Bekijk het origineel

DE BITTERE VIJANDSCHAP TEGEN HET EVANGELIE VAN CHRISTUS, DE GEKRUISIGDE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE BITTERE VIJANDSCHAP TEGEN HET EVANGELIE VAN CHRISTUS, DE GEKRUISIGDE

10 minuten leestijd

Doch wij prediken Christus, de Gekruisigde, den Joden wel een ergenis, en den Grieken een dwaasheid; Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.

1 Corinthe 1 : 23 en 24.

Het is een rijke prediking, die ik, met veel zwakheid en gebrek, 50 jaren lang heb mogen brengen, namelijk de prediking van Christus, de Gekruisigde. Het is een ontdekkende en beschamende prediking. Met hoeveel kracht worden wij, arme zondaren, door die prediking van Christus, de Gekruisigde, bepaald bij onze zonde en ellende, bij onze diepe val in ons hondshoofd Adam in het Paradijs, en dus bij onze droevige staat en toestand. Zij brengt ons voor de spiegel van Gods Wet, die het ons toeroept: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen." En als het nu de Heilige Geest behaagt, om gebruik te maken van die prediking van Christus, de Gekruisigde, dan leert een verloren zondaar de beschamende en ontdekkende kracht er van bevindelijk kennen. Zo komt gij op de laagste plaats, als een dood-en doemschuldig zondaar onder het recht Gods. O, als gij te zien krijgt, wat de zonde Christus, de Gekruisigde, gekost heeft, dan komt er diepe droefheid en schaamte in een verbroken hart en in een verslagen geest. Dan is het bij al de geboden des Heeren tot tienmaal toe: „schuldig, schuldig, schuldig!" Nu ziet gij tot uw veroordeling: „tegen al de geboden Gods heb ik zwaarlijk gezondigd, en geen derzelve heb ik gehouden."

Maar, voor zulke verbrokenen van hart, en verslagenen van geest, die voor Gods aangezicht komen in zelfveroordeling, met de offeranden, die nooit van Hem veracht zijn geweest, die Hem integendeel welbehagelijk zijn, voor zulke arme zondaren, is de prediking van Christus, de Gekruisigde, ook zo vertroostend. Door die prediking wordt de ellendige, die zichzelf aanklaagt, veroordeeld en roept om genade en geen recht, zo bemoedigend en troostvol gewezen op de, Heere Jezus Christus met Zijn borgtochtelijke gerechtigheid, Die als Borg de schuld van Zijn volk volkomen heeft betaald, tot de laatste penning toe. Hij ook is het, Die als Middelaar Gods en der mensen zo bemoedigend spreekt: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij." Hij, de Gekruisigde, is voor al de gegevenen des Vaders tot een vloek geworden, opdat zij van de vloek verlost, delen zouden in Zijn zegeningen.

Als de Heilige Geest die troostvolle zijde van de prediking van Christus, de Gekruisigde, toepast aan uw hart, dan wordt vreugde gegeven in uw hart, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd worden. En die vreugde wil zich uiten door er aldus met de Psalmdichter van te zingen:

De lofzang klimt uit Sions zalen Tot U, met stil ontzag; Daar zal men U, o God, betalen Geloften, dag bij dag. Gij hoort hen, die Uw heil verwachten O Hoorder der gebeên, Dies zullen allerlei geslachten Ootmoedig tot U treên.

Oppervlakkig beschouwd zouden wij geneigd zijn te denken: die liefelijke, die rijke prediking wordt allerwege aangenomen. Wie zou er bij de openbaring van zulk een liefde als in Christus, de Gekruisigde, koud kunnen blijven? Wie zal verwerpen die onmisbare, bereidwilige, algenoegzame Zaligmaker? Vooral, als wij nog jong zijn en mogen beginnen te prediken Christus, de Gekruisigde, dan leeft die gedachte nog al eens in het hart: zulk een heerlijke, blijde boodschap zullen vele mensen toch wel aannemen. Telkens weer echter wordt het tegenovergestelde ervaren. Dat is de teleurstellende, bittere ervaring van zo menige jonge Evangeliedienaar geweest. Zovelen blijven zich afkeren van Dien, Die van de hemelen is. In onze natuurstaat willen wij niet weten van Christus, de Gekruisigde. Doch, als wij ons eigen hart door genade enigermate mogen leren kennen, dan zullen wij ons over die afkerigheid, , die vijandschap, niet altijd meer zo verwonderen, al zal zij ons wel smart aandoen. Dan wordt het ons integendeel een wonder, als er nog zijn, die heilbegerig leren luisteren naar de prediking van Christus, de Gekruisigde. Dan krijgt gij al meer te zien: dat is niet mijn werk! neen, dat is de invloed, de kracht, het werk van de Heilige Geest. Dat is een wonder van Gods almacht en genade. Noch hij, die plant is iets, noch hij, die natmaakt, maar God is het, Die de wasdom geeft. En als de prediker zichzelf al meer mag leren'kennen als slechts een nietig instrument in Gods hand, dan wordt het gemakkelijker te blijven volharden, zonder er iets van af te doen, bij het: „Wij prediken Christus, de Gekruisigde."

Van de krachtige tegenstand tegen de prediking van Christus, de Gekruisigde, had ook de apostel Paulus smartelijke ervaring opgedaan. Vandaar, dat hij schrijft: „Wij prediken Christus, de Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid." Paulus had het ervaren bij zijn arbeid onder de Joden, ja in zijn eigen hart en leven, dat Christus, de Gekruisigde, den Joden een ergernis is. Een ergernis, dat is een struikelblok op de weg, waaraan wij niet voorbij kunnen komen, waaraan wij ons stoten, waarover wij vallen, waarop wij ons in onze vijandschap te pletter lopen. Christus, de Gekruisigde, zou dat de Messias van de Joden zijn? Neen! hun Messias zal zijn een koning, schitterender dan David en Salomo. Hij zal de vijanden van Israël verdoen. En zijn volk zal hij tot de overwinning en tot de heerschappij leiden. O, hoe ergerden de hoogmoedige Joden zich aan het opschrift boven het middelste kruis: „Jezus de Nazarener, de koning der Joden"! En dan, die Jezus van Nazareth had

gezegd: „Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering." Over de rechtvaardigen sprak Hij uit zijn herhaald: „Wee u!" Neen, dat is Israëls Messias niet. Hem kunnen. Hem willen zij niet als hun Koning erkennen. Met smart moet Paulus het later belijden: „Ik meende waarlijk tegen Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen te moeten doen." — Voorwaar, Christus, de Gekruisigde, was den Joden een ergernis. Welk een tegenstand, welk een vijandschap toch tegen het Evangelie van Christus! •

Maar niet minder is Christus, de Gekruisigde, den Grieken een dwaasheid. De Grieken zijn de vertegenwoordigers van het heidendom. Zij zijn de voortreffelijksten onder de heidenen. Onder die Grieken bloeiden kunsten en wetenschappen. Zij gaven zich over aan de eredienst van het schone. De Grieken waren het cultuurvolk van die dagen. En nu moesten die Grieken, die aanbidders waren van het schone, niets hebben van het verachte, lelijke kruis, van de Man van smarten zonder gedaante of heerlijkheid. De Grieken, die wijsheid zochten, en met hun verstand door wilden dringen tot de grond der dingen, zij spotten met de dwaasheid van een gekruisigde Verlosser en Koning. Ja, Christus, de Gekruisigde, was de Grieken een dwaasheid, die zij niet konden, niet wilden aanvaarden. Ook hier dus alweer, welk een tegenstand, welk een vijandschap, tegen het Evangelie van Jezus Christus, en Die gekruist!

Doch ook onder de dragers van de christennaam zijn zulke Joden, wien Christus, de Gekruisigde, een ergernis is, zulke Grieken, wien Christus, de Gekruisigde, een dwaasheid is, niet zeldzaam. Hoe velen onder ons ergeren zich aan de gekruisigde Christus! Van nature wil niémand weten van het: „En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is." O, dat door eigen schuld verloren, alleen uit vrije genade zalig, het is voor het onwedergeboren hart een steen des aanboots en een rots der ergernis. Waar moet het dan heen, zo vraagt men, met de goede werken? en met de verantwoordelijkheid van de mens?

En hoevele Grieken zijn er niet onder ons, die wel de christennaam dragen, doch die Christus, de Gekruisigde, omdat zij dat niet kunnen begrijpen, dwaasheid vinden. Zij menen wel andere wegen te weten, die de mens voeren naar de hoogten van het geluk, wegen, waarom een verstandig, ontwikkeld mens niet behoeft te glimlachen.

Zelfs al is God het goede werk van Zijn genade in u begonnen, zijt gij, mijn lezer, dit alles nog niet te boven. Zijn de discipelen niet geërgerd geworden aan een Christus op de kruisweg? Is het woord van de Emmaüsgangers niet de uitdrukking van de ergernis in hun hart: „Wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou"? •— Ach, wij willen onszelf handhaven. Wij willen niet met Christus gekruisigd worden en sterven. Wij willen niet door de duisternis tot het licht, door de dood tot het leven. Dat kost wat een strijd. Om het daarmede eens te worden is nodig de ontdekkende, de ontledigende werking van de Heilige Geest.

Bij al Gods kinderen, zelfs bij de verstgevorderden, blijft het tot aan de stervensure toe telkens, dat Christus, de Gekruisigde, hun bij tijden is een ergernis en een dwaasheid. Dat klinkt u misschien vreemd in de oren. Maar als gij een kind van God moogt zijn, dan weet gij dit maar al te goed. Er is zóveel in u over van de Jood en van de Griek als er in u over is van het vlees, van de oude mens. Wat kunt ge, mijn strijdende lezer, een last hebben van de Jood en de Griek in de wereld om u, zeker, maar nog veel meer van de Jood en de Griek in u!

Er is dus een krachtige tegenstand tegen het Evangelie van Christus, de Gekruisigde. Dat is in de loop der jaren de ervaring van al de gezanten van Christus wege. Het is een teleurstellende, een bittere ervaring. En dit te meer, als gij die tegenstand ook telkens voelt opkomen in uw eigen hart.

Doch, ook uit dit kwade doet God wel eens het goede voortkomen voor ons predikers. Dat heb ik in die 50 voorbijgevlogen jaren ook wel eens mogen ervaren, nL dit goede, dat wij zo klein gemaakt en gehouden worden. Ach, niet alleen onze liefde tot de zielen en tot de Heere Jezus Christus, wil, dat er zondaren worden toegebracht, dat er zegen valt. Ook ons hoogmoedige hart wil dat. En nu moeten wij, door middel van de vijandschap en de spot van de Jood en de Griek, buiten ons, èn in ons, onze afhankelijkheid al meer gaan kennen. Wij moeten het leren verstaan, dat wij geen enkel mens kunnen bekeren, dat het zo waar is, wat de Heiland zegt: „Zonder Mij kunt gij niets doen."

Er is veel tegenstand tegen het Evangelie van Christus, de Gekruisigde. En toch! wij prediken, schrijft Paulus. En ik heb het door Gods ondersteunende genade 50 jaar lang mogen doen. Telkens werd ik er toe opgewekt: „Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!" O, dat die nood, op de voorbede van de gemeente, door de kracht van de Heilige Geest, ons maar alzo worde opgelegd, dat wij niet kunnen zwijgen, al maken de Jood en de Griek, van buiten en van binnen, het ons ook zeer moeilijk. Gode zij dank! er gaat kracht uit van Christus, de Gekruisigde, om te ondersteunen en te sterken. Als wij Hem in het oog mogen hebben, dan vallen de mensen weg. Het wordt bij tijden zo gemakkelijk, als de Heere ons toefluistert: „Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden." En al is er een berg van bezwaren, voor ons en in ons, dan wordt die berg wel eens opgenomen en geworpen in het hart van de zee.

„Gelukkig de prediker, gelukkig élk getuige van Christus, in wiens hart het wel eens mag zijn in oprecht geloof: „Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel, d.i. van Christus, zult gij worden tot een vlak veld: want Hij zal de hoofdsteen toebrengen, met toeroepingen: Genade, genade zij dezelve!" Denkt gij, mijn lezer, er wel eens aan, om dit voor Gods jonge en oude dienstknechten te vragen?

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 september 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DE BITTERE VIJANDSCHAP TEGEN HET EVANGELIE VAN CHRISTUS, DE GEKRUISIGDE

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 september 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken