Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET GEBED DES GELOOFS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET GEBED DES GELOOFS

14 minuten leestijd

(2)

Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging. Colossenzen 4 : 2.

De vorige week hebben wij met elkander stilgestaan bij de opwekking tot het gebed. Daarmede komt het Woord van God tot een iéder, bekeerd en onbekeerd, pelgrims op het enge pad en wandelaars op de brede weg. De Heere heeft recht om ons allen de eis des gebeds te stellen, nl. dat wij in diepe afhankelijkheid alles van Hem zullen vragen. Onze biddeloosheid is niet Góds schuld, maar de ónze, daar wij door onze val in Adam ook hebben verloren de heerlijke gave van het gebed.

Doch, als wij nu tot het gebed worden opgewekt, ja, als de rechtvaardige God van ons eist, dat wij alles van Hem vragen, en wij worden er tevens door de Heilige Geest bij bepaald, dat wij niet weten te bidden gelijk het behoort, dan is het zo'n blijde boodschap, dat het gebed ook een gave is, dat het is een van de vruchten des Geestes, Die ook genoemd wordt de Geest der genade en der gebeden.

Het gebed een gave! — en dus mogen wij, als eens de discipelen, vragen: „Heere! leer ons bidden!" — Ja, dat zijn de ware bidders, die he *ït kunnen, die niet weten te bidden, gelijk het behoort, en die nu vragen om een plaatsje op de school des gebeds van de Heilige Geest, een plaatsje in de laagste klas, op de achterste bank. O, op dat laagste plaatsje, daar zit gij, mijn lezer — ik hoop tenminste, dat gij er kennis aan hebt — daar zit gij vanwege uw onkunde en uw hardleersheid te bidden om te bidden, te zuchten om te zuchten, te bedelen om het Goddelijk onderricht in de heilige kunst des gebeds. Dan is het in uw armoede, ook in het stuk van het gebed: Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest!

Doch, nu stemt er in Colossenzen 4 : 2 niet alleen, dat wij bidden moeten! Neen! wij lezen, met de grootste aandrang wordt het gezegd, de Apostel wil het ons op het hart binden: Houdt stérk aan in het gebed, en waakt in hetzelve."

Sterk aanhouden, waken in het gebed, dat wordt ons in de brief aan de gemeente van Colosse met kracht voorgehouden. Er moet zijn een aanhouden, een volharden in het gebed.

Het mag niet zijn even de handen vouwen, de ogen sluiten, een kort gebed, en dan maar weer overgaan tot de orde van de dag. Het is ook nog niet het rechte bidden, als gij het doet met een zekere hartstochtelijkheid, omdat gij iets zo gaarne wil hebben. Zo was het met een van mijn catechisanten, die een meisje tot levensgezellin had gevraagd, maar geen gehoor kreeg. Nu bracht hij het in het gebed met een zekere onstuimigheid en hartstochtelijkheid, naar zijn aard en karakter. Hij meende dat meisje te moeten hebben. Het was ook een belangstellende jongen. Maar zijn begeerte werd niet vervuld. En toen begon hij, tijdelijk gelukkig! aan alles te twijfelen. Ja, zo zijn wij. Maar, dat is niet het echte bidden, het sterk aanhouden, het waken in het gebed. Dat is eén poging tot afdwingen, tot afpersing, een poging om de Heere God tot onze knecht te maken. Een grote zonde! Laten wij er toch meer voor vrezen, en vragen er voor bewaard te worden.

Het echte bidden in benauwde tijden is ook nog niet, al is het goed, een drukbezochte bidstond te houden, die ons in onze vroomheid streelt, om dan maar weer zelfvoldaan door te gaan, zonder een hand uit te steken, zelfs niet om onze portemonnaie open te doen.

De Kanttekening van de Statenvertaling wijst er op, dat de grondtekst, het Grieks dus, ook toelaat de vertaling: „Zijt gedurig in het gebed." Ik denk hier ook aan de woorden uit Psalm 105: „Vraagt naar de Heere en Zijne sterkte, zoekt Zijn aangezicht geduriglijk."

En hoe zouden wij tot verklaring van dat aanhouden, dat waken in het gebed kunnen vergeten, dat de grote Profeet, Jezus Christus, gelijkenissen heeft gesproken over het gebed, daartoe, dat men altijd bidden moet en niet vertragen. Hier wordt onze aandacht als vanzelf heengeleid naar wat wij lezen in Lucas 18:1—8. Daar vinden wij de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter, die ten slotte, ten slotte, recht deed aan een weduwe, die vroeg: Doe mij recht tegen mijn wederpartij." Lange tijd wilde die onrechtvaardige rechter niet. Misschien ging het over een zeer moeilijke zaak. Waarschijnlijker nog is het, dat die wederpartij een meer aanzienlijk man was, die zich niet bekommerde om de bescherming en gebedsverhoring, die de Heere aan weduwen belooft: Gij zult geen weduwe of wees beledigen. Indien gij hen enigszins beledigt, en indien zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zekerlijk verhoren" (Ex. 22:22 en 23).

Ten slotte echter, na lange tijd niet gewild te hebben, zeide de onrechtvaardige rechter bij zichzelf: „Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie; nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar récht doen, opdat zij niet eindelijk kome en mij het hoofd breke." Dan volgt de toepassing van de Heere Jezus, kort, maar krachtig, vol van vertroosting, maar ook rijk aan waarschuwing: „Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt. Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, hoewel Hij lankmoedig is over hen, die dag en nacht tot Hem roepen? Ik zeg u, dat Hij hun haastiglijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komen zal, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? "

Ach, wij geven het bidden zo spoedig op. Wij worden het herhaaldelijk vragen om hetzelfde zo licht moe. Waar is het geduriglijk zoeken van Gods aangezicht?

Doch de Heere zegt door middel van Zijn Woord: „Houdt aan, houdt stérk aan, in het gebed." Ja, zo moet het zijn. Zo moet het wórden. En zo zal het ook zijn, als wij onze nood en ellendigheid recht en grondig leren kennen.

Wilt gij een paar voorbeelden? Door voorbeelden gaat het alles meer voor ons leven!

Aanhouden, sterk aanhouden in het gebed, waken in hetzelve, wij vinden het bij Jakob te Pniël. Hij kon niet loslaten.

Hij had zo dringend behoefte aan de zegen des Heeren. Aanhoudend, sterk aanhoudend, worstelend in den gebede, is het: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent."

Aanhouden, sterk aanhouden in het gebed, wij vinden het bij de Kananese vrouw. Hoor haar roepen in en uit haar nood: „Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten." AJ antwoordt Hij haar niet één woord, al hoort zij Hem zelfs tot Zijn jongeren zeggen: „Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls", zij kwam nochtans, en aanbad Hem, zeggende: „Heere, help mij!" — En al klinkt het haar tegen: „Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en de hondekens voor te werpen", — toch laat zij zich niet de moed benemen. Zelfs vindt zij in dat schijnbaar afwijzende woord nog een reden om voort te gaan op de weg des gebeds. Zij vindt er een pleitgrond in voor haar smekingen. Zij houdt aan. Zij houdt stérk aan in het gebed. De arme spreekt smekingen. Als zulk een arme nadert de Kananese vrouw, smekend en pleitend: „Ja, Heere! doch de hondekens eten van de brokskens, die er vallen van de tafel hunner heren." — Welk een volharding! Welk een vindingrijkheid in het pleiten en sterk aanhouden! Wij vragen: hoe is het toch mogelijk, dat zij niet ophield, maar aanhield? Het was toch eerst: „Doch Hij antwoordde haar niet één woord." Als dan de discipelen zeggen: „Laat haar van U, want zij roept ons na", dan wordt het stilzwijgen wel verbroken, doch het antwoord is afwijzend: , , Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls." En als die vrouw toch volhoudt, en, Hem aanbiddende, zegt, vanwege de nood maar drié woorden: „Heere, help mij!" — dan volgt dat voor ons menselijk gevoel zo harde, zo onbegrijpelijke, van dié lippen, die zo vaak getrild hadden, mét het hart bewogen, van innerlijke ontferming: „Het is niet betamelijk het brood der kinderen (dat zijn de Israëlieten) te nemen, en de hondekens (dat zijn de heidenen, - d.i. die vrouw) voor te werpen." — Ja, het schijnt hard, onbegrijpelijk hard, van de lippen van de g Zoon des mensen en van de Zone Gods d uit de hemel gekomen op de aarde, om z het verlorene te zoeken en zalig te maken, om de werken des duivels te verbreken. Die lelijke schijn was er heel sterk, maar n v b de werkelijkheid, de waarheid, was, ook d in het zwijgen, ook in de afwijzing, ook r in het zo pijnlijke gebruik van dat „de n hondekens", vol van diepe wijsheid, van g bewonderenswaardige tact, van onpeil-d bare zondaarsliefde, van ingehouden, a verborgen kracht. i

Die Kananese vrouw kón niet ophouden, kon niet heengaan. Zij móést aanhouden. stérk aanhouden, in de donkere nacht, met een dochter, deerlijk van de duivel bezeten. Zij moest waken, in het gebed, omdat zij haar nood recht en grondig kende, maar vooral, omdat de Heiland, vol van ontferming, haar alleen maar beproefde, eerlijk en trouw (er zijn immers zovele zielebedriegers! ontwijk ze, zover ge maar kunt), omdat Hij haar in het verborgene trok met mensenzelen, ' met de koorden van Zijn goedertierenheid. Omdat Hij niet ophield haar te trekken, de olie des Geestes te gieten in het vuur haars gebeds, daarom kon die vrouw niet ophouden te smeken en te volharden in het gebed.

Weet gij er iets van, mijn lezer, wat dat is? Het is een groot wonder van Gods genade. Het is een zieleworsteling, een gebedsworsteling, die van de Heere uitgaat, en nooit van ons. Zelfs niet in die tijden, waarin gij uw ziel moogt uitgieten voor het aangezichte Gods als water.

Het is het werk van God de Heilige Geest, de Geest der genade en der gebeden. Luister maar naar een man, van wie, op de weg naar Damascus en in de 3 dagen, waarin hij niet at en niet dronk, gezegd werd tot Ananias van uit de hemel door de Heere Christus Zelf: Zie, hij bidt." Luister naar die Saulus van Tarsen, in zijn eertijds een vervolger van de gemeente, met al zijn vroomheid een vijand van God en van Zijn Christus, en van Zijn volk, doch nü door de wonderen des Allerhoogste van een wolf een lam geworden, nu een gezant, een dienstknecht, van Christus' wege. Luister naar hem, moge het zijn met een biddend hart, als hij predikt in zijn brief aan de Romeinen: En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp, want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes is, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt" (Romeinen 8 : 26 en 27).

Ja, Jakob, de Kananese vrouw, de Apotel Paulus en vele anderen, misschien ook in uw familie, in uw vriendenkring, in uw gemeente, zijn opwekkende, leiding gevende voorbeelden van het aanhouden, van het stérk aanhouden, van het waken in het gebed.

Maar, nu is het de grote, persoonlijke vraag: Heeft de Geest der genade en der gebeden u reeds gebracht op de school des gebeds? — Degenen, die daarop gaan, zijn niet altijd mensen, die zo mooi kunnen bidden. Het zijn niet altijd degenen, van wie men zegt: die man heeft veel gebedsgaven. Vele van de leerlingen van die school zijn maar stamelaars en stotteraars. Velen van die leerlingen durven niet eens in het openbaar gebed voor te gaan. Ik ken er, die er zó tegen opzien, dat zij van een vereniging zouden afgaan, als zij geprest werden tot het voorgaan in het gebed, die de roeping tot ouderling afwijzen, omdat zij huiveren voor het gebed in de consistorie, aan het ziekbed of bij een begrafenis.

Bidders, dat zijn bedelaars. Smekelingen, dat zijn bankroetiers. Bidders, dat zijn geen grote, maar kleine mensen. Bidders, dat zijn leerlingen van de school des gebeds van de H. Geest, en die vormen samen een arm en ellendig volk, dat op de naam des Heeren vertrouwt. Bidders, aanhouders in het gebed, dat zijn zij, die aan hun zonde en schuld zijn ontdekt, en die in de nood hunner ziel de Heere aldus aanroepen: „Och, Heer', och wierd mijn ziel door U gered!"

Bidders, dat zijn ook zij, die in lichamelijke, in tijdelijke nood hun weg op de Heere mogen wentelen, Die zegt: Kom maar met alles, met alles tot Mij. Wentel uw weg op de Heere en vertrouw op Hem; Hij zal het maken" (Psalm 37 : 5). Het schoonste, het heerlijkste voorbeeld van aanhouden, van sterk aanhouden in het gebed, van waken in hetzelve, is de grote Voorbidder van al de Zijnen, de groten en de kleinen, is de Heere Jezus, de barmhartige Hogepriester, Die al de stammen van Zijn volk draagt op Zijn hart, zoals de Hogepriesters uit het geslacht van Aaron, schaduwachtig de borstlap met de 12 edelstenen, waarin de namen van de 12 stammen Israëls waren gegraveerd.

Wat ligt er een troost in en een opwekking, dat de namen van zondaren zo dicht zijn bij het hart van de voorbiddende Hogepriester, Christus Jezus! O, mijn lezer, als gij daartoe moogt behoren, tot dat volk op het hart van de Hogepriester der toekomende goederen, wat moest dan Zijn naam, die rijke Jezusnaam, niet dicht zijn bij üw hart! De Heere Jezus is het schoonste, het heerlijkste, het borgtochtelijke voorbeeld van het aanhouden, van het stérk aanhouden, in het gebed, van het waken in hetzelve. Wat ligt er een rijke troost voor de treurigen Zions in Zijn voorbede! Denk maar aan dat bemoedigende woord: „Simon, Simon, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude." Tijdens Zijn rondwandeling op aarde was Hij meermalen op de berg alleen, om daar, ver van het gewoel der wereld, te bidden. Dan bleef Hij daar de ganse nacht over om te bidden.

En nu Hij in de hemel is aan de rechterhand Gods, nu houdt Hij nog sterk aan, biddende voor de Zijnen. Er staat immers van Hem geschreven: Waarom Hij ook volkomenlijk kan zaligmaken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden" (Hebr. 7:25).

En om van deze voorbede aan de rechterhand Zijns Vaders een indruk te krijgen, is er geen betere bron dan het hogepriesterlijk gebed van de Heere Jezus in Johannes 17. „Onderzoek de Schriften", in het bijzonder ook dit gedeelte er van, moge het zijn met aandacht, met eerbied, en met een biddend hart. Vraag tiaarbij, om door de Geest der genade en der gebeden ingeleid te worden in dit heiligdom des gebeds.

Om u een indruk te geven van de rijke inhoud van dit hogepriesterlijk gebed, lezen wij met elkander de schone, korte samenvatting er van (te weinig wordt er gelet op deze samenvattingen!) in de Statenbijbel, te vinden boven Joh. 17. Daar

lezen wij dan: „Christus, als onze Hogepriester, Zich bereidende tot Zijn lijden en sterven, bidt Zijn Vader, dat Hij Hem verheerlijke, om het eeuwige leven te geven dengenen, die Hem kennen, verhaalt hoe getrouw en met welk een vreugde Hij het werk, dat Hem was opgelegd, heeft volbracht. Bidt voor Zijn apostelen, dat de Vader hen beware in enigheid der liefde van de boze, en heilige in Zijn waarheid, dat zij één mogen zijn, en bij Hem zijn, waar Hij is, om Zijn heerlijkheid te aanschouwen."

O, welk een blijde boodschap voor de strijdende Kerk van Christus, die moet belijden: „ook onze beste werken, ook ons bidden, zijn alle onvolkomen en met zonde bevlekt", dat er zulk een getrouw Hogepriester is, Die ze allen draagt op Zijn hart! Hij houdt aan, Hij houdt sterk aan in het gebed en waakt in hetzelve, totdat de laatste van Gods gekenden is thuis gehaald. — Welk een nuttigheid bekomt gij, die er over moet klagen, dat gij zo weinig aanhoudt in het gebed, dat gij op gespannen voet staat met het stérk aanhouden en met het waken in hetzelve, dat Jezus Christus is de barmhartige Hogepriester, Die altijd leeft om te bidden voor hen, die niet weten te bidden gelijk het behoort. In Zijn offer, in Zijn voorbede is door het geloof vrede te vinden voor vermoeiden en belasten.

Z.

S. V. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

HET GEBED DES GELOOFS

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken