Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christus’ heengaan om plaats te bereiden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christus’ heengaan om plaats te bereiden

14 minuten leestijd

„Wat man leeft er, die de dood niet zien zal? Die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? " (Psalm 89 : 14). De dood zal niemand ontlopen. Hij kent geen aanzien des persoons, omdat hij een knecht is van de God van leven en dood. Geveld heeft hij, zowel de sterke Simson, als de zwakke Mefiboseth, zowel de wijze Salomo, als de dwaze Nabal, zowel de vrome Josafath, als de goddeloze Achaz, zowel de rijke man, als de arme Lazarus. Niemand wordt door de dood gespaard. Hij komt tot ieder van ons. Hij is zelfs gekomen tot de Zoon des mensen, Jezus, zoals ons dat in de lijdensweken weer met kracht wordt herinnerd.

Zestig, zeventig, tachtig jaren, kan er tussen ons mensen een groot verschil zijn in allerlei opzicht. Er komt echter een tijdstip, waarop al deze verschillen zullen wegvallen. Dat is, als, zowel de koning als de bedelaar, zien verschijnen de angstwekkende dood, die ons afgetekend wordt als een geraamte met een zeis in de hand. Vele gevaren bestaan slechts in onze verbeelding. Het gevaar des doods is echter een onbetwijfelbare werkelijkheid.

Maar, zo vraagt misschien deze of gene lezer, waarom is het dan nodig ons met zoveel nadruk daarop te wijzen? Dat weet toch iedereen? Mogelijk zelfs maakt gij het woord van Elia hier tot het uwe: , , lk weet het ook wel, zwijg gij stil." Er zijn er immers zovelen, die maar het liefst niet bij het sterven bepaald worden.

Dat zijn de jongeren in onze gezinnen. Zij staan, menen zij, nog maar aan het begin. Waarom dan nu al te denken aan het einde? — Er worden er echter zo-, velen weggenomen, jonger dan gij, Onzeker is de tijd, waarop de dood komt. Het kan zijn morgen, het kan zelfs heden zijn.

De jongeren denken in de regel niet aan de dood. Er is reden, zouden wij zeggen, om betere dingen te verwachten van de ouderen. Zij hebben al zovelen zien vooruitgaan. Zij hebben wellicht meermalen gestaan aan een sterfbed en bij een geopende groeve. Zij weten zeker, dat ze zeer dicht zijn genaderd tot het einde van hun leven. En toch — wonderlijke verblinding en zelfmisleiding! < — ook de ouderen rekenen weinig of niet met en op de dood. Ware het anders, dan zou men toch wel meer rekenen met dit woord: „bereid uw huis, want gij gaat sterven." Velen zijn onrustig, als ze met de trein mee moeten. Zij zeggen: „ik ben altijd bevreesd, dat ik te laat zal komen." Doch wat hoort ge zelden uit iemands mond: „ik ben altijd zo bang, dat ik niet bereid zal zijn, als de dood mijn woning binnentreedt." Maar al denkt en spreekt gij nóóit over uw sterven, al leeft gij alsof er geen dood is, eens zult gij hem zien. Wie weet, hoe spoedig!

Het is een ontroerende gedachte: over minder dan 100 jaren is niemand van ons meer in leven. En wat zal dan ons lot zijn? Wij weten uit Gods Woord, dat er maar twee wegen zijn, en, in het nauwste verband daarmee, dat er, ondanks de verschillende rassen, de verschillende volken, de verschillende talen, de verschillende godsdiensten, de verschillende rangen en standen, de verschillende zeden en gewoonten, de verschillende karakters en zo veel meer, dat er, ondanks dit alles, als het er op aankomt, toch maar twee soorten van mensen zijn, nl. wandelaars op de brede weg, die voert aar "het eeuwig verderf, en pelgrims op de enge weg, die uitloopt in het eeuwige leven.

Bij het sterven zijn er dus, die geworpen worden in de eeuwige rampzaligheid. O, welk een ontzettende realiteit, die ons juist door de Heere Jezus zo aangrijpend geschilderd is. Let toch op Zijn woorden. Geef acht op Zijn waarschuwingen. Ik noem er nu maar één: „Gedenk aan de vrouw van Lot!"

Maar, Gode zij dank! bij het sterven zijn er ook, die opgenomen worden in de eeuwige gelukzaligheid. Denk maar aan dit éne voorbeeld: Voorwaar zeg Ik u: eden zult gij met Mij in het Paradijs zijn." Dat is de zoete vrucht van het bitter lijden en sterven van de plaatsbekledende Borg. Hij heeft gezegd, zoals wij dat lezen in Johannes 14:2 en 3:

In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anderszins zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.

De woorden van deze overdenking zijn uitgesproken door de Zone Gods kort voor Zijn heengaan van de aarde. Zij behoren tot Zijn bekende afscheidsredenen, die Hij tot Zijn jongeren heeft gericht. Veel te weinig wordt er in de lijdensweken gepreekt over Johannes 14, 15 en 16. Judas was, door satan overmeesterd, in de donkere nacht uit de kring der discipelen vertrokken. Daarop spreekt de Heere Jezus aldus: „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt." Zijn bedoeling is aldus te wijzen op Zijn vertrek uit de wereld, want Hij voegt er aan toe: „Kinderkens! nog een kleine tijd ben Ik bij u. Gij zult Mij zoeken, en gelijk Ik de Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen; alzo zeg Ik nu ook."

Christus wist, dat Zijn discipelen bedroefd werden door de woorden over Zijn heengaan. Zij waren met zovele banden aan Hem verbonden. Zij konden Hem niet missen.

Om hen te troosten met het oog op de aanstaande scheiding, sprak Hij: , , llw hart worde niet ontroerd, gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij." 't Is de Heere Jezus niet onbekend, dat de ontroering, verwekt door ongeloof, ons hart zo geducht kan slingeren. Daarom vermaant Hij Zijn discipelen in Hem te geloven. Zij mogen niet zo spoedig, zij mogen nooit aan Hem en Zijn trouw twijfelen. Zijn heengaan, al is het ook in de weg van lijden, in de weg van het kruis, is immers, wel verre van aan hun hoop de grond te ontnemen, zo moedgevend en vertroostend. Om Zijn jongeren daarvan te overtuigen wijst Hij hen op het doel van Zijn heengaan. Dat doet de plaatsbekledende Borg, als Hij in het be-

gin van Zijn afscheidsredenen Zijn dwalende discipelen verzekert: „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anderszins zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder, en ; zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben."

Deze liefelijke woorden van de Heiland geven ons met elkander te overdenken het rijke Evangelie van de lijdende Verlosser. Wij willen dat doen in deze drie onderdelen:

1. Er is een Vaderhuis, dank zij de lijdende Verlosser. 2. Er is een Plaatsbereider dank zij Zijn plaatsbekleden. 3. Er is een thuiskomst van de kinderen dank zij de thuiskomst van de Zoon.

Wat bedoelt de Heere Jezus, als Hij spreekt van het Vaderhuis? Natuurlijk wil Hij onze gedachten opleiden naar de plaats, waar God woont en troont. Dat is de hemel der hemelen. Deze wordt in de Heilige Schrift meermalen genoemd Zijn vaste woonplaats. Zo zingt de psalmdichter: De Heere schouwt uit de hemel, en ziet alle mensenkinderen; Hij ziet uit Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde" (Ps. 33 : 13 en 14). En koning Salomo bidt in zijn gebed bij de inwijding van de tempel: Hoor dan naar de smeking van Uw knecht, en van Uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en Gij, hoor uit de plaats Uwer woning, in de hemel; ja, hoor, en vergeef" (1 Kon. 8:30). Jesaja spreekt in zijn profetiën van de hemel als God heilige en heerlijke woning. Uit deze namen blijkt duidelijk, dat de hemel ons wordt getekend als de plaats, waar God woont, waar Hij is gezeten in Zijn troon. In de hemel is God de Heere dan ook met een bijzondere tegenwoordigheid. Vandaar, dat de aanhef van het gebed, dat Christus Zijn discipelen geleerd heeft, aldus luidt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt." Daar bewoont Hij een ontoegankelijk licht. Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht; sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.

In iemands huis leert men hem meer van nabij kennen. Zo is het ook met God de Heere. In de hemel openbaart Hij meer van Zichzelf dan op de aarde. Daarom is het Vaderhuis zulk een zalig tehuis voor allen, die de Heere vrezen. Hem, Die zij hebben leren beschouwen door het onderricht van Gods Woord en van de Heilige Geest, als het allerhoogst en eeuwig Goed, zullen zij daar volkomener kennen. En dus zullen zij daar ook meer genieten van Zijn Goddelijke algenoegzaamheid. Om nog wat anders wordt de hemel genoemd Gods huis, nl. omdat daar zal zijn de algemene vergadering van allen, die door aanneming en wedergeboorte kinderen Gods zijn geworden.

Daar richt Hij voor hen aan een heerlijk bruiloftsmaal, zodat op hen van toepassing is het woord: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods" (Luc. 14:15).

Van dat Vaderhuis is God Zelf de Kunstenaar en Bouwmeester. Dat zegt ons al het eerste woord van de H. Schrift: „In den beginne schiep God de hemel en de aarde." Daarom is de hemel ook Zijn eigendom en mogen wij met de psalmdichter uitroepen: „Aangaande de hemel, de hemel is des Heeren." Dat Huis Gods beschrijft de Heere Jezus nader als het huis Zijns Vaders. Daarom kunnen wij ook door niemand beter worden ingelicht omtrent de hemel, over het huis Zijns Vaders, dan door Hem, Die er als de eniggeboren Zoon des Vaders verkeert. Paulus is ook wel opgetrokken geweest tot in de derde hemel, doch dat was slechts voor enkele ogenblikken. De Heere Jezus heeft daar vertoefd in de schoot Zijns Vaders. Hij is wel nedergedaald op de aarde. Dat echter is maar geweest voor enkele jaren. Thuis is Hij slechts in het huis Zijns Vaders. Naar Wie zouden wij dus, als het over de hemel gaat, beter kunnen luisteren?

En wat zegt Hij nu van dat Vaderhuis? Er zijn vele woningen. Daar woont de Allerhoogste Majesteit, want onze God is toch in de hemel. Maar in dat Vaderhuis is ook plaats voor schèpselen. Van de gevallen èngelen wordt gezegd, dat zij hun woonstede hebben verlaten. Daarin ligt opgesloten, dat de goede engelen hun woonstede nog hebben in de hemel. Zij zingen daar Gods lof. Zij staan daar rondom Zijn troon. „Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen? "

Doch als de Heere Jezus spreekt van de vele woningen in het huis Zijns Vaders, dan heeft Hij als de bewoners daarvan niet allereerst op het oog de reine engelen, maar in het aardse leven onreine zondaren, zoals de discipelen zijn. Voor dezulken zijn er woningen, véle woningen, in de hemel. Welk een blijde Evangelietijding!

Onnoemelijk velen zullen de hemelpoort gesloten vinden, en op hun kloppen ten antwoord krijgen: „Ik heb u nooit gekend", omdat zij in hun zonden zijn gestorven, omdat zij geweigerd hebben zich te bekeren en zich te stellen onder de scepter van Koning Jezus. Voor hen is er geen woning in het Vaderhuis.

Woningen in het huis des Vaders zijn er wèl voor allen, van wie de grote Profeet zegt: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken" (Joh. 14 : 23). Een woning in het huis des Vaders is er dus voor allen, bij wie de Vader en de Zoon woning hebben gemaakt, en die in die weg zijn geworden een woonstede Gods in de Geest. Wat zijn dit toch een wonderlijke zaken, vol van genade en van liefde! Hoe bevoorrecht is degene, die in dit wonder delpn mag!

Het woord „woning", dat hier in het oorspronkelijke wordt gebruikt, wijst op een plaats, waar men komt om te blijven. Op aarde is alles onzeker. Wij weten niet, wat er van ons worden zal. Wij weten niet. of wij tot ons einde toe zullen kunnen blijven in het huis. dat wij nu bewonen. Die waarschuwing komt tot ons uit de vele en grote rusthuizen, die verrijzen. Maar wie een woning krijgt in het huis des Vaders met zijn vele woningen, die zal daar eeuwig blijven. Hij of zij behoeft niet te vrezen voor onteigening, voor gedwongen ontruiming, voor verwoesting door de vijand, voor vermindering. Woningen worden de blijfplaatsen in het Vaderhuis genoemd, omdat daar de rust wordt genoten, die er overblijft voor het volk van God. Wie daartoe behoort, is hier op aarde een vreemdeling. Hij mag zich hier niet thuis gevoelen. En als 't goed met hem staat, kan hij dat ook niet, omdat zulk een gevoelt geen gemene zaak meer te kunnen maken met de wereld. Daarin is voor hem het geluk niet meer te vinden. Hij is in de wereld, maar niet van de wereld. De nieuwe mens ziet verlangend uit naar een plaats, waar geen vervloeking meer zal zijn, naar dat oord, waarvan staat geschreven: „en aldaar zal geen nacht zijn." Geen nacht van onkunde en dwaling, geen nacht van kommer en rouw, geen nacht ook van zonde en ongerechtigheden. In die lichtstad zijn enkel woningen zonder zorg en gebrek, zonder twist, zonde, ziekte en dood. Daarom zijn ze 4iier op aarde alleen dan op hun plaats, als zij er gasten zijn, op de doorreis naar een eeuwig, zalig tehuis, als zij er van doordrongen zijn: hier hebben wij geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Daar is onze woning!

In het huis Mijns Vaders, zegt de Zoon, zijn véle woningen; omdat er vele kinderen tot de heerlijkheid geleid moeten worden. Troostrijk is de verzekering, dat er véle woningen in het Vaderhuis zijn. Troostrijk voor de mannen en vaders in het geloof, voor de moeders in Israël. Troostrijk in het bijzonder ook voor de bekommerde zielen, die zo vaak benauwd worden door de gedachte: zou er voor mij straks wel een woning zijn? , voor mij, die nog zo weinig ben een vreemdeling op aarde, die de pinnen nog zo vast insla op de aarde, voor mij, die zo zwak ben in het geloof? Ja, mijn geslingerde broeder of zuster, als er een klein begin mag zijn van het zaligmakende werk van de Heilige Geest, dan is er ook voor u straks een woning gereed bij de grote verhuizing. Geen klauw zal achterblijven. Geen kind, geen zuigeling zal buiten blijven.

„In het huis mijns Vaders zijn véle woningen, anderszins zou Ik het u gezegd hebben" — zo sprak de Heiland in Zijn afscheidsredenen tot Zijn jongeren. En En hoe zwak, hoe dwaalziek, hoe aardsgezind zelfs in hun Messiasverwachting, waren die. Als er voor zulke zwakken, onverstandigen, tragen van hart om te geloven, geen plaats was geweest, dan zou Hij het hun toch gezegd hebben. „Anderszins zou Ik het u gezegd hebben."

Het is toch alleen: vrije toegang, zonder geld en zonder prijs. Die woningen behoeven niet duur gekocht te worden tegen opgejaagde prijzen. Hier is geen huur en huurverhoging. Deze woningen zijn alleen , , te koop", doch slechts voor zondaren, voor bankroetiers, die komen met ledige handen en met een onbetaalbare schuld. Hier is het alles genade. Genadeloon, genadekoop, genadebrood, vrije toegang. Want deze woningen zijn gekocht en betaald tot de dure prijs van het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon. In Utrecht zijn woningen, die „vrijwoningen" worden genoemd. Maar in veel diepere zin zijn de vele woningen in het huis des Vaders „vrij-woningen". Zijt gij door en in Christus zulk een „vrijwoning" reeds deelachtig geworden zonder geld en zonder prijs? Denk er om, er is haast bij. Anders staat gij straks eeuwig zonder woning!

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 maart 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Christus’ heengaan om plaats te bereiden

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 maart 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken