Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gerechtvaardigd door het geloof alléén

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gerechtvaardigd door het geloof alléén

11 minuten leestijd

(HERDENKING VAN DE HERVORMING)

SOLA FIDE!

(2)

Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.

Romeinen 3 : 28.

Het besluit van Rom. 3 : 28: erechtvaardigd zonder de werken der wet, vernedert de mens op het allerdiepst, maar tegelijkertijd verheerlijkt het Christus op het allerhoogst. Het zegt ons, dat wij alleen door het geloof, door het geloof in Christus, gerechtvaardigd kunnen worden. Tot dat besluit kwam ook Luther na ontzaglijk veel strijd. Rechtvaardig alleen door het geloof in Christus, daardoor wordt de Zaligmaker verheerlijkt. Zo wordt het: ezus alleen. Zo wordt Hij er-

'kend als de énige Zaligmaker. Zo wordt Hij groot gemaakt als een volkómen Zaligmaker. Het wordt ons toegeroepen: rechtvaardig te zijn voor God is onmogelijk, tenzij dat gij in Christus leert geloven. Al is het echter maar op één manier mogelijk, het is dan toch mógelijk. Het is mogelijk door Gods genade in de Heere Jezus Christus. Als uit uw geslingerd hart opklimt de vraag: „hoe word ik rechtvaardig voor God? " dan mogen wij u antwoorden: „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt."

Als alles ons aanklaagt, als de Wet ons vervloekt, satan ons verklaagt, ons geweten zelfs ons veroordeelt, vlucht dan tot de Heere Jezus. Zegt gij: „het is buiten hope? ", acht gij u geheel verloren? , ^chijnt u de dood voor ogen? — dan is er toch nog Eén, Die u kan redden, Eén door Wie gij met God verzoend kunt worden. En die Ene is de Heere Jezus Christus. Hij heeft de ganse Wet volbracht. Aan Zijn gehoorzaamheid ontbreekt niets. Hij heeft de toorn Gods tegen de zonde gedragen. Het werk van deze Borg is zonder enige onvolkomenheid. Zie Hem daar hangen aan het kruis van Golgotha. Bang is Zijn strijd. Zwaar is Zijn lijden. Alles, alles is tegen Hem. Zijn discipelen hebben Hem verlaten. De mensen bespotten Hem. De machten der hel benauwen Hem. Zijn Vader verlaat Hem. En als het donker is in het rijk der natuur en helse angsten en verschrikkingen zijn ziel kwellen, dan moet Hij uitklagen in deze hartverscheurende klacht: „Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten? " Maar gelukkig! door de kracht van Zijn Godheid is Zijn mensheid niet bezweken. Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde. Tenslotte is de strijd gestreden. Dan klinkt het als een zegezang van datzelfde kruis, en van diezelfde lippen: „Het is volbracht!" Volbracht is het werk tot redding van een schare, die niemand kan tellen. Volbracht is het werk, dat de engelen onophoudelijk bewonderen. Volbracht is het werk, waarin de Vader zelfs geen onvolmaaktheid ziet.

Door het geloof in die Christus wordt een zondaar gerechtvaardigd, d.w.z. vrijgesproken door God Zelf van schuld en van straf, en hij ontvangt een recht op het eeuwige leven, want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Cor. 5:21).

De zaligheid is, in verdienste en in toepassing, in geen ander, want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden. Zijn dadelijke gehoorzaamheid èn Zijn lijdelijke gehoorzaamheid, d.w.z. Zijn volbrengen van de Wet en Zijn dragen van de straf voor al de gegevenen des Vaders, zijn zó zonder enig gebrek, dat daardoor aan het recht Gods volkomen genoeggedaan wordt.

En dat was immers ook onafwijsbaar nodig. Wij vinden toch in onze Heidelbergse Catechismus, in ons schatboek, de volgende vraag en antwoord: Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan, en wederom tot genade komen? — God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij dezelve, óf door onszelf, óf door een ander, volkomenlijk betalen" (Z. 5, vr. en antw. 12). Dat is op Gods Woord gegrond, want wij lezen in Gen. 2 : 16 en 17 het proefgebod, dat ons aldus bepaalt bij de onkreukbare gerechtigheid Gods: En de Heere God gebood de mens, zeggende: an alle boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten, maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven." — En nadat de mens toch zijn hand had uitgestrekt naar de verboden vrucht, en in zonde is gevallen, werd hij door de heilige en rechtvaardige God ter verantwoording geroepen. Wij lezen in Genesis 3, het hoofdstuk van de verschrikkelijke zondeval van Adam en Eva, en dus van het gehele menselijke geslacht: En de Heere God riep Adam, zoals Hij ook u en mij weer roept door de prediking: n de Heere God riep Adam en zeide tot hem: aar zijt gij? ' Daarop volgde het antwoord van ons aller vader, Adam, vol van ontdekking en waarschuwing: Ik hoorde Uw stem in de hof, en ik vreesde, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij." Let er op: aakt! hoewel Adam en Eva zich schorten van vijgeboombladeren hadden gemaakt! En dus, oifze eigengemaakte bedekselen kunnen onze naaktheid voor God niet bedekken.

Maar dan volgt de eerste verkondiging van het rijke Evangelie door God de Heere Zelf, de eerste prediking van de Verlosser en Zaligmaker, van de Christus Gods, die ons spreekt van een volkomen verzoening door voldoening. Zelfs het jongste kind onder ons midden kan die prediking, in de moederbelofte vervat, opzeggen. Kinderen in ons midden, en ook gij ouden van dagen, klinkt u dat niet bekend en vertrouwd in de oren? : „En Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, tussen uw zaad'en haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen." — Welk een ontzaglijke, maar ook rijke prediking van de betrouwbaarste Prediker, die er ooit is geweest, van God Zelf! Daar ligt in kiem nu alles, alles in, wat een zondaar nodig is te weten tot zaligheid. Zij spreekt ons op ontroerende wijze van

strijd en overwinning, van bitter lijden en van volkomen genoegdoening, van een lijdende en strijdende Kerk, maar ook van een triumferende Kerk in Christus. In Christus meer dan overwinnaars. Hebt gij dat Genesis 3:15 al leren kennen als het Prot-Evangelie, als de blijde boodschap niet alleen voor anderen, maar ook voor u? Zijt gij voor uzelf reeds gekomen tot het besluit, waardoor de Heere Jezus Christus op het hoogst wordt verheerlijkt? Zijt gij reeds gekomen tot het besluit van Paulus, tot het besluit van Luther, en van de strijdende Kérk? Zijt gij reeds gekomen in de diepste zin tot het besluit van de Heilige Géést, Die toch ook Romeinen 3 : 28 heeft geïnspireerd: Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet"1

De borgtochtelijke gerechtigheid van de Borg en Middelaar van het Genadeverbond, die is aangebracht tot zulk een dure prijs, door een offer, zoals er nog nooit een is gebracht, door het offer van het Lam Góds, in Zijn ganse leven, dat immers wordt samengevat in deze woorden: „Die geleden heeft", doch voornamelijk aan het kruis van Golgotha, — die borgtochtelijke gerechtigheid kan alleen het deel van zondaren worden door het gelóóf, door het geloof alléén, sola fide. Om u allen, klein en groot, jong en oud, rijk en arm, kind der wereld, kind van God, in de middellijke weg in te prenten, dat wij allen alleen door het geloof in Christus rechtvaardig kunnen worden voor God, herhaal ik, met het oog op de Hervormingsdag, nog eens het woord van onze overdenking: „Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet." Moge de Heilige Geest dit besluit, dat Christus op het allerhoogst verheerlijkt, daar brengen, waar ik het niet brengen kan en zelfs geen profeet of apostel, geen vader in het geloof of een moeder in Israël, nl. in het diepst van uw hart, in een akker wel toebereid door de ploeg van Gods heilige Wet, bestuurd door de Heilige Geest!

Gerechtvaardigd moeten wij worden, want wij zijn in het Paradijs kwijtgeraakt onze oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid, Wij zijn goddelozen geworden en dus moeten wij niet als zulke beste, deugdzame mensen, maar als goddelozen gerechtvaardigd worden. En dat kan alléén geschieden door het geloof, door het geloof der werkingen Gods.

Het oprechte geloof is een vrucht van het werk van de Heilige Geest in het hart van een zondaar. Wij kunnen het onszelf niet geven. Maar wel leven wij onder de rechtmatige eis van God: „Bekeert u, en gelooft het Evangelie."

Rechtmatig is deze eis van het genadeverbond, zoals ook die andere van het verbond der werken: „Doe dat, en gij zult leven", óf, zoals de Heere Zelf het zeide tot de rijke jongeling, in antwoord op zijn vraag: „Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? " De Heere Jezus dan antwoordde: „Wat noemt gij mij goed? niemand is goed, dan ^ Eén, nl. God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden" (Matth. 19).

Rechtmatig zijn de eisen Gods, èn die van het werkverbond, èn die van het genadeverbond, omdat het eisen zijn van de onkreukbaar rechtvaardige, van de smetteloos heilige God. Rechtmatig - zijn de eisen Gods ook, omdat Hij ons geschapen heeft goed en naar Zijn evenbeeld, in ware kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid. En wij zijn dit alles kwijt geraakt door onze eigen schuld, doordat wij in onze eerste voorouders, Adam en Eva, geen acht hebben gegeven op de geboden en op de waarschuwingen Gods, maar wel geluisterd hebben naar de leugens en de voorspiegelingen van de vader der leugenen, van de vorst der duisternis, van de duivel, die alzo is geworden de mensenmoorder van den beginne. Het is alweer, zoals onze Heidelbergse Catechismus het zo duidelijk en zo ontdekkend zegt: „Doet dan God de mens geen onrecht, dat Hij in Zijn Wet van hem eist, wat hij niet doen kan? Neen Hij; want God heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat doen kon; maar de mens heeft zichzelf, en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd" (Zondag 4, vraag 9).

Door het geloof alleen kunnen zondaren terugkrijgen de gerechtigheid, die het menselijk geslacht in het Paradijs, in zijn hondshoofd Adam, door eigen schuld, is kwijtgeraakt. Door het geloof alleen, d.w.z. door genade alleen, want het geloof is geen vrucht van eigen akker. Het is een planting des Heeren. Het is het werk van de Heilige Geest, Die ook genoemd wordt de Geest des geloofs. De apostel Paulus schrijft aan de gemeente van Efeze: Uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave. Niet uit de wérken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen" (Efeze 2 : 8—10).

Door het geloof alleen. En door het ware, echte geloof worden wij geen grote, wijze en beste mensen. Het geloof verootmoedigt de mens. Het maakt hem klein en schuldig en arm in zichzelf. Het geloof, zegt Erskine, is van een bedelende aard. Ja, zo is het nu net. Het geloof zegt immers: ik ben een verloren zondaar, ik heb een Redder nodig, Die mij redt uit de klauwen van satan, zonde en wereld, Die mij tot God terugbrengt, en mij met Hem verzoent, door het zoenoffer van Golgotha, dat is tot een volkomen verzoening van al mijn zonden.

Het geloof is als de hand van een arme, hongerige bedelaar, die wordt uitgestoken om een gave te ontvangen, niet op grond van enige verdienste van die bedelaar, maar op grond van vrije goedheid. Het geloof wil alleen ontvangen, in de ledige hand, in het ledige hart, wat komt uit de doorboorde handen van de Middelaar Gods en der mensen, wat komt dus uit de handen Gods, uit de handen, die alleen geven uit vrije genade. Het geloof zoekt het niet bij de gelovige, bij het volk des Heeren, al acht het die hoog en heeft het die hartelijk lief. Het geloof zoekt het niet bij zichzelf. Het geloof zoekt het aan de voet van het kruis van Golgotha, zoekt het bij Christus, Die door Zijn armoede arme zondaren rijk maakt. Het geloof zoekt de Heere Jezus Christus Zélf, omdat Hij is de Parel van grote waarde, omdat Hij is de Zonne der gerechtigheid, omdat dit is de naam, waarmede men Hem noemen zal: De Heere onze gerechtigheid." Dat alles ligt in het besluit, dat Christus op het allerhoogst verheerlijkt, het besluit van Luther, van Calvijn, van Augustinus, van Paulus, ten diepste van de Heilige Geest, het besluit van Rom. 3 : 28: Wij besluiten dan, dat de mens door het gelóóf gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet."

Mijn lezer, is dat ook uw hartebesluit al geworden? Vergeet het niet: zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Door eigen schuld voor eeuwig verloren! Door vrije genade alleen voor eeuwig behouden!

Z.

S. v. D.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 november 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Gerechtvaardigd door het geloof alléén

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 november 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken