Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een gravamen tegen de Dordtse leerregels

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een gravamen tegen de Dordtse leerregels

10 minuten leestijd

Hoofdstuk I Artikel 10

De oorzaak van deze genadige Verkiezing is het enige welbehagen Gods. Zo begint artikel 10. Hier plegen sommigen een vraag te stellen. Collega Duetz doet dat ook. Hij keurt ook deze eerste woorden van artikel 10 af. Wat wil hij dan? Als ik hem goed begrijp wil hij, dat Christus de oorzaak der verkiezing is. Hij schrijft dit: Wij houden het liever bij een formulering als van Paulus, die zich in Efeze 1 : 9 zo uitdrukt: n overeenstemming met het welbehagen, dat Hij zich in Hem (Christus) had voorgenomen."

Onze collega zegt er echter niet bij, dat dit een niet onbestreden exegese is van dit vers uit Efeze. Hij volgt de Nieuwe Vertaling. De Statenvertaling is anders en m.i. juister: „Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven." De Lutherse vertaling heeft: „gelijk Hij bij zichzelven had voorgenomen." De Leidse vertaling spreekt evenmin van een voornemen in Christus, maar laat ook het „bij zichzelven" weg. Prof. Brouwer spreekt ook niet van een voornemen in Christus, maar vertaalt hei zo: „En zo is ook zijn welbehagen, dat hij zich voorgenomen had in Christus te betonen." Hier is dus Christus niet de oorzaak van het welbehagen, maar meer de Uitvoerder. Petrus Canisius vertaalt: „toen Hij ons het geheim openbaarde van zijn raadsbesluit, dat Hij naar zijn welbehagen bij Zichzelf had vastgesteld."

Hoe meer men zich in de Nieuwe Vertaling verdiept, hoe duidelijker het wordt, dat dit geen gezaghebbende vertaling kan zijn. En waarom is nu de overzetting, die collega Duetz zo schoon vindt, bedenkelijk? Prof. J. A. C. van Leeuwen heeft dit toegelicht in zijn Commentaar op dit vers: „want van dit „welbehagen Gods" wordt gezegd: „dat Hij voornam bij zichzelven". 1 ) Prof. v. L. zegt dan waarom dit niet anders kan worden gelezen.

Overigens is het onduidelijk wat collega Duetz kan bedoelen met een welbehagen, dat God zich had voorgenomen in Christus. Als ik hem goed begrijp wil hij Christus het fundament en niet het instrument van dit voornemen doen zijn. Maar hoe kan dat in zijn vertaling gelezen worden? Dat zou ik wel eens willen weten. Ik kan begrijpen, dat de Almachtige zijn voornemen in Christus wilde uitvoeren of betonen of iets in deze geest. Maar wat moet ik denken bij een welbehagen, dat God zich voorgenomen had in Christus te gronden? Dus het was er nog niet in gegrond.

We gaan op dit vraagstuk iets verder in. Het is uit de H. Schrift duidelijk, dat er een verband bestaat tussen de verkiezing en Christus. Dat hebben we in deze artikelenreeks al meer dan eens onderstreept. De verkiezing tot zaligheid kan zonder meer de zaligheid niet brengen. Het werk van Christus is onmisbaar. Zijn lijden en sterven moest tussenbeide ko-

men. Niet minder de verwerving van de H. Geest door Hem om in de uitverkorenen de bekering en het geloof te werken. Dit drukt de Apostel uit door te spreken van een uitverkoren zijn in Christus.

De remonstranten nu hebben Christus genoemd het fundament der verkiezing. Dit is door de gereformeerden sterk bestreden. Christus is niet de oorzaak der verkiezing in deze zin, dat de Goddelijke verkiezing door het werk van Christus zou zijn gemotiveerd. De Zoon heeft de Vader niet tot liefde bewogen, maar de verkiezende liefde Gods is opgekomen uit de Vader zelf. Berkouwer wijst er op, dat de afwijzing van de uitspraak dat Christus dus de oorzaak der verkiezing is, een parallel heeft in de afwijzing van de uitspraak, dat Christus de Vader heeft bewogen om genadig te zijn. Sommigen schenen de stelling te verdedigen, dat de Vader eerst niet gezind was om aan de zondaar genade te schenken. Maar toen kwam Christus met zijn verzoenend lijden en sterven en Hij heeft de Vader bewogen tot een verzoeningsgezinde houding en tot het metterdaad schenken van zijn genade.

Deze gedachte is tamelijk algemeen verworpen. God heeft immers Christus tot verzoening gegeven. Hier is de Vader de Eerste. Ditzelfde geldt van de verkiezing. De gereformeerden hebben Christus wel de oorzaak der verkiezing genoemd, maar dan in deze zin, dat de verkiezing door Hem werd verwerkelijkt. Hij is ool^ de verdienende oorzaak van de zaligheid, die het doel der verkiezing is. De gemeente en Christus zijn samen, in eenzelfde besluit, in gemeenschap met en voor elkander verkoren. Maar Christus is niet de bewegende oorzaak van het besluit der verkiezing. De D.L. zijn dus volkomen juist in hun uitspraak: „De oorzaak van deze genadige verkiezing is het enige welbehagen Gods."

Dan zegt artikel 10 voorts „dat Hij enige zekere personen, uit de gemene menigte der zondaren zich tot een eigendom heeft aangenomen." Collega Duetz vindt dit te abstract uitgedrukt. „Ook in dit artikel is er weer, bij alle overige juistheid, een vlucht in de abstractie wanneer men spreekt van „enige zekere personen, uit de gemene menigte der zondaren, zich tot eigendom heeft aangenomen", terwijl men op grond van de aangehaalde tekst over Jacob en Ezau toch concreter over het verkiezend voornemen Gods had moeten spreken."

Het is mij niet erg duidelijk, waarin dat concrete dan had moeten bestaan. Misschien was het wel goed geweest, wanneer collega Duetz zelf maar dit hoofdstuk opnieuw had geschreven. Dan had hij er concreter over kunnen spreken. Wanneer ik hem goed versta bedoelt hij met concreter, dat men de personen, die uitverkoren zijn, kan aanwijzen. Ik zou wel eens weten, hoe onze collega dit denkt te kunnen. Toen God in zijn eeuwige Raad de uitverkorenen deed inschrijven in het boek des levens, waren deze personen door niets gekenmerkt. Zij kwamen niet in aanmerking als Israëlieten of als Nederlanders of als Russen. Zij kwamen niet in aanmerking als deugdzamer dan anderen of als gelovigen, of als nederigen, of als godsdienstigen. Het was niet om enige aanleg of om enig vooruitgeziene hoedanigheid. Hoe wil de bezwaarde broeder concreet de uitverkorenen aanwijzen? Heeft God Jacob liefgehad om enige vooruitgeziene deugd of hoedanigheid in Jacob? Ja maar, zegt iemand, kunnen wij dan niets over de uitverkiezing weten? Niet buiten het geloof in Christus om. Die waarlijk gelooft heeft daarmee het kenmerk van een uitverkorene. Maar dat heeft hij niet vóór zijn geloof. Dan ligt hij in even diepe schuld als alle anderen.

De D.L. gronden hun uitspraken in artikel 10 op Romeinen 9:11, 12, 13 „Als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden" enz. Dit enz. heeft de toorn van onze collega opgewekt. De opstellers van de D.L. schijnen zeer slechte mannen te zijn geweest, zij hebben, volgens hem, opzettelijk bepaalde Schriftwoorden weggelaten, omdat deze hun opvattingen tegenspreken: Wanneer onze vaderen citeren zetten zij „enzovoort", waar Paulus schrijft: pdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan dat Hij riep". En ik begrijp, waarom zij deze woorden maar weglieten, want zij bepalen ons bij de verkiezing als daad Gods in de geschiedenis. In deze woorden worden het „verkiezend voornemen" en „op grond daarvan dat Hij riep" afwisselend gebruikt, zodat verkiezing en roeping ineenvloeien."

Ik moet eerlijk zeggen, dat ik ook deze verzen uit de Nieuwe Vertaling, die Ds. Duetz hier citeert, niet overduidelijk vind. Vergelijk deze vertaling eens met de volgende: „opdat Gods vrije raadsbesluit van kracht zou blijven, dat niet afhangt van de werken maar van Hem, die roept." Dit is duidelijk. Gods voornemen hangt van God af en niet van de werken der mensen. Bij de N.V. mocht wel een verklaring bij, wat de vertalers nu eigenlijk bedoelen. Wij volgen het Grieks maar, zoals prof. Greijdanus dit toelicht. Het gaat er in de verzen 9—13 om, dat het ontvangen van het heil geheel afhangt van Gods vrije beschikking. In vers 11 is sprake van twee kinderen, die nog niet geboren zijn en nog niets goeds of kwaads gedaan hebben. Zij hadden zich in niets van elkander kunnen onderscheiden. En toch stelde God zulk een onderscheid. Waar ging het om? Hierom, dat het voornemen Gods, dat rust op verkiezing, vast bleve. Deze verkiezing rustte op het welbehagen Gods. Dat voornemen zou dan alleen vast zijn als het niet afhankelijk was van de mens. Jacob of Ezau hebben er niets bij-of afgedaan. Alle doen des mensen was hier als bepalende factor uitgesloten. Deze verkiezing is niet uit de werken, doch uit Hem, die roept, d.i. God. Heel de bepaling van het lot, de onderlinge verhouding, de tijdelijke en eeuwige toekomst des mensen is enkel en geheel uit God, zonder dat hun eigen handelen daarop ook maar enigszins regelend of vormend inwerkt. Daar is dus hier sprake van een voornemen Gods, dat op verkiezing rust en op grond daarvan is gezegd: de meerdere zal de mindere dienen. Er is helemaal geen sprake van dat verkiezing en roeping ongeveer hetzelfde zijn. De verkiezing ligt ten grondslag aan het voornemen. Dat voornemen is geopenbaard in het spreken Gods tot Rebekka. Alles wat er met de mens geschiedt, heeft zijn grond niet in de mens, maar in God, die de mens — naar zijn voornemen •— roept.

In deze verzen wil de Apostel aantonen dat Gods voornemen achter alles staat en

dat dit voornemen wordt uitgevoerd. Er wordt echter niet gezegd, dat dit voornemen op het ogenblik van Gods spreken tot Rebekka is gevormd, zoals collega Duetz ons wil doen geloven. Verkiezing en roeping vloeien niet ineen. Daar wordt met geen woord van gerept. Het is nog veel minder gewettigd om te schrijven, dat de vaderen opzettelijk een gedeelte hebben weggelaten, omdat zij dit gedeelte der Schrift verwierpen.

Nog één bezwaar voegt collega Duetz aan de vorige toe. Het gaat over Hand. 13:48. Hij formuleert dit bezwaar zo: Het Griekse woord wat hier vertaald is door „bestemd" betekent in zijn meest eenvoudige betekenis ordenen, toebereiden. Men vraagt natuurlijk direct: oor wie toebereid? Het gaat over een toebereid zijn tot het eeuwige leven. Kan een mens zichzelf daarvoor toebereiden? Heeft hij het dan verdiend? In Joh. 3 : 36 staat: ie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven.

Is voor collega Duetz het geloof een werk van de mens en niet allereerst een gave Gods? Als het een gave Gods is, dan heeft God de mens toch zeker toebereid? Calvijn merkte al op, dat er niet staat: geordineerd of bereid tot het geloof, maar tot het leven, en dat 'daarom de praedestinatie moet zijn bedoeld.

De Lutherse vertaling heeft: „zovelen als er tot het eeuwige leven verordineerd waren". De Leidse vertaling: „gelovig werden zovelen ten eeuwigen leven voorbeschikt waren." Prof. Brouwer: „en zij die voor het leven der komende eeuw beschikt waren, kwamen tot geloof." Brouwer vertaalt niet: geschikt, maar beschikt. Petrus Canisius: „en allen die voorbeschikt waren ten eeuwien leven, werden gelovig." De N.V.: „en allen die bestemd waren ten eeuwigen leven kwamen tot geloof." H. H. Wendt tekent bij de tekst aan: „Het gelovig worden wordt op Goddelijke voorbeschikking tot het heil teruggevoerd om de stand des heils als genade te kenmerken." Dat is weer genoeg, denk ik.

Als collega Duetz het met alle geweld beter wil weten dan verklaarders en vertalers van alle richtingen, dan moeten wij hem dat genoegen gunnen. Ik weet er nog wel. die hem bijvallen en vertalen: geschikt. Maar dat is meer een vooropgezette mening dan een onbevooroordeelde uitleg. Op een dergelijke twijfelachtige vertaling en exegese kan men toch moeilijk een gravamen tegen een beproefd belijdenisgeschrift bouwen. We zijn nu gevorderd tot artikel 11.


1) Prof. v. Leeuwen, Commentaar op Efeze bij 1 : 9. Uitgave van Bottenburg te Amsterdam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 november 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Een gravamen tegen de Dordtse leerregels

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 november 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken