Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een provinciale kerkvergadering komt samen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een provinciale kerkvergadering komt samen

6 minuten leestijd

(3)

In het vorige artikel hebben we gezien hoe er een gravamen terechtgekomen is tegen de Dordtse Leerregels in de provinciale kerkvergadering van Utrecht. We hebben beloofd u nu nog te zullen vertellen op welke wijze dit gravamen daar behandeld werd. Op de inhoud van het gravamen willen we nu nog niet diep ingaan, daar we ons voorstellen, dat we de principiële vragen, die hier aan de orde komen, in enkele afzonderlijke artikelen zullen behandelen. Rondom de leer der verkiezing hebben nu eenmaal altijd verschillende spanningen bestaan, waardoor in alle tijden vragen naar voren kwamen rondom het leerstuk der verkiezing, , die zeer belangrijk zijn voor de prediking en de pastorale verzorging. Dat Ds Duetz deze vragen opnieuw aan de orde heeft gesteld door zijn gravamen is derhalve een zaak van belang voor het kerkelijk leven.

Hoewel we derhalve nu niet breed zullen ingaan op de eigenlijke inhoud van het gravamen, willen Tve tot goed begrip van deze zaak, toch enkele punten noemen waardoor Ds Duetz bezwaard is. In zijn begeleidend schrijven zegt hij o.a. het volgende: „Aan u allen is bekend artikel 10 van onze kerkorde: „Van het belijden der kerk". Onder punt 1 wordt daar gezegd, dat de gehele kerk in dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als bron der prediking en als enige regel des geloofs, ook in haar ambtelijke vergaderingen, in gemeenschap met de belijdenis der vaderen en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het heden, zich strekkende naar de toekomst van Jezus Christus, belijdenis doet van de zelfopenbaring van de Drieënige God. Uit punt 2 blijkt, dat de belijdenis der vaderen ook vervat is in de Nederlandse geloofsbelijdenis met de Dordtse Leerregels, terwijl onder punt 3 wordt gezegd, dat de kerk in haar verantwoordelijkheid voor het heden en levende in de uit de Schrift geputte belijdenis der vaderen, telkens opnieuw belijdt in haar — en o.a. worden daar dan ook genoemd — belijdenisgeschriften, Jezus Christus als Hoofd der Kerk en als Heer der wereld. Tenslotte wordt onder punt 7 vermeld, dat bezwaren inzake dat belijden door lidmaten, onder beroep op het Woord Gods, kunnen worden voorgelegd aan het oordeel der Kerk, die zich daarover uitspreekt".

Nadat Ds Duetz er dan op gewezen heeft, dat hij wel ruimte ziet in de uitdrukking „gemeenschap met de belijdenis der vaderen" en dat de belijdenisgeschriften niet juridisch bindend zijn en hoogstens een afgeleid gezag hebben omdat de Schrift de enige regel des geloofs is, meent hij toch gebruik te moeten maken van het indienen van een gravamen nu er in een belijdenisgeschrift dingen worden geleerd, die volgens hem niet in overeenstemming

zijn met de Heilige Schrift. En hij vervolgt dan: „Het is daarom, dat ik u hierbij een gravamen overleg inzake de formuleringen van de leer der goddelijke verkiezing en verwerping zoals deze met name in het eerste hoofdstuk der Dordtse leerregels wordt beleden. Natuurlijk wel wetend, dat hierbij ook verdere uitspraken dezer Dordtse Leerregels in het spel zijn en ook artikel 16 van de Ned. Geloofsbelijdenis, ben ik gedwongen tot beperking. Deze veelomvattende zaak zal dan wel door „het oordeel der kerk, die zich daarover uitspreekt", in het volle licht worden gesteld. Een gravamen is een bezwaarschrift en het is onnodig te zeggen, dat ik met een bezwaard hart er toe gekomen ben om dit in te dienen. Ik had gehoopt dat vooraanstaande theologen in onze kerk, die blijkens hun publicaties soortgelijke bezwaren hebben en die voor deze taak beter geschikt zijn dan ik, dit' zouden hebben gedaan. Daar ze dat, voor zover mij bekend, tot op heden niet gedaan hebben, vertrouw ik, dat ze in de verschillende kerkelijke vergadering op hun, ongetwijfeld klaardere wijze dan het hier gebodene, zullen aandringen op herziening van dit stuk der belijdenis in het licht van de Heilige Schrift".

Daar hebben we derhalve de zaak waar het om gaat. Ds Duetz gevoelt, dat zijn opvattingen ten aanzien van de verkiezing niet stroken met hetgeen hierover in de belijdenisgeschriften der vaderen geleerd wordt. We noemen dit een eerlijke en ruiterlijke bekentenis. Hoevele predikanten hebben jaar en dag gepreekt in strijd met de belijdenis op deze punten, ook in de laatste jaren, nu ze volgens artikel 10 moeten prediken in gemeenschap met de be-

lijdenis der vaderen en gemeenschap gaat nog veel dieper, zo heeft men ter generale synode vastgesteld, dat overeenstemming met die belijdenis — en ze doen dit met een rustig geweten. Ds Duetz is verontrust geworden, want hij ziet zichzelf hier in strijd komen met de belijdenis der kerk. En hij wil een eerlijke-houding aannemen tegenover die belijdenis.

Dit is het waar we al jarenlang tegen gestreden hebben, tegen de onwaarachtigheid in de kerk. Men zegt te willen prediken in gemeenschap met de belijdenis der vaderen, en op zo'n belangrijk punt, dat de fundamenten der kerk raakt, als de verkiezende genade Gods, gaat men dwars tegen de belijdenis der kerk in. En dat tracht men dan met allerhande interpretaties van artikel 10 goed te praten. De vrijzinnige heeft zijn vrijzinnige interpretatie, de midden-orthodoxe tracht er zijn eigen opvattingen in te lezen, terwijl dan ook de gereformeerde belijder zelf mag weten hoe hij dit artikel 10 van de kerkorde wil verstaan. Zou de Heere Jezus juist tegen deze onwaarachtigheid niet toornen? Dat heeft Ds Duetz begrepen en daarom gevoelde hij zich in zijn geweten verplicht om dit gravamen in te dienen.

Wij willen hier terstond opmerken, dat we ons door dit gravamen van Ds Duetz zeer bezwaard gevoelen. Want naar onze mening wordt hier de bijbelse leer aangaande de verkiezing niet juist voorgesteld. We menen, dat onze kerk nog zeer veel kan leren van de Dordtse Leerregels en dat het de prediking onzer kerk ten goede zou komen wanneer ze meer door deze Dordtse Leerregels beïnvloed was. Maar dat onthoudt ons niet om te zeggen, dat Ds Duetz recht gehandeld heeft, dat hij zijn bezwaren tegen de belijdenis der vaderen niet onder zich heeft gehouden, terwijl hij rustig zou zijn voortgegaan te prediken en te leren op een wijze die in openbare strijd komt met de „uit de Schrift geputte belijdenis der vaderen".

We zullen echter tevens verstaan hoe gevaarlijk de roep om herziening van de belijdenisgeschriften is in het midden van een kerk, die „aan haar belijdenis is ontzonken". Dat hebben ook enkele leden van de provinciale kerkvergadering van Utrecht gevoeld, die in de bezwaren van Ds Duetz toch ook wel iets hoorden doorklinken van hun eigen bezwaren tegen de Dordtse Leerregels, maar die toch meenden, dat het niet goed zou wezen voor het kerkelijk leven wanneer nu al deze zaak als een gravamen in de generale synode aan de orde zou komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 juli 1955

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Een provinciale kerkvergadering komt samen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 juli 1955

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken