus! Onderlinge vrede en samenbinding. Bid om de vrede van Jeruzalem (Ps. 122), want er ontbreekt alles aan.

„De gemeenten dan, door geheel Judea en Galilea, en Samaria, hadden vréde." Vrede natuurlijk vooral in de diepe zin. Vrede des harten. Vrede door het bloed van Christus. Vrede met God. Dat is het voornaamste. Wat waren dat een gelukkige gemeenten! Het is om jalc*& rs op te worden. Bid om de vrede van het Jeruzalem van de Kerk, om de vrede van het Jeruzalem des harten, vooral in dit opzicht. Het is een wonderlijke vrede. Het is een vrede zelfs in het midden van een heilige oorlog. Het is een vrede, die alle verstand te boven gaat.

Missen wij die vrede, dan worden wij bevonden tegen God te strijden, dan zal God eens bpstaan tot de strijd. En wat zal daarvan het einde zijn? — Nog is het niet te laat!

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 juli 1955

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

LEVENDE EN LEVENDIGE GEMEENTEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 juli 1955

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken