Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE BORG

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE BORG

6 minuten leestijd

Indien gij dan Mij zoekt, zo laat deze heengaan. Joh. 18 : 8b. Een grote bende is opgekomen om de

Heiland van zondaren gevangen te nemen en over te leveren aan de overpriesters. die het besluit genomen hebben om Hem te doden. Aan het hoofd van die bende loopt Judas, de discipel, die Hem verraden zou. Wanneer deze bende bij de hof Gethsemané is aangekomen, snelt Judas vooruit en geeft Christus een kus, het afgesproken teken, waarmede hij de Heiland aanwijst aan diegenen, die Hem moeten binden en meevoeren naar de hogepriester. Welk een waarschuwend voorbeeld moet deze Judas zijn voor een ieder van ons. Was hij niet jaren lang de discipel van Christus geweest? Had hij de prediking van de Zone Gods niet beluisterd? Had hij niet vele wonderen gezien, door de Zaligmaker verricht? En toch wordt hij een verrader. Zouden wij allen niet moeten vragen met de andere discipelen: Ben ik het misschien ook, Heere? Is ook ons hart niet boos en arglistig? Achter Judas dringt de bende de hof binnen om Jezus te zoeken. In de verwarring, die ontstaat, weten ze echter niet, wie ze hebben moeten. Maar dan zal Christus tonen, dat Hij zich vrijwillig overgeeft. Want dan klinkt het uit zijn mond: Wie zoekt gij? En het antwoord der bendeleden is: Jezus de Nazarener! O, hoe vreselijk is het, Jezus te zoeken, niet om eeuwige behoudenis in Hem te vinden, maar om Hem te verderven. Maar hoe koninklijk is daartegenover het antwoord van Christus: Ik ben het! Hij openbaart aan de bende iets van zijn Goddelijke heerlijkheid en majesteit, want wanneer deze woorden uit zijn mond weerklinken, vallen ze allen van schrik achterover. En dat gebeurt tot tweemaal toe. En wanneer ze straks Christus gevangen zullen nemen, zal dat zijn, doordat Hij zich vrijwillig overgeeft. Welk een dierbare gedachte is dit, voor diegenen, die Christus hebben Ieren liefkrijgen, dat Hij zich vrijwillig heeft overgegeven in de dood, ja de dood des kruises, om een volk van die dood te redden, om een hel, die verdiend was te blussen, om een eeuwige verdoemenis, die rechtvaardig komen zou te verslinden. Daardoor kan deze Heiland tot hen, die zich arm en ellendig weten, die een Borg en Middelaar zoeken voor hun zonde en schuld, zeggen: Ik ben het, uw Verlosser, uw Zaligmaker. Die bendeleden zijn echter rampzalige zoekers. Ze zoeken geen heil en geen zaligheid in Hem en daarom zullen ze vinden het eeuwige verderf. Ze nemen Christus gevangen, ze voeren Hem mede, ze laten echter de discipelen gaan. Ze geven gehoor aan het verzoek van de Heiland, dat we vinden in onze tekst. Indien gij Mij zoekt, zo laat deze heengaan.

Welk een ondoorgrondelijke liefde ligt er in deze woorden opgesloten. De discipelen des Heeren zijn in grote nood. Ze lopen gevaar ook gevangen genomen te worden, ook gebonden en overgeleverd te worden, ook gedood te worden. Dat wist Christus. En daarom spreekt Hij het koninklijke woord: Indien gij dan Mij zoekt, zo laat deze heengaan. Wie worden nu met „deze" bedoeld? Alleen de discipelen? Neen, de ganse Kerk des Heeren uit alle tijden en uit alle landen. Alle uitverkorenen, die ontdekt zijn aan zonden en schuld, en voor die zonden en schuld een Borg en Middelaar nodig hebben. Die „deze" zijn allen, die zich schuldig weten aan al de geboden des Heeren, en die daarom hun eigen doodsvonnis moeten ondertekenen. Die zich met duizend banden gebonden weten aan zonde en wereld, maar die door de Heere van die banden worden losgemaakt. O, wanneer we tot dat volk behoren, dat van de Heere wordt geleerd, zijn we zo gelukkig. Want zie. voor dat volk nu heeft Christus geleden. Om dat volk te zaligen, sprak Jezus in de hof Gethsemané: Indien gij dan Mij zoekt, zo laat deze heengaan. Wanneer gij tot dat volk behoort, zult ge kunnen vertellen van die zoete genade: Voor Jezus de banden, voor u de vrijlating. Voor Hem de strijd, voor u de overwinning. Voor Hem de dood, voor u het leven. Hij sterven onder het recht Gods, opdat gij zoudt kunnen roemen in de vrije genade Gods, waardoor zondaren nog kunnen worden verlost van hun welverdiende straf.

Indien gij dan Mij zoekt, zo laat deze heengaan. Hij moet toch immers de pers alleen treden, terwijl er niemand is, die Hem ter zijde staat. De verzoeningsdood kan Hij alleen sterven, omdat Hij was de Middelaar Gods en der mensen. En daarom beschermt Hij in zijn getrouwe liefde zijn ontrouwe discipelen. En daarom beschermt Hij in zijn hogepriesterlijk medelijden zijn kinderen. Hier ziet ge de goede Herder, die zijn leven stelt voor de schapen. Hoe komt hier het plaatsbekledende lijden van de Borg en Middelaar duidelijk uit. Misschien zijn er onder de lezers, die nu moeten zeggen: Ach Heere, ik heb door mijn zonden en overtredingen de dood verdiend. Zie dan die Christus, Die de straf op Zich neemt, die wij naar recht hadden moeten ondergaan. Hij laat Zich gewillig binden, opdat zijn discipelen in vrijheid zouden kunnen heengaan. De liefde van de Borg voor schuldige zondaren, steekt verre boven alle liefde der wereld uit. niet moeten treuren over onze grote schuld? Nu zijn er zoveel, die moeten instemmen met de woorden van een dichter: Ik deed als Jeruzalems dochters weleer. Ik weende om de pijn van mijn lijdenden Heer', Ik dacht er niet aan. dat ik zelf door mijn schuld. Zijn kroon had gevlochten, zijn beker gevuld. En wil het Borgwerk van Christus nu voor ons vrucht dragen, dan zullen we eerst moeten leren wenen en treuren over onze zonden. We zullen ontdekt moeten worden aan onze schuld. Dan mogen we echter zien op die oneindige liefde Gods. dat Christus Jezus zichzelf heeft laten binden om ons van de zondebanden te verlossen. Dan wordt het enkel genade, dat Christus daar werd gebonden en weggeleid.Want in die weg alleen kon er aan het recht des Heeren worden voldaan, in die weg alleen was er voor een arm en ellendig volk, dat echter op 's Heeren naam vertrouwt, een mogelijkheid van zalig worden.

Indien gij dan Mij zoekt, zo laat deze heengaan. In deze Zichzelf overgevende Borg bezit het kind des Heeren alles, wat het nodig heeft. Wanneer de machten der hel en des doods op het kind Gods aanvallen, spreekt de Zaligmaker: Laat hem heengaan. Heengaan naar de hel? Neen! Heengaan naar de vrede, die alle verstand te boven gaat. Heengaan naar de zalige rust, die er overblijft voor het volk Gods. Heengaan naar het Vaderhuis met zijn vele woningen, om daar een Drieënig God groot te maken, om daar Vader, Zoon en Geest te verheerlijken. Wanneer we door het geloof met die Borg en Middelaar verbonden zijn, hebben we een zalige toekomst. Omdat Christus geleden heeft, kunnen we na volbrachte levensstrijd zingen:

Dan ga ik op tot Gods altaren. Tot God. mijn God, de bron van vreugd, Dan zal ik, juichend, stem en snaren. Tot roem van zijne goedheid paren. Die. na korstondig ongeneugt, Mij eindeloos verheugt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 maart 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DE BORG

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 maart 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken