Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

8 minuten leestijd

SIMSON (10)

Alzo ging Simson met zijn vader en zijn moeder heen af naar Timnath; toen ze nu kwamen tot aan de wijngaarden van Timnath, ziedaar een jonge leeuw kwam brullende hem tegemoet.

Toen werd de Geest des Heeren vaardig over hem, dat hij hem vaneenscheurde gelijk men een bokje vaneenscheurt, en er was niets in zijn hand; doch hij gaf aan zijn vader en moeder niet te kennen wat hij gedaan had.

En hij kwam af en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Simsons ogen.

En na sommige dagen kwam hij weder om haar te nemen. Toen week hij terzijde af om het aas van de leeuw te bezien; en zie een bijenzwerm was in het lichaam van de leeuw, met honing.

En hij nam die in zijn handen en ging voort al gaande en etende; en hij ging naar zijn vader en naar zijn moeder en gaf hun daarvan en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij de honing uit het lichaam van de leeuw genomen had.

Toen nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo maakte Simson aldaar een bruiloft, want alzo plachten de jongelingen te » doen. Richteren 14 : 5—10.

Simson heeft, zoals we gezien hebben, het oog geslagen op een meisje van de Filistijnen. Zijn ouders waarschuwen hem voor dit huwelijk. Maar hij zet door. En tenslotte geven ze met een bezwaard gemoed toe. Een lezer komt nu terug op het vierde vers waar we de vorige week over schreven: Zijn vader en zijn moeder nu wisten niet, dat dit van de Heere was... Hij vraagt hoe dit nu mogelijk is? We moeten dit echter goed begrijpen. Dit wil niet zeggen, dat de Heere het goedkeurt, dat Simson zijn vlees laat rege

ren, zodat hij een meisje uit de heidenen tot vrouw wil nemen. En dit wil ook niet zeggen, dat de Heere Simson tot deze keuze heeft geleid. Hij leidt immers een mens nooit op zondige wegen. Al belijden we wel, dat er niets buiten Gods bestuur en leiding omgaat.

Hier wordt echter gezegd, dat het van de Heere was, dat Simson gelegenheid zocht tegen de Filistijnen. Daartoe is hij immers van God geroepen om de strijd met deze vijanden van God en zijn volk aan te binden. Hij zoekt nu echter die gelegenheid langs een zondige weg en dat is niet van de Heere. Dat blijkt wel duidelijk doordat de zegen des Heeren niet op deze verbintenis rust. Maar de Heere maakt de zondige gang van Simson naar Timnath wel dienstbaar aan het doel. Er ontstaat immers grote vijandschap tussen Simson en de Filisijnen. Maar daardoor kan Simson zijn roeping des te beter vervullen.

Het richterschap van Simson roept echter om de grote Richter, Christus Jezus. Deze heeft zijn vlees niet laten heersen, maar zijn spijze was het te doen de wil des Vaders. Hij heeft zijn vlees laten verbreken en zijn bloed vergoten om de zonden van Simson ook te verzoenen. Daarom hebben we vorige week ook gewezen op de noodzaak die Christus te kennen en te hebben als onze Borg en Middelaar, daar het vlees en bloed van Gods kinderen immers de oorzaak zijn van veel struikelingen. En zij kennen daarvan de nood en de strijd. En zij belijden ook hun schuld. Maar zij ontvangen ook de Heilige Geest om tegen de lusten en boosheden van hun vlees te strijden. En door de kracht van die Geest leren ze hun vlees brengen onder de tucht van hun roeping. Zolang ze hier op aarde zijn blijven ze een tweemens. Maar in hun leven komt toch openbaar het verzaken van de wereld en het doden van hun oude natuur.

Dat komt ook in de levensgang van Simson openbaar. Maar ook hier is het duidelijk, dat het een lange weg is. in elk geval heeft zijn vlees de overhand wanneer hij dit meisje van de Filistijnen tot vrouw wil hebben. Zijn ouders, die tegen hun zin hébben toegestemd, gaan met hem mee naar Thimnath: Alzo ging Simson met zijn vader en zijn moeder af... (vers 5a). Het doel van deze reis moet ongetwijfeld gezien worden als aan huwelijksaanzoek. De ouders hadden hierin een taak. Zij moesten met de ouders van de bruid tot overeenstemming komen over de huwelijksvoorwaarden.

Onderweg is Simson waarschijnlijk een andere weg opgegaan dan zijn ouders. Zij bleven de gewone weg volgen, maar hij nam een pad dat zich slingerde tussen de wijngaarden in de omgeving van Timnath. Hier is het ook, dat een volwassen jonge leeuw brullend op hem afspringt. En hoewel Simson geen wapen bij zich heeft om zich tegen dit woeste beest te verdedigen, overmeestert hij toch het wilde dier. De Geest des Heeren werd vaardig over hem. Die Geest des Heeren doordringt en overmeestert hem. Het woord dat hier gebruikt wordt betekent: met kracht binnendringen, invaren. Zo ontvangt hij een buitengewone en onweerstaanbare kracht. En daardoor scheurt hij het dier alsof het een jong bokje was: Toen zij nu kwamen tot aan dc wijngaarden van Timnath, ziedaar een jonge leeuw, brullende hem tegemoet. Toen werd de Geest des Heeren vaardig over hem. dat hij hem vaneenscheurde gelijk men 'n bokje vaneenscheurt, en er was niets in zijn hand: doch hij gaf het aan zijn vader en moeder niet te kennen wat hij gedaan had (vers 5b en 6).

Hij vertelt dus niets aan zijn ouders van dit avontuur, wanneer hij zich weer bij hen gevoegd heeft. Deze maken echter zijn zaken in orde. Daardoor kan hij zich verloven met het bewuste meisje en de trouwdag wordt vastgesteld. En hij kwam af en sprak met de vrouw, en zij beviel in Simsons ogen (vers 7).

Als de dag van het huwelijk is aangebroken, gaat hij weer naar Timnath. Ook nu weer zijn de ouders van Simson meegegaan zoals uit het vervolg blijkt. Ook nu weer neemt hij het pad tussen de wijngaarden omdat hij nieuwsgierig is naar de jonge leeuw. En dan vindt hij geen geraamte, maar een door de zonnehitte uitgedroogd cadaver van de leeuw, waarin zich een bijenzwerm heeft gevestigd, die al honing hebben voortgebracht. Hij neemt van die honing en loopt er zo van te eten als hij weer bij zijn ouders komt. Hij geeft ook van de honing aan zijn ouders maar hij vertelt ook nu niets van die leeuw, die hij verscheurd heeft, waarschijnlijk uit bescheidenheid en bedachtzaamheid. En na sommige dagen kwam hij weder om haar te nemen. Toen week hij terzijde af om het aas van de leeuw te bezien; en zie een bijenzwerm was in het lichaam van de leeuw met honing. En hij nam die in zijn handen en ging voort al gaande en etende; en hij ging naar zijn vader en moeder en gaf hun daarvan en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij de honing uit het lichaam van de leeuw genomen had (vers 8 en 9).

Wanneer de huwelijksplechtigheden hebben plaats gehad — zo moeten we tenminste de woorden opvatten: Toen nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, waarmee waarschijnlijk te kennen gegeven wordt, dat die vader van Simson het officiële gedeelte van de huwelijksplechtigheid vervuld heeft en die vrouw aan zijn zoon tot vrouw gegeven en haar tot schoondochter aangenomen heeft < — wordt de bruiloft gehouden: Toen nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo maakte Simson aldaar een bruiloft want alzo plachten de jongelingen te doen (vers 10).

Zo worden we derhalve hier in het kort ingelicht over deze bijzonderheden uit het leven van Simson, opdat we deze richter, deze geroepene Gods duidelijk voor ons zouden zien. Want niettegenstaande alles blijft hij toch de geroepene Gods. Hij moet deze roeping ook volbrengen. Hij moet het doen in een weg waarin zijn vlees gekruisigd wordt.

En hierin is hij een beeld van elk kind van God. En zo komen we weer terug op hetgeen we in het begin hebben gezegd. En we moeten daarbij niet vergeten, dat het niet om Simson gaat. Neen, de Heere moet in Simson verheerlijkt worden. Daartoe moet Simson afgebroken worden in zichzelf, al maar kleiner worden. Maar juist dan als Simson niets meer is, kan hij in de kracht Gods grote daden doen tot verheerlijking van de" naam des Heeren. Want het gaat om Gods eer en grootheid.

En hier denken we vanzelf aan de woorden vaft Johannes de Doper. Wijzend op de Heere Jezus Christus, het Lam Gods, zegt hij: Hij moet wassen en ik minder worden. Dat moet in ons leven gevonden worden. Dan zijn we op de goede weg. Dan zijn we in Gods weg.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 januari 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 januari 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken