Bekijk het origineel

EEN BEDE VOOR DE OUDEJAARSAVOND EN DE NIEUWJAARSMORGEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

EEN BEDE VOOR DE OUDEJAARSAVOND EN DE NIEUWJAARSMORGEN

13 minuten leestijd

Psalm 90 : 12.

Plechtig en ernstig is de ure, waarin de gemeente op de Oudejaarsavond zich vergadert rondom het Woord van God, om voor de laatste maal in het heengevlogen jaar te worden gewezen op de aangrijpende ernst van het leven. Deze ure tekent ons een èinde. Een jaar van ons korte leven maakt zich op om van ons te scheiden, om van ons te scheiden voor eeuwig, want het komt nimmer terug. In zulk een ure komt wel eens over ons een weemoedige stemming, als wij bedenken: daar gaat al weder een jaar, dat wij bij het wegvluchten niet vast kunnen houden; een jaar met al zijn lief en met al zijn leed, met al zijn droefheid en met al zijn blijdschap. Vanzelf slaan wij thans onze blik op wat achter ligt, zoals wij doen, als een vriend van ons vertrekt, die wij misschien nooit weer zullen zien. Dan keren wij ons nog eens om, om hem na te staren en een laatst vaarwel toe te roepen. Zo slaan wij op de oudejaarsavond onze blik op het jaar, waarvan straks de torenklok ons zal toeroepen met zijn twaalf sombere slagen: „voorbij, voorbij, keert nimmer terug."

Wat is dit jaar voor ons geweest? Wat keelt het ons gebracht? Die vragen zult gij uzelf toch wel gesteld hebben op de oudejaarsdag? En dan zal het opgaan naar het bedehuis wel hebben plaats gehad onder zeer verschillende gewaarwordingen. Er zijn er, die moeilijke tijden van tegenspoed, van ziekte, van sterfgeval hebben doorgemaakt. En die nu nog rouwen in hun hart. Er zijn er. die rijke zegeningen hebben ontvangen, die schone gedenkdagen mochten doorleven, en die au nog genieten er van. Er zijn er, voor wie het afgelopen jaar vrijwel gelijk was aan vorige. Geen buitengewone smarten, geen meer dan gewone zegeningen. Maar, wat spreken wij toch van gewone aegeningen, alsof niet alles wat van de Vader der lichten afdaalt, buitengewoon, wat meer zegt: wonderlijk is!

Wij raken er aan gewend, en gaan de dagelijkse zegeningen gewoon noemen, omdat ze alle morgen weer dezelfde zijn.

Waren wij echter, die wij zijn moeten, dan zou juist dat dagelijks wederkeren ons zo wonderlijk worden. Dit getuigt van de grote verdraagzaamheid en lankmoedigheid Gods, Die ondanks zoveel zonden en schuld, iedere dag weer, toch nog blijft voortgaan met zegenen.

Daarom, mijn lezer, zeg niet: „och! wat zou ik voor reden hebben, om op de Oudejaarsavond bewogen te zijn? Er is niets bijzonders voorgevallen." — Er is wèl iets bijzonders voorgevallen en dat is dit, dat wij nog in het leven mogen zijn. Het is een bijzondere weldaad van God, dat Hij óns het leven, de adem en alle dingen heeft willen schenken al die 366 dagen van het schrikkeljaar 1956, tot nu toe; óns schuldige zondaren, óns ondankbare wereldlingen, óns, óntrouwe kinderen van de hemelse Vader misschien. Als gij dat eens recht mocht verstaan bij de jaarwisseling, dan zou uw hart niet koud blijven.

O, bedenken wij toch, wie wij zijn geweest tegenover de Heere! Gaan wij eens na onze werken en vragen wij, of ze tot ere des Heeren gedaan zijn. Roepen wij ons voor de geest onze woorden: waren ze tot lof van Hem, Die ons onze tong heeft gegeven? Herinneren wij ons onze gedachten; kunnen wij het doen zonder schaamte en vrees voor de alwetende God? En bedenken wij dan eens, Wie de Heere voor óns is geweest! Wat al zegeningen, wat al roep-en wekstemmen. Wat is er om onze levensboom gegraven en mest gelegd! En er zullen er ook wel onder ons zijn, die geestelijke zegeningen mogen gedenken, erkennend: De Heere was geen woestijn, geen land van uiterste duisternis. Hij heeft Zich in Christus door Zijn Geest en Woord aan mij willen openbaren als de grote Ontfermer, als een God van opzoekende zondaarsliefde.

En nu geeft Hij ons weer een nieuw jaar. Nieuw, maar met dezelfde behoeften. Oud-en Nieuwjaar, moge het zijn met dezelfde bede, de bede van Psalm 90:12. Psalm 90, het gebed van Mozes, de man Gods, begint met de Heere te verheerlijken: Van eeuwigheid tot eeuwigheid

zijt Gij God." Al snellen de jaren, »het ene na het andere, voort, de Koning der eeuwen blijft Dezelfde. Bij Hem is één dag als duizend jaren en duizend jaren als één dag. Hij, de Eeuwig-levende, is echter ook de Eeuwig getrouwe. Daarvoor brengt Mozes Hem zijn aanbiddende dank toe: „Heere! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht." En als Mozes dan van de hoge, eeuwige God zijn blik richt op de vergankelijke mens, dan beseft hij het: „De sterkste is enkel ijdelheid, want Gij, Heere, doet de mens wederkeren tot verbrijzeling en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen." De vraag komt in hem op: waarom toch wordt het leven zo snelliik afgesneden? , waarom komt de dood zo spoedig? En dan kan hij de oorzaak slechts vinden in de diepe verdorvenheid der mensen. De dood is de bezoldiging der zónde. „Gij stelt", zo belijdt hij, „onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns, en daarom is het, dat wij vergaan door Uw toorn, en verschrikt worden door Uw grimmigheid."

Na deze belijdenis, die hij in droefheid des harten heeft uitgesproken, wendt hij zich met deze smeking tot de Heere: „Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen."

Deze woorden spreken ons bij de jaarwisseling van:

1. Een gewichtig werk, nl. het tellen van onze dagen. 2. Een onmisbaar onderricht, blijkens het: „Leer mij". 3. Een kostelijke vrucht, nl. een wijs hart.

„Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen." — Mozes, de man Gods, gevoelt, blijkens zijn gebed in Psalm 90, behoefte aan het tellen van zijn dagen. Dat tellen van onze dagen beschouwt hij als een gewichtig werk. Zó gewichtig acht hij dit werk, dat hij gelooft, dat niemand het straffeloos kan

verzuimen; zó gewichtig, dat hij zich met zijn dwaasheid wendt tot de troon van Gods genade, om Hem te vragen, of Hij hem een plaatsje wij gunnen op de schooi des gebeds, op de school des Heiligen Geestes, op de school, waar Gods Geest dwazen ware wijsheid leert. Mozes, de man Gods, stemt van harte in met de dichter van Psalm 119, als hij biddend zingt:

Doe bij Uw knecht weldadigheid, o Heer', Opdat ik leev'. Uw woorden moog' bewaren. En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer'. Mijn oog verlicht', de nevels op doe klaren; Dat mijne ziel de wond'ren zie, en eer', Die in Uw Wet alom zich openbaren.

In de grond der zaak zijn al de kinderen Gods, hoe verschillend hun karakter, hun wegen, hun stand, ook moge zijn, het hierin eens met Mozes, de man Gods, als hij bidt:

Leer ons de tijd des levens kost'lijk achten. Opdat ons hart de wijsheid moog' betrachten.

Mozes, de man Gods, en David, de man naar Gods harte, en allen, die de Heere vrezen, zijn het zo goed eens met elkander, als zij het hebben over het: „Er is niets zo onzeker als het leven. En er is niets zo zeker als de dood." Daaraan gedachtig zingen wij allen samen, biddend om iets te mogen zien van de zin van ons leven, aldus:

O Heer', ontdek mijn levenseind aan mij; Mijn dagen zijn bij U geteld; Ai, leer mij, hoe vergankelijk ik zij; Een handbreed is mijn tijd gesteld; Ja, die is niets; want, schoon de mens zich vleit, De sterkst' is enkel ijdelheid.

Met het oog op al deze dingen, al deze gezongen gebeden, met het oog op de eensgezindheid van het volk des Heeren op dit punt, met het oog op het woord Gods, dat wij samen overdenken bij de jaarwisseling, met het oog op Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag, mogen wij wel stilstaan bij dit gewichtige werk, ons door Mozes, de man Gods, ons door de Heilige Geest, aangewezen en opgedragen, nl. het tellen van onze dagen.

Er wordt hier niet van jaren gesproken, maar van dagen, om ons op het hart te binden, dat ons leven zo kort is. Wij moeten leren bij de dag te leven, en niet allereerst bij het jaar. Een jaar, als het voorbij is, is immers in onze herinnering ook maar als een dag. Mozes, de man Gods, tekent in Psalm 90 ons leven aldus in enkele forse trekken: , , Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; in de morgenstond bloeit het, en het verandert, des avonds wordt het afgesneden en het verdort" (vers 5 en 6).

De Heere Jezus Zelf heeft ons dit onzekere, dit kortstondige van ons leven zo aangrijpend voorgesteld in de gelijkenis van de rijke dwaas. Zijn rijkdom was zó groot, dat hij overleide bij zichzelf: „Wat zal ik doen? want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen." Dan komt hij, naar hij meent, tot een verstandig besluit, en ons natuurlijk hart geeft hem schoon gelijk. Hij besluit: „Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijne goederen. En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen, die u opgelegd zijn voor vele jaren; neem rust, eet, drink, wees vrolijk." — Geven wij die man in onze gedachten, in het diepst van ons hart, door de aardsgerichte openbaring van ons leven, niet schoon gelijk, mijn lezer? Is het ook in ons binnenste, in onze overleggingen, in ons leven, niet: niet piekeren over de dood, geen tellen van onze dagen, maar leven vrij en blij, genieten van de vruchten van onze arbeid: „Laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij? " Zo redeneren wij van nature. Dat is ons verstandige beleid.

Maar wat is Gods oordeel? Luister maar goed, luister, moge het zijn, met een bevend hart: Maar God zeide tot hem: ij dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? " (Lucas 12 : 16—21).

De dichter van Psalm 39 wist het wel: Mijn dagen zijn bij U geteld.

Al willen wij onze dagen niet tellen, al willen wij dromen van vele jaren, de Heere God heeft onze dagen getéld. Hij heeft onze dagen bestemd. Hij heeft onze bepalingen gemaakt, die wij niet overgaan zullen (Job 14 : 5). Zouden wij dan blijven weigeren onze dagen te tellen? Mozes, de man Gods, dacht er anders over. Hij vond het een gewichtig en noodzakelijk werk dat tellen van onze dagen. Hij is ons daarin voorgegaan. Hij had een diepe indruk van de kortheid van ons leven. Denkende aan de eeuwigheid Góds, aan de eeuwigheid, die wij tegemoet reizen, dan bestaat ons leven, als het ware, maar uit weinige dagen. In het bekende vers 8 Van onze Psalm getuigt Mozes, hij had er zo velen zien vallen, zingt Mozes: Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet, want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen."

O, dat wij dit, in het bijzonder op de Oudejaarsavond en op de Nieuwjaarsdag, als een jaar ons gaat verlaten, als wij een nieuw jaar binnen mogen treden, dat wij dit toch meer bedachten, met de bede op de lippen, en vooral in het hart: „Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen." — Hebt gij, mijn lezer, zo al gebeden bij het einde van het jaar 1956, bij het begin van het jaar 1957? Vergeet het niet: „De zaak des Konings heeft haast!" Van het verzuimen van dit tellen van onze dagen zullen wij de schadelijke en schrikkelijke gevolgen ondervinden, reeds in de tijd, maar vooral in de eeuwigheid.

In de eeuwigheid zal de in zijn zonden gestorvene zijn dagen waarschijnlijk wel tellen, nl. de dagen, die hij misbruikt heeft en verwaarloosd in het heden der genade. Dat blijkt toch wel uit het smartvolle verzoek van de rijke man aan Abraham: Ik bid u dan, vader! dat gij hem. d.i. Lazarus, zendt tot mijns vaders huis, want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit (nl. het vreselijke van het voor eeuwig verloren gaan) betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging" (Luc. 16 : 27 en 28). Daar in de hel zal het zijn: al mijn dagen verbeuzeld, verspeeld, verzondigd. Te laat, te laat, door mijn eigen schuld voor eeuwig te laat!"

Bij het tellen van onze dagen moeten wij er inzonderheid bij stilstaan, dat het dagen zijn van de welaangename tijd, van de dag der zaligheid. Het zijn dagen, waarin tot ons komt het aanbod van Gods genade in Christus Jezus, waarin Hij ons voorgesteld wordt als de barmhartige Hogepriester, als het Offerlam, waarin het is: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt!" (Joh. 1 : 29).

O, wat worden zo beschouwd de dagen onzes levens kostbaar, de Kerstdagen, de Lijdensdagen, de Goede Vrijdag, de Paasdagen, de Pinksterdagen, de Hemelvaartsdagen, de Zondagen, al de dagen van het ons toegemeten leven. Wel mag het de bede zijn: „Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen." — Wij moeten onze dagen tellen, want ons leven is kort. Wij moeten onze dagen tellen, want het is de tijd van voorbereiding voor de eeuwigheid, het is de dag der zaligheid.

Met dit getuigenis van Gods Woord stemt natuurlijk onze ondervinding in. Ook zij leert ons niet anders dan dat het leven is een damp, die voor een weinig tijds wordt gezien en daarna verdwijnt (Jac. 4:4). Hoe spoedig is een dag, een week, een maand, een jaar om! Waar is het gebleven, het jaar, dat achter ons ligt? Het is, alsof het een droom is geweest. En toch! wat is het een belangrijk stuk van ons leven. En toch is er zoveel in gebeurd. Zó groot is het aantal van onze jaren niet, dat wij kunnen zeggen: op zovele telt één niet mede, een is geen."

Bij het tellen van onze dagen moet ook worden bedacht, hoevele er reeds voorbij zijn gegaan. En is het dan niet verschrikkelijk reeds zovele dagen, zovele jaren geleefd te hebben en dan toch nog onbekeerd te zijn, dan toch nog zonder Borg en Middelaar voor eigen rekening te staan, dan toch nog niet te denken aan dood en eeuwigheid, en wat daarvoor nodig zal zijn?

O, mijn lezer, vergeet het niet, vergeet het geen ogenblik, moge het zijn: wat er nog voor u overblijft, is geteld, geteld door God. Geen dag en geen uur langer zullen wij ontvangen. Verlenging kunnen wij niet kopen met ons geld, kunnen wij niet ontvangen door onze geneeshéren. Het zijn maar knèchten. Geteld is het aantal predikaties, dat wij nog zullen mogen horen, Geteld is het aantal dagen, dat wij nog zullen leven. Vreest gij er dan niet voor, dat het tenslotte van u zal gelden: „Geteld, geteld, gewogen en te licht bevonden"?

De Heere lere ons door Zijn Geest het tellen van onze dagen voor het eerst en telkens opnieuw. En als wij de grote Voorbidder, de Heere Jezus Christus, vragen, én nu, èn in het pasbegonnen jaar: „Heere, leer ons bidden" — dan leert Hij ons bidden voor het stoffelijke: „Geef ons heden ons dagelijks brood." Dan legt Hij voor het geestelijke deze bede telkens weer in ons hart: „Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen."

Z.

S.v.D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 januari 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

EEN BEDE VOOR DE OUDEJAARSAVOND EN DE NIEUWJAARSMORGEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 januari 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken